Geneeskunde Arts zijn is een vak met eigen normen. Die staan onder druk in systemen waarin doelmatigheid en efficiency leidend zijn, en artsen vooral zorgverleners worden, ziet Hans Verheul. Dat is een groot verlies waarmee de patiënt uiteindelijk slechter af is.
Het Amphia ziekenhuis in Breda.
Als de vraag is; ‘arts of zorgverlener?’, dan wilt u natuurlijk een arts. Maar die twee rollen zijn aan het verschuiven, en dat ervaren patiënten steeds vaker zonder het precies te kunnen benoemen. Het verschil zit niet alleen in wat artsen en zorgverleners precies doen, maar in wat het betekent om arts te zijn.
Ik herinner mij een assistent chirurgie. Ik sprak hem op de eerste hulp, twee uur na zijn dienst. Hij had een jonge timmerman opgevangen die door een ongeluk met de lintzaag de vingers van zijn linkerhand had verloren. Ons ziekenhuis kon de hand niet reconstrueren. De arts bleef na zijn dienst, belde ziekenhuis na ziekenhuis, totdat hij een handchirurg vond die de patiënt kon overnemen. Die inzet was voor de arts vanzelfsprekend.
Hans Verheul is cardioloog en heeft 33 jaar in het Flevoziekenhuis in Almere gewerkt.
Een keer, aan het eind van mijn spreekuur, belde de familie van een patiënte om door te geven dat het heel slecht ging. Aan het bed van de vrouw, die in coma lag, sprak ik met haar man en zoon, we deelden herinneringen. Tijdens het gesprek stopte zij met ademen. De arts-assistent van de afdeling kwam binnen, bleef in de deuropening staan en bekeek de verpleegnotities. Ik liep naar hem toe en zei: ‘Je patiënt is overleden.’ Hij antwoordde dat hij daar geen tijd meer voor had, dat hij het zou overdragen aan zijn collega, en liep weg.
Het handelen van de tweede arts is uitzonderlijk. Verontrustend is vooral dat de onderliggende logica steeds normaler wordt. Tijdsdruk, gedeelde verantwoordelijkheid en overdracht bestonden vroeger ook, maar werden afgewogen binnen een beroepsethos waarin betrokkenheid en verantwoordelijkheid voor de patiënt voorrang hielden. Waar die norm verschuift, handelt de arts gemakkelijker als onderdeel van een systeem.
Op het Rode Hoed Zorgsymposium 2025 stond onder meer op het programma wat er nodig is om „zorgprofessionals gezond en met plezier aan het werk te houden”. De voorzitter bracht in zijn inleiding de vermoeidheid van een arts-assistent op maandagochtend in verband met een weekendtrip naar Milaan, aansluitend op een drukke dienstweek. De zaal wees dat verontwaardigd van de hand. Dat het überhaupt werd gesuggereerd, werd als ongepast ervaren — professionele inzet en persoonlijke keuzes horen los van elkaar te staan.
Het protest in de zaal en het eerder genoemde weglopen van de arts-assistent bij zijn zojuist overleden patiënt lijken verschillende situaties, maar ze raken aan dezelfde verschuiving. Het wordt minder vanzelfsprekend dat professionele verantwoordelijkheid verder reikt dan de formele taak of dienst. Dat roept de vraag op welke waarden binnen het vak nog richtinggevend zijn voor het handelen van de arts.
De filosoof Alasdair MacIntyre maakte in After Virtue een onderscheid dat verhelderend is: tussen een vak zelf, de practice, en de institutions. Een vak heeft eigen waarden — in de geneeskunde zijn dat onder meer oordeel, verantwoordelijkheid en de relatie met de patiënt. Die waarden staan niet in protocollen; ze leven in de arts die ze oefent en doorgeeft. Het beroepsethos is de ordening van waarden die het handelen stuurt waar regels tekortschieten: de arts die na zijn dienst blijft bellen.
Dat vak is ingebed in institutions — ziekenhuizen, verzekeraars, toezichthouders. Dat systeem heeft veel gebracht: meer toegankelijkheid, transparantie, veiligheid. Maar het wordt gestuurd door andere waarden, zoals efficiëntie, meetbaarheid, en beheersbaarheid. Wanneer die logica de boventoon voert, wordt de arts een uitvoerder. Het probleem is niet alleen dat artsen minder betrokken zijn — het is dat betrokkenheid ophoudt een norm te zijn.
Het vak verandert ook van binnenuit. Artsen wegen werk-privébalans en flexibiliteit mee — dat is begrijpelijk, maar het wordt problematisch zodra die belangen de ordening van het vak gaan bepalen.
De autonomie van de arts is immers alleen gerechtvaardigd zolang ze rust op vertrouwen van de samenleving in het beroepsethos. Dat betekent dat de arts verantwoordelijkheid draagt voor het goede voor de patiënt, ook waar regels tekortschieten. Verdwijnt dat fundament, dan blijven vooral regulering, protocol en controle over als manieren om kwaliteit te waarborgen. De deugden van het vak — onder meer verantwoordelijkheid, trouw en oordeelsvermogen — ontwikkelen zich juist in situaties die weerstand bieden: dan moet het belang van de patiënt de doorslag geven.
Voor de patiënt betekent toename van regulering en controle een drievoudig verlies. Minder autonomie bij de arts verkleint de ruimte om af te wijken van het protocol, af te wegen wat deze patiënt nodig heeft en verantwoordelijkheid te nemen wanneer regels tekortschieten. Minder betrokkenheid betekent dat niemand het geheel overziet — niet het dossier én de mens. En waar de deugden van het vak niet meer worden geoefend, ontmoet de patiënt niet een arts die deze deugden beheerst, maar een die zich vooral richt op uitvoering: correct, vaak, maar zonder de kwaliteit die het vak onderscheidt.
De patiënt merkt dit verschil. De patiëntenbeweging heeft terecht gestreden voor zelfbeschikking, gelijkwaardigheid en autonomie — en veel gewonnen. Tegelijk versterkt die ontwikkeling, samen met de organisatie van zorg in taken en prestaties, een eigen logica waarin de arts-patiëntrelatie eerder contractueel dan moreel wordt begrepen. Voor de arts telt dan vooral of de uitvoering correct is — daarmee is de dienst geleverd — terwijl betrokkenheid uit beeld raakt.
Op een avond werd ik gebeld door de dienstdoende intensivist. Hij stond aan het bed van een jonge vrouw, een Jehova’s getuige. Zij was in shock door een bloeding in de buik maar weigerde bloedproducten. Hij vroeg mij of ik als cardioloog nog iets kon bedenken. Ik wist het niet. Gewoonlijk is zo’n overleg kort. Maar ik begreep dat hij worstelde met het moeten aanzien van een overlijden zonder te kunnen handelen. Juist daarom ben ik naar het ziekenhuis gegaan. Niet om het probleem op te lossen — maar om naast hem te staan. Dat laat zich niet vangen in regels of protocollen. Die keuze — naar het ziekenhuis gaan — is precies wat het beroepsethos is.
Chirurg Emma Bruns, columnist in NRC, herkende dat beroepsethos niet meer in de manier waarop zij het vak moest uitoefenen. Zij schreef dat zij zich voelde als „een poppetje in een computerspel” (30/1) en stopte als chirurg. Haar vraag — kiezen we voor wat van waarde is? — is niet alleen haar vraag. Het groeiende aantal huisartsen zonder vaste patiëntenpopulatie geeft er stilzwijgend ook antwoord op.
De samenleving individualiseert, ondersteund door technologie, en de zorg verandert mee. Maar die ontwikkeling is geen natuurwet — zij is het gevolg van keuzes. De optelsom van individuele en institutionele beslissingen, afzonderlijk verdedigbaar, veranderen gezamenlijk de normatieve ordening van het vak. Dat is niet neutraal: het gaat ten koste van waarden die minder zichtbaar, maar niet minder belangrijk zijn.
De ironie is dat wat nodig is, zich niet laat voorschrijven. Beroepsethos ontstaat niet via protocol — het wordt overgedragen, of het verdwijnt. En wat uit beeld raakt, wordt minder geoefend en uiteindelijk ook minder gemist.
De belangrijkste vraag is daarom niet wat artsen verliezen, maar wat u verliest wanneer u geen arts meer ontmoet, maar een systeem.