Amsterdam is sinds begin vorige eeuw groener geworden, maar heeft ook veel buitengebied overgenomen. De Volkskrant fietst door de stad en zoekt naar sporen uit het verleden en wat ervoor in de plaats kwam.
schrijft voor de Volkskrant over natuur, biodiversiteit en landschap.
Op het terras van Hotel Arena, in het Amsterdamse Oosterpark, valt het gesprek even stil. Een spreeuw is op ons tafeltje geland en doet zich tegoed aan het koekje bij de koffie. Behalve dat we de spreeuw van wel heel dichtbij kunnen bewonderen, is het ook een illustratie bij het verhaal van Geert Timmermans, oud-stadsecoloog en oud-voorzitter van de jubilerende Amsterdamse afdeling van de KNNV, de Koninklijke Nederlandse Natuurvereniging. Net nog hadden we het over het gedrag van dieren in de stad, dat afwijkt van het gedrag dat diezelfde dieren buiten de stad vertonen. ‘Minder schuw. Ze weten dat ze hier niets te vrezen hebben van mensen.’
Timmermans had ook al gewezen op de appartementencomplexen net buiten het park. Daar hangen tijdens de bouw aangebrachte nestkastjes, waar vooral spreeuwen gebruik van maken. En we zagen, vanaf het terras, prompt een spreeuw een van de nestkastjes in vliegen. ‘Die spreeuwen kunnen hier leven omdat ze in het gazon van het Oosterpark, heel dichtbij, voldoende voedsel vinden, genoeg emelten en wormen.’
En koekjes dus.
De KNNV bestaat dit jaar 125 jaar, in 1901 werd in Amsterdam de eerste afdeling opgericht, nog in datzelfde jaar volgden andere steden en werd de vereniging (toen nog niet Koninklijk) landelijk. Doel: onderzoek, bescherming en studie van de natuur. Dat ging vooral in de vorm van excursies en lezingen. Die excursies vonden in die tijd niet of nauwelijks in de stad plaats, maar juist erbuiten. En waar we nu zitten was destijds de rand van de stad, het Oosterpark, het eerste (vanaf 1891) door de gemeente aangelegde grote openbare park in Amsterdam.
We zijn een paar honderd meter verwijderd van het huis aan de Plantage Muidergracht waar onderwijzer en natuurbeschermer Eli Heimans woonde vanaf 1903, even na de oprichting van de natuurvereniging – Heimans was een van de initiatiefnemers. Daar begon onze fietsexcursie zojuist. Destijds was het een ideaal startpunt voor de lange wandelingen van de leden tot ver buiten de stad.
De vraag is of er nog iets te vinden is van de natuur die Heimans, de KNNV’ers van het eerste uur en ook Jac. P. Thijsse destijds aantroffen. Zo ja, waar en zo nee: wat kwam ervoor in de plaats? Of de toestand beter of slechter is, valt niet zomaar te zeggen. Geert Timmermans: ‘De stad zelf was in 1901 stoffig, druk en smerig. En zeker niet groen. Er stonden niet, zoals nu, overal bomen. Amsterdam telt nu zo’n 300 duizend straat- en laanbomen.’
Eli Heimans moest er, eenmaal verhuisd van Zwolle naar Amsterdam, aan wennen. Hij greep iedere gelegenheid aan om de natuur buiten de stad op te zoeken. Dat is nu wel anders. De stad telt zo’n vijftig parken en plantsoenen, er zijn groene verbindingen, groene begraafplaatsen, volkstuinparken en er zijn honderden ecopassages voor dieren. Timmermans: ‘We hebben nu ijsvogels in de stad, vinken en spechten. De stad zelf is veel biodiverser geworden. Van de veertigduizend soorten in Nederland, komen er tienduizend in Amsterdam voor. Er leven bevers, otters, reeën, vossen, steenmarters en boommarters binnen de stadsgrenzen. Tegen de landelijke trend in is het aantal soorten wilde bijen gestegen in de stad.’
In het boek Wild Amsterdam. De natuur van de stad, dat is verschenen ter gelegenheid van het KNNV-jubileum, staat ook een hoofdstuk over de flora in de stad. Specialist Ton Denters beschrijft de ontdekking van ‘het urbane district’, de typische stedelijke flora. Timmermans: ‘De plantenwereld is in districten opgedeeld, maar het stedelijk gebied had nooit een district. Dat was een blinde vlek. Maar je hebt eigenlijk ook een gemeenschap van stadsplanten.’
Of, zoals Ton Denters schrijft: ‘De Amsterdamse flora is net zo multicultureel als zijn bevolking, samen goed voor nu ruim 1.650 soorten.’ Voor sommige plantensoorten komen liefhebbers zelfs speciaal naar de stad. Voor het steenhavikskruid, bijvoorbeeld, dat maar twee vindplaatsen heeft in het land: in Den Haag en in Amsterdam, aan de Mauritskade, waar we zojuist voorbij zijn gefietst.
Het Oosterpark door. Voordat dit een park werd, was dit de Oosterbegraafplaats, met een roekenkolonie. Die roeken veroorzaakten overlast, vonden bewoners toen, de brandweer rukte soms uit om de vogels uit hun nesten te spuiten. Roeken zijn nu zeldzaam geworden in de stad, tegenwoordig wordt er geklaagd over parkieten. En over andere exoten.
We stoppen bij een vijver. Daar, op een liggende stam boven het water, zitten vier roodwangschildpadden. Afkomstig uit aquaria. Ze staan op de lijst van exoten die bestreden zouden moeten worden, maar in Amsterdam gebeurt dat niet. Timmermans: ‘Ze verdringen hier geen inheemse schildpadden. En ze kunnen zich hier niet voortplanten, het is hier niet warm genoeg. Er zijn mensen die zeggen: je moet ze vangen en in quarantaine plaatsen. Maar volgens mij zitten ze hier lekker. Je kunt ze hier ook goed bekijken. In de natuur plonzen ze al in het water als je alleen maar naar ze wijst.’
Op dezelfde stam zitten ook twee aalscholvers, op nog geen 10 meter afstand van de waterkant. Timmermans: ‘Als je deze aalscholvers in de polder tegenkomt, vliegen ze al weg als je op 300 meter afstand komt.’
Iets meer dan een half miljoen mensen telde de stad in 1901, op een veel kleinere oppervlakte dan nu. Het inwoneraantal is bijna verdubbeld, de stad is ruimer opgezet en groener, maar een keerzijde is er ook: er is heel veel buitengebied opgeslokt door de stad.
We fietsen er nu al doorheen, door dat voormalige buitengebied, dat bestond uit bloemrijke weilanden, sloten en ringvaarten, waar de KNNV-leden 125 jaar geleden watergentiaan, waterlelies, zwanenbloemen en kikkerbeet bewonderden, sloten met kikkers en watersalamanders ook, oevers met ringslangen. Weidevogels, niet te vergeten. Timmermans: ‘Het was een open gebied, met weinig bomen. Kleinschalig boerenland, met overal wilde planten. Kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen bestonden nog niet, het boerenland was eigenlijk de natuur.’
Toch, als je goed kijkt, zie je er nog iets van terug in de huidige stad. In de perkjes in het Oosterpark staan de paardenbloemen, de madeliefjes en de hondsdraf in bloei. Gevolg van bewust beleid: niet meer alles schoffelen, ook de gifspuit is taboe geworden in Amsterdam, er wordt alleen af en toe gemaaid. Even later, op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, zijn de gazonnetjes nog bloemrijker – hommels en andere bijen foerageren tussen de paardenbloemen. Veel oud, onberoerd grasland ook, wat de begraafplaats tot een paddenstoelenparadijs maakt. Vanuit een boom lacht een groene specht. Ook de appelvink is inmiddels broedvogel op de begraafplaats.
Maar de Ringvaart, die we even eerder overstaken, is er juist flink op achteruitgegaan. Van waterplanten is vrijwel niets meer over, het water is troebel geworden. Allemaal het gevolg van Amerikaanse rivierkreeften, die alles opeten. Timmermans: ‘Ik weet dat Jac. P. Thijsse in zijn tijd weinig moeite had met exoten. Ik ben benieuwd wat hij er in deze tijd van zou vinden, met invasieve exoten als de Japanse duizendknoop en de rode Amerikaanse rivierkreeft.’
In park Frankendael staan we nog even stil bij het ooievaarsnest boven op een oude schoorsteen van de Stadskwekerij die hier vroeger was. Het kan verkeren. In 1902 telde Amsterdam het laatste broedgeval van de ooievaar. In 2001, 99 jaar later dus, keerde de ooievaar als broedvogel terug, op deze plek. Nu broeden ooievaars op 23 plekken in Amsterdam.
Timmermans: ‘Hier is een speeltuin voor kinderen en iedere maand is er een enorm drukke markt, maar je ziet: de ooievaars storen zich er niet aan.’ Ze zitten hier dan ook goed, aan voedsel geen gebrek en even later kijken we naar een bijna oud-Hollands plaatje als we bij de Hugo de Vrieslaan het park uit fietsen. Een ooievaar en een blauwe reiger, foeragerend in het water, krakeenden en futen dobberen op de achtergrond.
Dan door het ruim opgezette sportveldencomplex achter de Jaap Edenbaan. Op het kunstgras van de sportvelden hebben scholeksters en andere vogels niets meer te zoeken, toch houden sommigen het nog vol, ze broeden op de daken en in een paar grasvelden vinden ze nog voedsel. Timmermans wil vooral de bloemrijke oevers langs de sloten en de bloemrijke bermen langs de paden laten zien. Het raapzaad en de look-zonder-look kleuren de oevers nu wit en geel, her en der fladderen vlinders. Ook hier wordt het maaien zo lang mogelijk uitgesteld voor de planten en insecten.
Door het Flevopark. Amsterdam was er vroeg bij met de groene stedenbouw. Al voor de Tweede Wereldoorlog was er een uitbreidingsplan waarin rekening werd gehouden met groen. Na de oorlog werd dat plan aangepast tot het zogeheten ‘lobbenmodel’. De stadsuitbreidingen in verschillende windrichtingen vormden lobben, daartussen lagen zogeheten scheggen, groene gebieden, die van ver buiten de stad tot in de stad liepen.
Het Flevopark is onderdeel van zo’n scheg, de Diemerscheg, de groene verbinding tot aan Muiden, en verder eigenlijk. Met als gevolg dat hier vossen voorkomen, reeën soms, en inmiddels is er ook al een wasbeerhond gesignaleerd. De vroegere leden van de KNNV vonden hier andere natuur: velden met orchideeën en andere bijzondere plantjes. Wij zien een enkel bont zandoogje en ook oranjetipjes, de excursieverslagen van toen spreken vaak van vlindersoorten die nu zeldzaam zijn geworden.
Langs het IJmeer, zicht op vijf drijfeilandjes, natuureilandjes in het water, die groene verbindingen moeten vormen met Waterland, aan de overkant. Nu de bouwkoorts in de stad heeft toegeslagen, zijn er creatieve oplossingen gewenst om het groen te beschermen.
En dan staan we, even later, in het Diemerpark, op de plek waar vroeger de Zuiderzee begon. Dit waren de kwelders die soms onder water liepen. Heimans en de andere KNNV’ers van het eerste uur liepen hier vaak tot aan Muiden en Jac. P. Thijsse meldt in het Verkadealbum Langs de Zuiderzee dat hij soms Huizen wel haalde op een dag.
Onderweg: veel vogels. Hier, waar vroeger De Batterij lag, een verdedigingswerk dat als een punt de Zuiderzee in stak, zag Thijsse, zo schrijft hij, kemphanen, grutto’s, tureluurs, wulpen, leeuweriken, piepers, kieviten, koekoeken, ijsvogels, sperwers, valken, meeuwen en sterns, ofwel ter plekke ofwel overvliegend. Geert Timmermans: ‘Maar hier kon je ook zeehonden en bruinvissen spotten, en op bot vissen.’
Nu horen we een rietzanger in wat rietland is geworden.
Na de aanleg van de Afsluitdijk (1932) bleven de voormalige kwelders natuurgebied. Totdat het in de jaren zestig en zeventig een vuilstort werd. Met de bouw van IJburg, waar we nu op uitkijken, moest de zwaar vervuilde grond worden afgegraven. Dat werd deels gedaan, en er kwam folie overheen met daarop schone grond, en dat is nu het Diemerpark. Omdat er, vanwege het folie, geen bomen in het gebied mogen staan, heeft het wel iets van een duinlandschap, met glooiingen en veel meidoorns.
Het is het meest biodiverse park van Amsterdam, er bloeien hier orchideeën, er leven hermelijnen, ringslangen, in en bij poeltjes kikkers en libellen en er zijn rond de zestig soorten broedvogels. We prijzen ons nu gelukkig met veel zwartkopjes, een paar boerenzwaluwen, een dood en een levend konijn, en zeker met de nachtegaal, met een welluidend slotakkoord.
Of het beter of slechter is dan in 1901, het valt, nogmaals, moeilijk te zeggen. Maar anders is het wel.
Wild Amsterdam. De natuur van de stad. Onder redactie van Rob Biersma. Uitgeverij Noordboek, 304 pagina’s, € 29,90.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant