Home

‘In het korte verhaal zit de meeste vernieuwing en de grootste diversiteit’

Lisa Thunnissen en Nanne Timmer Met een bundel Latijns-Amerikaanse verhalen brengen Lisa Thunnissen (literair vertaler) en Nanne Timmer (dichter, schrijver en universitair hoofddocent) het werk van zestien auteurs uit elf landen bij elkaar die niet eerder in het Nederlands vertaald werden. „Achter de horror schuilt vaak een sociaal-politieke context.”

Een zwerfhond in Caracas, Venezuela.

In het verhaal ‘Monster’ van Legna Rodríguez Iglesias probeert de hoofdpersoon, een „uitzonderlijk geval” zoals er meer zijn, zich een weg door de Cubaanse bureaucratie te banen om een uitreisvisum te bemachtigen. Ze ruilt haar bezittingen in voor houten muntjes, die ze in haar broekzak bewaart. Elk loket kent eigen regels en wetten, maar de ik-figuur hoort bij „de mensen van een organisatie”, en heeft er alle vertrouwen in. „Op onze gezichten zag je de rust die zelfverzekerdheid brengt.” Maar het bureaucratische ‘monster’ blijkt toch sterker: „De angst druppelde uit onze ogen.”

Er valt meer te griezelen in de bundel Je zult geen bloemen dromen. Soms om tastbare zaken: grijpgrage mannen bij een hanengevecht, een onthoofd buurmeisje of bloederige strepen op de benen van een kind. Soms om iets abstracters, zoals de nog halfvolle shampoofles van een overledene in het openingsverhaal ‘Levende huizen’ van de Venezolaanse Liliana Lara.

Je zult geen bloemen dromen. Nieuwe stemmen uit Latijns-Amerika. Vertaald en samengesteld door Lisa Thunnissen en Nanne Timmer. Wereldbibliotheek, 240 blz. € 22,99

De verhalen willen nooit zomaar lekker griezelig doen, zegt Nanne Timmer, die samen met Lisa Thunnissen de bundel samenstelde: „Het dient als manier om de duistere aspecten van het leven te onderkennen.” En om persoonlijke verhoudingen indirecter weer te geven, vult Thunnissen aan. „Zoals in het verhaal van Giuseppe Caputo, waarin het ene lichaam het andere letterlijk dreigt op te slokken. Als je zo’n relatie ‘gewoon’ omschrijft, zou het saai worden.” Achter de horror schuilt daarnaast vaak een sociaal-politiek conflict, schrijven de samenstellers in hun nawoord. Timmer: „Dat maakt literatuur uit Latijns-Amerika zo interessant, het sociale en politieke bewustzijn kom je vrijwel altijd tegen. Oók als een verhaal daar totaal niet over lijkt te gaan.”

In het nawoord beschrijven jullie ook hoe auteurs inspelen op de angst voor het natuurlijke én het bovennatuurlijke. Wie ‘bovennatuurlijk’ leest in combinatie met ‘Latijns-Amerika’, denkt al snel aan magisch realisme. Is de gotiek van deze nieuwe generaties daaraan nog schatplichtig? 

Timmer: „Het is een label, zoals er nu weer andere labels zijn: gótico andino, tropical gothic of Caribbean gothic. Sommige auteurs gebruiken die zelf, anderen hebben er niks mee. Waar het voor ons op neerkomt: in Nederland wordt vaak een strikte lijn getrokken tussen werkelijkheid en fictie, realisme en surrealisme. In Latijns-Amerika is het nu eenmaal gebruikelijker om het gotische onderdeel te laten zijn van de werkelijkheid. En literatuur is meer verweven met inheemse en Afrikaanse mythologieën, waardoor het voor auteurs logischer is om die elementen mee te nemen.”

CV Lisa Thunnissen en Nanne Timmer

Lisa Thunnissen (1984) vertaalt uit het Spaans, met name auteurs uit Latijns-Amerika. Ze vertaalde onder meer werk van Norah Lange, Fernanda Melchor (proza), Maricela Guerrero en Raúl Zurita (poëzie). Haar boekvertaling De cowboykampioen van Aura Xilonen werd genomineerd voor de Filter Vertaalprijs 2018 en in 2021 ontving ze het Charlotte Köhler Stipendium.

Nanne Timmer (1971) schrijft gedichten en essays en is universitair hoofddocent Latijns-Amerikaanse literatuur aan de Universiteit Leiden. Ze publiceerde over hedendaagse literaire ontwikkelingen in de regio en promoveerde op onderzoek naar de Cubaanse roman na de val van de Berlijnse Muur. In 2023 verscheen haar (Spaanstalige) dichtbundel Doble papagayo (Liliputienses).

Lisa Thunnissen (1984) en Nanne Timmer (1971) kennen elkaar uit de tijd dat Thunnissen college volgde bij Timmer aan de Universiteit Leiden. Ze werkten eerder samen aan een bundel met Cubaanse verhalen. Vanaf het moment dat Thunnissen in 2020 door de uitgeverij benaderd werd – „een droomproject natuurlijk” – en Timmer erbij vroeg, tot de start van het daadwerkelijke vertalen zat bijna drie jaar van „ongelooflijk veel lezen”, vertellen de twee in Timmers werkkamer op de universiteit. Ze vullen elkaar aan – Timmer houdt van „uitzoomen en het grotere plaatje zien”, terwijl ze bewondert hoe Thunnissen „een beetje obsessief” is en erin slaagt „niet gek te worden door zo in te zoomen”.

Geen vrouwenbundel

De uitgeverij liet hen vrij. De enige voorwaarden: het moesten verhalen zijn van maximaal tien jaar oud, van auteurs die nog niet in het Nederlands vertaald waren, maar wel al een roman op hun naam hadden. Het zijn meer vrouwen dan mannen geworden, maar het moest „zeker geen vrouwenbundel worden”, zegt Thunnissen. „Er staan nu eenmaal veel vrouwen in de spotlights nu. Dus je moet oppassen de mannen niet te vergeten.”

Auteurs vinden was niet moeilijk, vertelt ze. „Ik heb lijstjes en interviews afgestruind, boeken, bundels, literair tijdschriften. Er zijn zoveel schrijvers die niemand hier kent, terwijl ze in Latijns-Amerika prijzen hebben gewonnen of in bekende lijsten als de ‘Bogotá 39’ staan.” Ze kwamen ook oudere, nooit vertaalde verhalen van grote namen tegen: „Zonde eigenlijk. Maar die vielen dus af.”

Timmer: „Mensen verwachten misschien Samanta Schweblin, Mariana Enríquez of Paulina Flores in deze bundel. Die zitten er dus niet in. Bijna alle schrijvers die in Nederland vertaald zijn, komen uit Argentinië, Chili en Mexico. Wij wilden meer onderbelichte gebieden bekijken.” De ‘nieuwe stemmen’ uit de ondertitel komen dus uit de Andeslanden, Midden-Amerika en het Caribisch gebied.

Ze wilden, zonder in stereotypes te vervallen, „goede verhalen, waarin je de diversiteit en vernieuwing van de hedendaagse Latijns-Amerikaanse literatuur ziet”. Want, zegt Timmer, literair Latijns-Amerika biedt een „ongelooflijke rijkdom aan stemmen” en is diverser dan ooit. „Kijk, de boom: dat zijn feitelijk vier witte mannen uit de elite: Julio Cortázar, Carlos Fuentes, Gabriel García Márquez en Mario Vargas Llosa. Maar vanaf de jaren negentig zie je veel meer verschillende stemmen en achtergronden. Al blijft publiceren voor veel auteurs moeilijk. Een schrijver uit een gemarginaliseerde groep vindt niet zomaar een uitgeverij voor een roman. Dan zijn tijdschriften de plek, korte verhalen dus. Daar zit de meeste vernieuwing, qua thema’s, diverse stemmen maar ook qua experiment in genres en vormen.”

Omdat in korte verhalen, vanwege de toegankelijkheid, per definitie de meeste diversiteit te vinden is?

Timmer: „Ja, niet iedereen kan het zich veroorloven om een paar jaar aan een roman te werken. En: in Latijns-Amerika, net als in Noord-Amerika, is het korte verhaal een veel sterker genre, met een lange traditie. De roman is echt een Europese traditie, en wordt daar helemaal niet als het hoogst haalbare gezien. Daarbij, bijvoorbeeld in de Cariben, is de orale traditie veel groter, ook in de literatuur: wat je schrijft, draag je voor. Het gaat over het vertellen, het sociale aspect ervan. Daar past het korte verhaal ook bij.” 

Hoe zijn korte verhalen om te vertalen, in vergelijking met een roman?

Thunnissen: „Bij korte verhalen heb je meer overzicht. Je kunt alle elementen bijna in één oogopslag zien. Alleen bij een roman kom je op bepaald moment goed in de toon en de stem van die schrijver…”

Nu waren dat er zestien. Kon je steeds weer de juiste toon vinden?

Thunnissen: „De toon en stem verschilt enorm per verhaal. Dat kost tijd. Maar dat was ook het leuke, schaven aan al die verschillende stemmen. Pas als je echt begint, merk je hoe moeilijk sommige verhalen zijn. Zoals ‘Afstand’ van de Uruguayaanse Gonzalo Baz. Hij heeft heel precieze beelden en maakt korte zinnetjes, waarin hij de woorden net een beetje gek gebruikt. Of het verhaal van Fátima Vélez, over een stel uit de stad dat probeert te aarden op een finca, dat ratelt maar door, is heel associatief en je moet alles zien te verbinden.”

Waren jullie niet bang dat de Nederlandse lezer bij korte verhalen meer context nodig heeft?

Timmer: „Daar hebben we het nawoord voor gebruikt. Bij bepaalde verhalen met een politieke lading, ‘De pakken’ bijvoorbeeld, is het fijn om te weten wat erachter zit. Maar als er te veel uitgelegd moet worden, schort er iets aan een verhaal.”

Migratie is heel belangrijk in de verhalen, en veel van de auteurs leven zelf in de diaspora – zoals Liliana Lara uit Venezuela die net als haar hoofdpersoon in Israël woont, en de Cubaanse Legna Rodríguez Iglesias, van het verhaal over de zoektocht naar het uitreisvisum, die in de VS woont. Is dat meer dan ooit een thema voor Latijns-Amerika?

Thunnissen: „Het is alomtegenwoordig, een thema dat je niet kunt ontlopen. Zoveel schrijvers wonen buiten hun geboorteland. Talloze Latijns-Amerikanen bewegen zich over de wereld, en steeds méér van die mensen worden gehoord.”

Transformatie

Migratie hangt in de bundel samen met transformatie: mensen veranderen, lichamen veranderen. Soms letterlijk: in ‘Afscheid’ van Claudia Hernández verandert de hoofdpersoon in een luipaard. En meer algemeen zijn veel verhalen erg fysiek: de personages ruiken en horen nadrukkelijk, er is „het geluid van vlees dat tegen vlees kletst”, en een kind dat zich insmeert met „poep en bloed en ingewanden van dode hanen” om de mannen op afstand te houden.

Vanwaar die focus op het lichamelijke?

Timmer: „Stemmen die voorheen niet gehoord werden, vinden nu een weg, en dat gaat vaak via het lichaam. De boom-schrijvers, de witte mannen, waren een en al hoofd. Bovendien was hun lichaam de norm, dus het hoefde ook niet beschreven te worden. Maar de Ander – de vrouw, de indígena, de Afro-Latino – van wie de stem lang niet werd gehoord, werd juist tot lichaam gereduceerd. En zo werd het lichaam een manier om een eigen stem, een eigen taal te vinden.”

Behalve ‘De pakken’ van Rita Indiana, dat laat zien hoe de anticommunistische dictatuur in de Dominicaanse Republiek in zijn werk ging, zijn het geen expliciet politieke verhalen. Was dat jullie keuze of hoort dat bij deze ‘nieuwe stemmen’?

Timmer: „Wat wij in Nederland vaak als politiek zien – het herschrijven van de nationale geschiedenis – dat zit hier inderdaad minder in. Maar de gevolgen van politiek in de levens van mensen zijn overal. Het is de achtergrond waartegen de verhalen zich afspelen, zoals Venezuela in het openingsverhaal ‘Levende huizen’. Het absurde van politiek en bureaucratie, zoals bij Legna Rodríguez Iglesias. Ook het heroveren van het eigen lichaam, zoals bij María Fernanda Ampuero, is natuurlijk uitermate politiek. Het zijn dus wel degelijk politieke verhalen, maar alledaags, subjectief. Hoe je te dealen hebt met de plek die je in de wereld gegeven wordt.”

Wat ook opvalt: weinig verhalen benoemen expliciet een locatie, maar we lezen wel of we ons in de stad of op het platteland bevinden. Wat symboliseren die twee?

Thunnissen: „De betekenis van die locaties verschuift steeds – wat heel interessant is. Ook dat is het gevolg van diversere stemmen. Eerder werden de stad en het platteland voorgesteld als twee heel verschillende werelden. Hier zijn ze uitwisselbaar. Van oudsher was de stad de plek van nette mensen, en het platteland dat van de ‘wilden’, maar in ‘Vliegend hoofd’ van Mónica Ojeda is het juist de stad waar een nette dokter zijn dochter vermoordt. De monsters zijn overal, zo is het eigenlijk.”

Wat heeft deze bundel betekend voor jullie kijk op de hedendaagse Latijns-Amerikaanse literatuur?

Timmer: „In Nederland staat toch vaak de psychologie van het individu en het realisme centraal. Dat vind je in Latijns-Amerika ook, maar daarnaast zie je verhalen van het collectieve, het politieke, waarin ook nog allerlei verschillende culturele en mythologische invloeden een plek hebben. We hopen dat mensen dat eruit halen: verder kunnen kijken dan de directe omgeving, dan alleen het individu.”

Latijns-Amerika

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next