Boek uit de kast Uit straatboekenkastjes in heel Nederland haalt Arjen Fortuin steeds een boek, bespreekt het, en geeft het door. Deze week een Indische schat uit De Hoven.
Het boekenkastje in De Hoven
Wie vanuit Zutphen de IJsselbrug oversteekt, komt in De Hoven. Officieel is het een dorp, maar dat blijkt het pas sinds 2015 te zijn. Daarvóór was het een wijk van Zutphen. Een wonderlijke omkering; want waar uitbreidingslustige groeikernen het ene dorp na het andere tot woonwijk maken, is De Hoven dus officieel verdorpt. Het laat zich raden dat de Hovense meningen hierover verdeeld zijn. Elf jaar geleden tekende De Gelderlander getuigenissen op van ‘dorpsmensen’ die zich eindelijk erkend voelden, maar ook van ‘wijkbewoners’ die zich uit de stad gestoten voelden.
Natuurlijk zijn er in zulke omstandigheden ook mensen die gewoon lekker een boek gaan lezen: De Hoven zit relatief ruim in zijn boekenkastjes en het best gevulde kastje bevat een dun verhalenbundeltje van Lin Scholte (1921-1997): Takdiran en andere verhalen uit 1977. Scholte was de dochter van een KNIL-militair en een Indische vrouw en bracht de eerste 24 jaar van haar leven – op haar zestiende trouwde ze zelf ook met een militair – in Nederlands-Indië door, wat tevens haar voornaamste onderwerp is. Veel wordt ze niet meer gelezen.
Je hoeft niet lang in Takdiran (wat lotsbestemming betekent) te lezen om te concluderen dat dat jammer is. Scholte vertelt precies, bijvoorbeeld over hoe haar moeder tijdens een overstroming urenlang met haar als baby in de armen op een tafel zat. „Het water steeg tot onder het tafelblad, het klotste ertegenaan, het huis kraakte in zijn voegen en deinde licht mee met de golfbeweging.”
Het grootste deel van Takdiran gaat om de belevenissen van Scholte na de Japanse capitulatie, in de chaos van Indonesische vrijheidsstrijders, Britse troepen en groepen Nederlandse vrouwen en kinderen die zich laten meevoeren in de hoop zo uit het strijdgewoel te komen. Dan gaat het over barakken waar iedereen door elkaar heen op de grond ligt te slapen, maar waar je ook zomaar de hand van de een of andere kerel op je been kan voelen of in een open truck midden in een vuurgevecht belandt. Op dat moment zegt Scholte haar kinderen (ze heeft er twee) zich zo klein mogelijk te maken en gaat ze beschermend om hen heen staan. Tekenend voor de kalme, reflexieve schrijftrant van Scholte is dat ze daaraan toevoegt: „Natuurlijk zou het weinig geholpen hebben, realiseer ik me nu, als onze truck werkelijk getroffen was.”
Uiteindelijk belandt het gezin in Nederland, waar de kinderen kennismaken met ijs. Dat hangt in ijspegels aan de boot waarmee ze hartje winter naar Amsterdam varen. Zoiets als ijslolly’s, legt moeder uit. Maar waarom hangen ze hier ijslolly’s aan een boot, willen de verbijsterde kleintjes weten.
Het laatste – zeer opmerkelijke – verhaal gaat over de ziekte en dood van de vader van Scholte, in 1959. Dat bevat pijnlijk-prachtige dialogen tussen dochter en arts, waarbij die laatste weigert uit te spreken dat de aandoening ongeneeslijk is en de dochter met een reeks omwegvragen toch tot de kern weet door te dringen. Ook blijkt dat een euthanasieverhaal te zijn, wellicht een van de vroegste in de Nederlandse letteren – afgesloten met even secure als liefdevolle omschrijving van het uiteindelijke sterven.
Wilt u het besproken exemplaar hebben? Mail naar boekuitdekast@nrc.nl; het boek wordt onder inzenders verloot, de winnaar krijgt bericht.