Kunstmatige intelligentie Elon Musk heeft zijn rechtszaak tegen OpenAI en Sam Altman verloren, maar de inhoudelijke vragen die hij in het proces opwierp zijn niet beantwoord. Toch heeft de rechtszaak belangrijke inzichten opgeleverd.
Marc Toberoff, advocaat van Elon Musk, spreek de pers toe nadat zijn cliënt diens rechtszaak tegen Sam Altman en OpenAI heeft verloren.
Nadat maandag de veelbesproken rechtszaak van Elon Musk tegen Sam Altman en OpenAI was uitgemond in een pijnlijke nederlaag voor Musk, verklaarde de rechter dat ze blij was dat het proces was gevoerd. Het was belangrijk dat de zaak duidelijkheid had gebracht, zei ze tegen de advocaten van beide partijen.
Inderdaad had het proces in drie weken genoeg materiaal opgeleverd om de jury in staat te stellen in slechts twee uur een oordeel te vellen, en de rechter om dat oordeel vervolgens meteen te accepteren. Musk had te lang gewacht, hij had het proces niet aangespannen binnen de termijn die de wet stelt – en daarmee was de zaak van tafel.
OpenAI kan nu door met zijn voor het komende jaar voorgenomen beursgang, zonder opgezadeld te zijn met een reusachtige schadevergoeding of een onthoofde directie, zoals Musk had geëist.
Maar door deze uitkomst is er geen inhoudelijk oordeel geveld over de beschuldigingen van Musk aan het adres van zijn rivaal Altman en OpenAI waar het proces om draaide. Mochten Altman en zijn zakenpartners OpenAI, dat in 2015 was opgericht als een onderneming zonder winstoogmerk, vier jaar later wel omzetten in een op winst gericht bedrijf? En hebben zij zich op een onrechtmatige manier verrijkt?
Die vragen liggen nog steeds onbeantwoord op tafel. Musk kondigde meteen aan dat hij in hoger beroep gaat, dus misschien komt er dan alsnog een antwoord op. Hoger beroep is noodzakelijk, volgens Musk, want een precedent dat „liefdadige instellingen geplunderd kunnen worden” zal fataal zijn voor charitatieve schenkingen in het algemeen.
Maar ook als het hoger beroep evenmin verder komt dan de vaststelling dat de klachten van Musk verjaard zijn, en dus niet in behandeling genomen kunnen worden, dan heeft het proces tóch nog allerlei inzichten opgeleverd. Bijvoorbeeld over de denkwereld en het gedrag van de mannen die aan het hoofd staan van enkele van de belangrijkste AI-bedrijven.
Uit de getuigenissen in de rechtszaal in Oakland rees afgelopen weken een benauwend beeld op van die topmannen en de manier waarop zij met elkaar omgaan. Ooit liepen ze over van mooie idealen dat kunstmatige intelligentie vooral veilig ontwikkeld moet worden en ten goede moet komen aan de hele mensheid. Maar inmiddels leveren ze onderling bittere strijd en maken ze elkaar zwart. Uit getuigenissen van derden, soms voormalige naaste medewerkers, komen ze naar voren als leugenachtig of tenminste hypocriet.
Zoals Musk, die klaagt dat OpenAI een commerciële onderneming is geworden, terwijl hij het bedrijf zélf had willen inlijven bij zijn niet minder commerciële autofabrikant Tesla. En Altman, die zich er altijd graag op liet voorstaan dat hij louter aan het hoofd van AI staat omdat hij er zoveel plezier aan beleeft, zonder er rijk van te worden. In de rechtszaak moest hij erkennen dat hij wél belangen ter waarde van 2 miljard dollar heeft in bedrijven waarmee OpenAI zaken doet.
En de president-commissaris van OpenAI, Greg Brockman, die toen OpenAI nog een non-profit was in zijn dagboek gemijmerd bleek te hebben over de nieuwe commerciële opzet en de vraag „Hoe kom ik, financieel gezien, naar 1 miljard dollar?” Inmiddels, zo bleek in het proces, is zijn belang zo’n dertig miljard dollar waard.
Een belangrijke reden van Altman en Brockman om van OpenAI een commercieel bedrijf te maken, was de noodzaak om kapitaal aan te trekken dat noodzakelijk is voor investeringen in chips, datacenters en het aantrekken van de beste AI-specialisten. Maar de beschuldiging van Musk dat het in elk geval óók ging om het spekken van de eigen beurs, won met de voortgang van het proces geleidelijk aan geloofwaardigheid.
Zo gaf de rechtszaak een actuele vraag extra urgentie: accepteren democratieën dat deze mannen bepalen hoe AI zich verder ontwikkelt, deze technologie die zo’n grote invloed lijkt te krijgen op allerlei aspecten van het menselijk leven, de samenleving, van oorlogsvoering tot volksgezondheid en de arbeidsmarkt? Accepteren kiezers en regeringen dat de grillige karakters van dit kleine groepje mannen, met hun enorme rijkdom en macht, zo’n grote invloed kan hebben op de toekomst van ons allemaal?
Of ligt daar toch een taak voor overheden om regels te stellen en toezicht te houden? In de Verenigde Staten wilde de tweede regering-Trump aanvankelijk niets weten van regulering van AI. Maar inmiddels lijkt in het Witte Huis toch de twijfel toe te slaan, sinds het bestaan is onthuld van het krachtige AI-model Mythos van OpenAI-concurrent Anthropic. Mythos blijkt erg goed zijn in het opsporen van kwetsbaarheden in software. Maar daarmee is het ook een gevaar als het in handen valt van kwaadwillenden die van zulke kwetsbaarheden willen profiteren. Opeens ziet het Witte Huis dat ongeremde ontwikkeling van AI risico’s met zich meebrengt, die een zekere regulerende rol voor de overheid nodig kunnen maken.
In de Europese Unie leeft dat besef al langer. Maar hoe de Europese AI-Act (die in 2024 gepresenteerd is en geleidelijk wordt ingevoerd) precies gehandhaafd en eventueel bijgesteld wordt, is nog onderwerp van intens debat en politiek getouwtrek. Waarbij men in Brussel beseft dat het niet kan negeren wat er in Washington en Silicon Valley gebeurt.