Poëzie Meteen de grootste prijs: de Vlaamse debutant Sarah de Koning ontvangt voor de dichtbundel Tekstielen de Johan Polak Poëzieprijs. Ze overtuigt met de kracht waarmee ze beeldschone beelden oproept van een intense, stormachtige binnenwereld.
De Moldau, oftewel de Vltava, vanaf de Karelsbrug in Praag.
In de intrigerende debuutbundel Tekstielen van Sarah de Koning (1992) – die wordt bekroond met de Johan Polak Poëzieprijs, de grootste poëzieonderscheiding (50.000 euro) die het Nederlands taalgebied kent – wordt afgetast hoe het ik zich tot de ander verhoudt en voortdurend mee verandert. Verschillende verhoudingen vormen het strijdtoneel van het ik, dat door middel van taal een vastere omlijning zoekt. Liefde en verlangen vuren de gedichten aan.
De gedichten zien eruit als korte prozafragmenten, wat een losse, nonchalante indruk wekt. Maar de inhoud van deze poëzie is dat allerminst. Een klankrijke beeldtaal, met archaïsche en beeldschone frasen, geeft een intense, stormachtige binnenwereld weer.
Nu til ik een onschuldige steen op en zie ik: mijn ziel een geest die mijn lijf nog wist, als het woelige nikkel van de visvijver waar je een keil in pleurt, die geschubde golfslag die het graf uit kruipt, dagdag aan de stilstand!
Sarah de Koning: Tekstielen. Querido, 90 blz. € 19,99
De woest talige binnenwereld wordt verstoord door de ruwe handeling van iets zwaars dat erin wordt „gepleurd” – een effectieve lompe verwoording. Deze woordkeuze voorkomt dat de wereld die De Koning schetst ouderwets of al te barok overkomt. Het is eerder de wereld van iemand die veel gelezen heeft, en kennis van klassieke poëzie geconfronteerd ziet met het concreet alledaagse.
Het gedicht vervolgt met een liefdesverklaring die ook gelezen kan worden als een opdracht aan de dichter: „Je mag nu groot en stortachtig worden.” „Stortachtig” is een prachtig woord, dat suggereert dat De Koning betwijfelt of poëzie de stortplaats van gevoelens moet zijn. Met de toevoeging van ‘-achtig’ geeft ze aan dat dichten (net als liefhebben) het beoefenen van een pose is, hoe hevig de liefde ook die erin wordt bezongen.
De bundel ontleent stevigheid aan een heldere structuur. In zes afdelingen verschuift telkens de aard van de afstand tussen ik en ander. Deze afstand bepaalt steeds een nieuw perspectief, vanuit onder meer een minnares met verlatingsangst, een moeder en dochter (in briefvorm) en een vereenzelviging met Sylvia Plath. Gaandeweg raakt de grens tussen zelf en ander verder ontregeld, totdat aan het slot in spiegelbeeld en schaduw een ‘dubbel ik’ verschijnt dat ruimte biedt aan een voorzichtige vrede met het alleen-zijn.
De afdeling ‘Praagse brieven’ valt op. De toon ervan heeft in tegenstelling tot de meer gejaagde gedichten een kalmte, een bepaalde gelatenheid die misschien wordt veroorzaakt door de afstand tot de geliefde. „Ik weet dat ik zo niet ben, ik probeer alleen maar zo te leven: hier zijn ze, de woorden die ik niet kan schrijven voordat jij ze schrijft.” Het is de geliefde, op afstand, die de woorden veroorzaakt. Maar net als in het hierboven geciteerde gedicht kan hier worden verwezen naar het eigen dichterschap: „Aan elke brief hang ik een dichter op; ik die al te graag de witte rust zou zijn van een wolk vogels op water dat verstild is, niet deze hand die in de borst het hart komt plukken, niet nu ik al gegeven heb wat ik wens te geven: mijn harde mond, haar komma en de naam, de groet, goedenacht goedenacht goedenacht.”
Een grote kracht van De Koning schuilt in hoe overtuigend ze beelden tevoorschijn haalt voor het oog van de lezer. Juist omdat ze er blijk van geeft dit zo goed te beheersen kan het frustrerend zijn wanneer een beeldsequentie mank loopt, of te ver wordt doorgevoerd, zoals de harde mond die ook nog een komma en een naam lijkt te moeten voorstellen. Of zouden die komma en de naam naar een dichter verwijzen aan wie een brief wordt opgehangen?
In elk gedicht komen zowel dergelijke troebele beelden als heldere, onvergetelijke beelden voor. Hierdoor ontstaat de indruk dat De Koning een bewust spel speelt van tonen en verduisteren, een schilderachtig clair-obscur.
En dus ’s nachts en alle nachten ga ik zwemmen in de Moldau; de nachten dat ik niet zwem ben ik verdronken. Buiten mij is er een bodem die duizendvingerig is: schelpwerk, wrakhout, schrift. Uit de oever breekt een zwaan als een bot: ik heb waanzinnig lief, het recht van elke drenkeling. Ik zwem de hele nacht de Moldau af, zo donker dregt het mij.
De zwaan die wit moet zijn omdat zij uit de nachtelijke oever breekt als een bot, is haast magisch wit, omdat ‘wit’ nergens wordt genoemd maar wordt opgeroepen.
Waanzinnig liefhebben is als zwemmen en verdrinken, elke nacht weer. Prachtig is de slotregel, waarin in het onduidelijk is wat het donker opdregt: het liefhebben of ‘mij’ – een onduidelijkheid die effectief is en dicht op de huid van wat het betekent jezelf in liefde, of in poëzie, te verliezen.