Financiële onzekerheid Stijgende woonlasten, stagnerende inkomens, hoge inflatie – de veelbesproken ‘cost-of-living crisis’ vindt ook zijn weerslag in de literatuur. Personages worstelen met geldgebrek en economische onzekerheid. Dat levert soms prachtige, levenslustige romans op.
Twaalf jaar geleden vroeg de invloedrijke Britse cultuurcriticus en blogger Mark Fisher zich af waarom de cultuur tot stilstand leek te zijn gekomen. In Ghosts of My Life, een essaybundel over popmuziek en film die cultstatus verwierf, beschrijft hij dat hij tot aan de jaren negentig voortdurend de schok van de toekomst voelde: wéér een nieuw genre elektronische muziek, wéér een onthutsend vernieuwende film. Maar inmiddels bleven cultuuruitingen steken in nostalgische citaten van het verleden, constateerde hij, alles was pastiche en herhaling. Dat was een probleem, omdat cultuur daardoor geen grip meer had op hoe het voelde om in het hier en nu te leven. In de twintigste eeuw leek het alsof nieuwheid eindeloos beschikbaar was, maar de eenentwintigste eeuw ‘voelt niet als de toekomst’, concludeerde hij teleurgesteld.
Isabelle Graw: Angst und Geld. Ein Roman. Spector, 240 blz. € 22,-
Waar was die geest en energie van vernieuwing gebleven? Een van de verklaringen die hij opperde was simpel. Het naoorlogse Europa stond in het teken van de verzorgingsstaat. Londen was een stad waar je zonder veel geld toch best aardig kon leven. Punkers vonden in de stad overal gaatjes en hoekjes om te kraken, een biertje in de pub was betaalbaar. Kunstenaars hielden genoeg tijd over om te experimenteren met een drumcomputer, te pielen in het atelier, of in de kroeg op bierviltjes een geniaal concept uit te tekenen. Tegenwoordig moet iedereen veel harder werken om de huur of de hypotheek te kunnen betalen. Hoe is culturele vernieuwing nog mogelijk als iedereen voortdurend gestresst en uitgeput is?
Holly Pester: The Lodgers. Granta, 224 blz. € 12,10
Economische zekerheid leidt natuurlijk niet automatisch tot meesterwerken, maar dat er een verband is, is niet vergezocht. Crisis en ontberingen benauwen de geest. Fishers sombere boek raakte dan ook een snaar. Zijn werk is nog altijd geliefd in memes op internet, in afstudeerscripties en essays – ook schrijvers als Marian Donner en Dominique de Groen lieten zich door Fisher inspireren.
Toch lijkt het inmiddels alsof Fishers diagnose afkomstig is uit een ander tijdperk. Het gevoel dat de cultuur in rondjes draait, en de toekomst maar niet wil beginnen, heeft lang bestaan. Maar tegenwoordig verandert de wereld sneller dan de geest kan bijhouden. Het huidige levensgevoel staat niet meer in het teken van stagnatie, maar eerder van een wereld die op instorten lijkt te staan. Politici spreken van een ‘nieuwe wereldorde’, en dat betekent niets goeds. Oorlog, genocide en de klimaatramp verduisteren het beeld van de toekomst. Inflatie, stijgende olieprijzen, de last van een hoge studieschuld en de wooncrisis maken het leven bijna niet meer te betalen voor een groter wordende groep mensen.
De term die je daar de laatste jaren steeds vaker voor hoort is de „cost-of-living crisis.” Door de combinatie van stijgende woonlasten, stagnerende inkomens en hoge inflatie is het leven veel duurder geworden. Dat leidt tot schrijnende taferelen aan de onderkant van de samenleving. Ook de middenklasse maakt zich veel zorgen. Voor Nederlandse millennials en Gen Z’ers – grofweg iedereen geboren tussen 1980 en 2012 – is de cost-of-living crisis de grootste reden tot zorg, nog vóór mentale gezondheid en de klimaatcrisis, zo blijkt uit jaarlijks onderzoek van adviesbureau Deloitte. Deze crisis is zo veelbesproken dat er op het internet al een slang-woord voor is bedacht: ‘cozzie livs’.
Voor creatieve, onafhankelijke beroepen, die toch al kwetsbaar zijn, is de opkomst van artificiële intelligentie een dreiging die daar nog bovenop komt. Reëel of niet, veel creatieve freelancers vrezen een inkomstenval als AI hun werk in de toekomst overneemt, of zien hun inkomsten nu al krimpen. Online circuleren schrikverhalen over de angst om tot een ‘permanente onderklasse’ te gaan behoren, als straks veel werk kan worden overgenomen door machines.
Werkt die angst voor verlies en afbraak door in de literatuur? Armoede en geldgebrek zijn vanzelfsprekend thema’s zo oud als de literatuur zelf, fenomenaal beschreven door Charles Dickens of recentelijk Edouard Louis. Wat de literatuur van de cost-of-living crisis anders maakt, is dat verarming bijna de hele samenleving kan treffen, niet alleen de onderklasse. De middenklasse, waar de meeste kunstenaars en schrijvers toe behoren, stagneert. Het leven is voor die klasse misschien niet werkelijk schrijnend, maar het besef van verlies deprimeert, zorgt voor stress en leidt tot sombere toekomstverwachtingen.
De ‘cozzie livs’ dringen steeds verder door in de literatuur. In recente romans zijn personages vaker blut of worstelen ze met hun financiële neergang. Dit leidt niet tot nostalgische vormen of pastiche – de klacht van Fisher – maar juist eerder tot vormexperiment. Denk aan Heike Geisslers Seizoensarbeid, waarin een Duitse schrijfster haar bijbaan in een distributiecentrum van Amazon beschrijft, vervolgens in staking gaat en haar baan overdraagt aan de lezer, die ze aanstuurt en commandeert.
In Ik ben fan van de Britse Sheena Patel raakt een verarmde vrouw gefascineerd door een rijke influencer; de repetitieve structuur van de roman spiegelt de obsessie en uitzichtloze stilstand van het personage. Ook Overgave op commando van de Nederlandse Nadia de Vries, die onlangs net naast de Libris Literatuurprijs greep, past hierbij. De Vries transformeert de economische marginalisering van haar personage, Schelvis, in een vlijmscherpe stijl, bijtend, grappig en poëtisch.
Geld maakt een mens immuun voor angst, zei de Duitse schrijver Martin Walser eens. Is dat waar? De naamloze, neurotische verteller in het nog niet in het Nederlands vertaalde Angst und Geld van de Duitse auteur Isabella Graw denkt erover na wanneer ze niet kan slapen. Nee, denkt ze eerst. Rijke mensen zijn juist de bangste mensen, want die hebben veel te verliezen. Zelf heeft ze geldzorgen én een angstprobleem. De vrouw, een kunsthistorica en schrijver, ligt hele nachten te piekeren, vooral over haar kwetsbare financiële situatie. Geldzorgen koloniseren de geest.
Angst und Geld is een angstdagboek, dat wel erg simpel simpel en direct draait om de thema’s uit de titel: een vrouw noteert haar dagelijkse paniek, die vooral wordt aangestoken door haar fragiele financiële situatie. Dat is alles. Maar het boek is toch opvallend omdat Graw de hedendaagse geldzorgen van haar personage zo letterlijk uitspelt en herhaalt. Daarmee laat ze iets zien van de verhouding tussen economische malaise en literaire vorm. Geld en angst (of liever geen geld en angst) bepalen de benauwende vorm van de roman, die eigenlijk faalt om werkelijk een roman te worden. Daarmee wordt een belangrijke vraag opgeworpen: wat voor literatuur is nog mogelijk in tijden van economische afbraak?
De angst van de verteller is deels een persoonlijk probleem, heeft iets met daddy issues te maken. Maar Graw plaatst die persoonlijke beslommeringen in het bredere verband van de wereld waarin haar verteller leeft. Haar woonplaats Berlijn, waar je tot niet zo lang geleden maar weinig geld nodig had, wordt stap voor stap onbetaalbaar voor haar. Van het ene moment op het andere verhoogt haar huisbaas de kosten voor energie met vierhonderd euro.
De laatste jaren ziet de vrouw haar inkomsten als kunsthistorica in de culturele wereld sterk teruglopen. Ook in Duitsland wordt flink op cultuur bezuinigd. Voor lezingen in musea of essays in kunstcatalogi kan ze niet meer zoveel geld vragen als vroeger. De middenklasse valt, en deze ouder wordende vrouw valt hard, door een combinatie van oorzaken. Precies die complexiteit van oorzaken is typisch voor het levensgevoel van de ‘cozzie livs’. De dreiging komt van alle kanten, er is geen oplossing denkbaar.
Het hele bestaan van deze controlfreak blijkt een zoektocht naar afleiding van de angst. Schrijven geeft haar tijdelijk een gevoel van controle. Dus brengt ze haar dagen gedisciplineerd aan haar werktafel door. Zo hoopt ze uiteindelijk een uitweg te vinden door de angst zelf tot haar literaire project te maken.
Angst und Geld is een beklemmend relaas van een innerlijke stem, maar wellicht iets té beklemmend. Angst als vormprincipe: een gedurfd literair experiment dat het waard is om eens te proberen. Maar Graw slaat door in haar letterlijkheid. Er is te weinig suggestieve kracht, geen poëtische afstand; de verlammende angst regeert in elke zin zonder filter. Zelfs op kleurrijke taal lijkt te zijn bezuinigd.
Financiële zorgen hoeven niet noodzakelijk te leiden tot afgestompte literatuur. The Lodgers, de debuutroman van de Britse Holly Pester, is daar een goed tegenvoorbeeld van. Pesters taalschoonheid werpt een heel andere blik op de cost-of-living crisis, een blik gelardeerd met metaforen en poëtisch vuur. De economische wanhoop is hier even voelbaar als in Graw: ook hier wordt een vrouw ten tonele gevoerd wier leven getekend wordt door financiële uitholling, ook hier schept angst een benauwend en beklemmend patroon voor een klein leven. En ook hier komt een vrouw niet vooruit, ontwikkelt een personage zich niet. Pester vindt echter andere strategieën, andere vluchtlijnen om als schrijver toch vrijheid en speelruimte te vinden.
Na een vage opleiding als massagetherapeut in een stadje dicht bij de Engelse kust verhuist een vrouw terug naar de woonplaats waar ze is opgegroeid met haar moeder Moffa. Ze wil de relatie met haar moeder herstellen, een excentrieke actrice die haar dochter verwaarloosde. Toch stelt de verteller de ontmoeting steeds uit. Ze vindt een kamertje in een goedkoop ingericht gedeeld appartement met uitzicht op het dak van Moffa’s huis.
Ondertussen beeldt ze zich in dat een nieuw persoon intrekt in het pension waar ze vorig jaar woonde. Deze nieuwe persoon spreekt ze in gedachten aan als ‘jij’, en via die aanspreekvorm blikt ze terug op de maanden in het pension. Zo ontstaat een dubbelvertelling over twee verre van ideale woonsituaties: het heden waarin de verteller wegduikt voor Moffa, en het verleden in het pension, wegduikend voor de gestreste, eveneens verarmde pensionhoudster en haar dochter. Daar mocht ze overdag niet op haar kamer zijn, want de eigenares gebruikte de ruimte voor haar tweede baantje als schoonheidsspecialiste.
Pester, die eerder twee dichtbundels publiceerde, heeft een scherp oog voor hoe economische verhoudingen het dagelijks leven bepalen, en schrijft niet zonder humor. Het is een beetje vies dat er mensen overdag in je kamer liggen om gemasseerd te worden, schrijft de verteller aan de ‘jij’, maar ja, „deze rotatie van konten en verwelkomingen is waar jij nu economisch deel van uitmaakt. Wen er maar aan.”
Uit The Lodgers spreekt een verlangen naar zachtheid, huiselijkheid, zorgzaamheid, maar precies die waarden lijken onmogelijk door de ‘cozzie livs’. Alle personages werken hard, komen laat en afgepeigerd thuis en hebben de energie niet meer om te malen om gezelligheid in huis of omzien naar elkaar. Ze ontlopen elkaar of laten een bende achter. Huiselijkheid is een luxe en wordt zelfs omschreven als ‘het duurste van alles’. Waar het de personages ontbreekt aan tederheid, geeft Pester hen die terug in haar toon, haar blik voor menselijke noden.
Hoewel het boek begint als poging van de verteller om haar moeder te bezoeken, ontmoet ze Moffa uiteindelijk nooit. Er gebeurt vrijwel niets, in The Lodgers. Ontwikkeling van het hoofdpersonage, het belangrijkste ingrediënt van de realistische literatuur en de eerste les op iedere schrijfopleiding, is niet waar het hier om draait. De ‘cozzie livs’ staan zo’n ontwikkeling niet toe.
Maar juist dat maakt Pesters roman tot een scherp, beeldend commentaar op de wereld van nu. Pesters stem is enigmatisch en rijk, genoeg om je een boek lang in te verdwalen. Als het boek stilstaat, is het een stilstand die dwingt je om beter te lezen, om lagen af te pellen die onuitgesproken tussen de regels liggen. The Lodgers brengt wellicht niet de schok van de toekomst, maar leest als het huidige leven zelf, als de mogelijk zachtste versie van wat we ons nog kunnen veroorloven.