In het Jewish Museum in New York zag ik een tentoonstelling getiteld In the flesh, met schilderijen van Joan Semmel. Vooral de schilderijen met piemels vond ik uitstekend, maar ook haar andere werk maakte indruk. Daarna dronk ik koffie met een vriendin die me vertelde dat doodgaan het laatste avontuur is, jammer dat je het met niemand kunt delen.
Doodgaan als een reisje naar Venetië. ‘Het weer viel tegen, de toeristen ook, de rest was fantastisch. Vooral het hotel.’
Daarna praatten we nog wat over zelfmoord, verjaardagen en koken. Ze zei: ‘Ik ben een slechte kok, na dertig minuten verlies ik mijn interesse. Elk ingewikkeld recept mislukt. De rest van het gezin klaagt daarover.’
We liepen naar buiten en ze vertelde dat ze bij voorkeur xtc nam als ze helemaal alleen thuis was.
Ik antwoordde: ‘Ik moet eigenlijk de andere kant op, maar ik loop een stukje met je op.’ Bij de rand van het Central Park zei ik: ‘Hier draai ik om, ik moet de 6 hebben. De 6 is mijn favoriete metrolijn.’ Ik wilde nog vragen of zij een favoriete metrolijn had, maar daar kwam het niet meer van.
Amsterdam riep. Mijn zoon zou 5 worden. Hij wilde een Mega Mindy-pak en een gate van Playmobil, het vliegveld heeft hij al, nu de gate nog. Hij is geobsedeerd met vliegtuigen en hij wil piloot worden. Niet comme il faut als je tot een bepaald soort bourgeoisie hoort, maar soit.
In Amsterdam was het koud en ik hoorde dat een vriend was overleden met wie ik veel over bijna vergeten schrijvers praatte. In literatuur kun je niet wonen, maar hij wel. Twee keer per jaar bezocht ik hem met mijn zoon en aten we vlaai.
Jammer dat je niet over doodgaan als over een reisje naar Venetië kunt spreken.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant