Home

Hoe Indiase olifanten koning Leopold moesten helpen om Afrika te plunderen

Koloniale geschiedenis In Een school voor olifanten doet de Britse schrijver Sophy Roberts met rijke details een negentiende-eeuwse expeditie herleven. Olifanten moesten de Belgische koning Leopold II helpen de rijkdommen te vervoeren die hij in Congo wilde vergaren.

Het ontschepen van olifanten in Calcutta.

Bevend over haar hele lichaam, haar sproetige oren flapperend van angst, werd de Sosankalli – ‘ontluikende lelie’ in het Hindi – met een draagriem en een katrol neergelaten vlak voor de kust van het huidige Tanzania. De hoop was dat ze naar de kust zou zwemmen zodra ze die zag. „In plaats daarvan schoot ze in paniek, trompetterde ze en probeerde ze drie kwartier terug aan boord van de Chinsura te klimmen”, beschrijft de Britse journalist en schrijver Sophy Roberts de meidag in 1879, toen vier tamme olifanten voor het eerst voet aan wal zetten in Afrika, na per stoomschip vanuit India te zijn aangevoerd.

Sophy Roberts: Een school voor olifanten. Lannoo, 405 blz.€ 27,99

De operatie was opgezet in opdracht en op kosten van de Belgische koning Leopold II. Hij wilde de vier olifanten en hun mahouts – olifantentemmers – overbrengen naar het Tanganyikameer, dat grensde aan het enorme deel van Afrika waarop hij zijn oog had laten vallen als toekomstig wingewest, en waaruit al veel ivoor werd aangevoerd. Leopold wilde ook een deel van die „weelderige Afrikaanse koek”, zoals hij schreef, waar de inzet van tamme olifanten enorm bij zou helpen. Die konden immers 270 kilo dragen, had Leopold begrepen, evenveel als negen dragers, „die elk moment het hazenpad konden kiezen” of ziek worden.

De olifanten in Afrika werden ontembaar geacht, maar een olifantenschool, met tamme Indiase soortgenoten en ervaren mahouts, zou hier verandering in kunnen brengen. De tamme vrouwtjes konden net als in India ingezet worden om wilde mannetjesdieren te vangen.

Leopold had de Ierse avonturier en ontdekkingsreiziger Frederick Carter ingehuurd om de klus klaren: door zijn verblijf in het huidige Irak sprak hij vloeiend Arabisch, wat belangrijk was omdat hij in Oost-Afrika te maken zou krijgen met Arabische handelaren in slaafgemaakten.

Na een lange reis over zee werden de olifanten uitgeladen tijdens hevige moessonregens. Het kostte vier uur om Sosankalli aan wal te krijgen. Toen de andere drie olifanten naar de wal waren gezwommen, hun slurf als snorkel gebruikend, rende het mannetje Sundar Gaj (‘de mooie olifant’) meteen de jungle in, de mahout op zijn rug van zich afwerpend, en kon pas na drie dagen worden teruggelokt met behulp van de twee vrouwtjes. Pas daarna kon Carter met zijn gevolg naar Dar es Salaam trekken om de laatste voorraden in te slaan. Op 2 juli 1879 vertrok de karavaan, onder leiding van Carter, met vier olifanten, twaalf ervaren mahouts en assistenten, tien Zanzibari’s, acht soldaten, vier gidsen en meer dan zeventig dragers.

Groot ego

Een school voor olifanten is een gedetailleerde beschrijving van deze tocht. Sophy Roberts dook ervoor in vele archieven en reisde ervoor naar India, Zanzibar en Tanzania, om dezelfde route af te leggen als Carter en zijn olifanten. Het is fascinerend te lezen hoe de karavanen werden voorbereid, hoe Carter, geplaagd door een groot ego, het liefst rijdend op de olifanten een dorp betrad, om zo respect af te dwingen. En hoe het publiek in België en India meeleefde.

Het is een expeditie die, zacht gezegd, niet voorspoedig verloopt. Na allerlei tegenslagen, levendig beschreven in talloze citaten uit brieven van Carter en ander Europese avonturiers en ontdekkingsreizigers, komt Carter uiteindelijk aan in Karema aan de kust van het Tanganyikameer, waar hij ongeduldig op nieuwe instructies van Leopold wacht.

De Belgische koning speelde dubbelspel in die jaren. In 1878 richtte hij de Association Internationale Africaine (AIA) op, waarvan hij voorzitter werd. De AIA zou „beschaving” brengen naar Afrika en de handel in slaafgemaakten bestrijden, waar Arabische potentaten zich nog volop schuldig aan maakten. Het was onder AIA-vlag dat Carter met de olifanten door Oost-Afrika reisde, waar Belgische en Indiase kranten uitgebreid over berichtten.

Tegelijkertijd had Leopold de bekende journalist Henry Morton Stanley, beroemd om zijn succesvolle zoektocht naar ontdekkingsreiziger David Livingstone in 1871-1872, ingehuurd om stilletjes vanuit de Afrikaanse westkust naar het binnenland te reizen en in het stroomgebied van de Congo handelsposten op te richten namens Leopold. Deze zouden de weg vrijmaken voor de oprichting in 1885 van Congo-Vrijstaat, waar Leopold 23 jaar als absolute vorst zou regeren, kapitalen vergarend met rubber.

Roberts’ boek leest dan ook als prequel van de klassieker King Leopold’s Ghost van Adam Hochschild (1998) – in het Nederlands vertaald als De geest van Koning Leopold II en de plundering van de Congo. Die beschrijft uitgebreid de operatie van Stanley en de wreedheden die later in Leopolds naam zijn begaan onder de Congolezen. Zij moesten ‘belasting’ betalen in de vorm van wilde rubber, en wie niet genoeg vergaarde, kon rekenen op marteling, verminking of executie – wat ook beeldend is samengebald in het hoofdstuk ‘Bliksemsche vuiligheid’ in Congo, een geschiedenis (2010), de bestseller van David van Reybrouck.

Leopold had met zijn AIA zorgvuldig gewerkt aan zijn imago als integere filantroop. Daaraan dankte hij het dat de Europese mogendheden op de Conferentie van Berlijn (1884-1885), waar zij Afrika onder elkaar verdeelden, hem toestemming gaven het immense gebied te besturen. Na de eeuwwisseling werden de protesten over afgehakte handen en massamoord uiteindelijk zo groot dat de Belgische staat het gebied in 1908 overnam en als kolonie ging besturen.

In de tijd van Carters expeditie, die King Leopold’s Ghost overigens in één alinea afdoet als amateuristisch, is dat allemaal nog ver weg. Als Carter eindelijk Karema bereikt, waar Leopold zijn eerste post aan het enorme Tanganyikameer zou opzetten op advies van Stanley, blijkt dat een slechte keuze: door toedoen van de ivoorjagers zijn er nergens olifanten te bekennen om te vangen en te temmen. „Wat heeft de heer Stanley een afgrijselijke locatie uitgekozen voor een post”, klaagt hij per brief. Van een school voor olifanten komt het dan ook niet op die plek. Later komen er toch nog twee in Noordoost-Congo, de eerste in 1910, een jaar na Leopolds dood. Roberts’ bezoekt de ruïnes van de tweede olifantenschool, maar maakt niet duidelijk waarom het hier wél lukte Afrikaanse olifanten te temmen.

Hard werken

Roberts vervlecht de geschiedenis van Carters expeditie met impressies van haar eigen reizen en persoonlijke bespiegelingen. Dat vertraagt het verhaal en voegt lang niet altijd iets toe. „In Afrika moet je hard werken voor een verhaal”, zegt Rem, Roberts’ reisgenoot en tolk, als ze haar notitieboekje dichtvouwt na een urenlang gesprek met een lokale traditionele leider dat ze ‘amper volgen’ kon. „Misschien schreven jouw ontdekkingsreizigers daarom alleen over zichzelf.”

Wel boeiend is Roberts’ ontmoeting in Pune in India, waar Carters vier olifanten vandaan kwamen, met een van de laatste nog levende olifantentemmers. Deze maakt duidelijk dat Carter de vier dieren honderden kilo’s te veel liet dragen, te lang liet lopen over de droge savanne, terwijl de voetenkussens van Indiase olifanten zachter zijn dan die van de Afrikaanse, en ze het best ’s nachts hadden kunnen lopen, als de aarde koeler is.

Zo staat het uitstekend gedocumenteerde boek vol met wetenswaardigheden over olifanten, de eigenlijke helden van dit verhaal. Zelfs volgens de olifantentemmer uit Pune zouden ze nooit meer afgericht en gebruikt mogen worden als lastdier of toeristische attractie. Want, zegt hij tegen Roberts, dat is ‘niet meer van deze tijd’.

Afrika

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next