De half Indiase Parisienne Amirta Sher-Gil werd maar 28 jaar, maar heeft een verbluffend oeuvre achtergelaten. In het Drents Museum is de eerste overzichtstentoonstelling in ruim twintig jaar te zien.
schrijft voor de Volkskrant over kunst, cultuur en moderne mores.
Wie naar een overzichtstentoonstelling van een kunstenaar gaat, zal vanzelf consistentie zoeken. Succes daarmee, in het Drents Museum. Want de kunst van Amrita Sher-Gil is stilistisch zo wijdvertakt dat het alleen al daarin een brutale uitdaging van de kunstgeschiedenis is.
De eerste zelfportretten in de tentoonstelling zijn een ontmoeting met deze voor de meeste mensen onbekende kunstenaar. Op twee ervan ontvang je de genereuze lach van een volstrekt ontspannen vrouw. Ze had me meteen, daar. Ontspanning en vrolijkheid zijn immers de moeilijkste emoties om overtuigend te schilderen. Het lijkt hierdoor een echte ontmoeting. Ze draagt op beide een Indiase sari en leunt naar ons toe, met losse haren. De andere vier zijn formeler; daar is ze een modieuze Parisienne en een ploeterende schilder. Ze was het allemaal. En dan moeten de landschappen, genrestukken en stillevens nog komen.
Wat moet de kunstwereld met een in Hongarije geboren, half Indiaas supertalent dat zich in Parijs liet scholen vanaf haar zestiende, prijzen won, toen toch koos voor een leven in India, daar met haar moderne werk opnieuw geprezen werd en vervolgens piepjong stierf, een verbluffend maar onaf oeuvre achterlatend?
Amrita Sher-Gil is een unicorn in de 20ste-eeuwse kunstgeschiedenis, een talentvolle eenling, die daardoor decennialang buiten de kaders viel van een vak dat een gulzige hang naar rubricering heeft. En dan was ze ook nog vrouw. Je kunt categorieën en verwachtingen ontstijgen, zelf een nieuwe categorie worden, maar de geschiedschrijving is genadeloos. Amrita Sher-Gil werd vrijwel vergeten.
Dit eerste overzicht in Europa in ruim twintig jaar is daarom welkom. Je koppie wordt opengebroken. Ik werd blij van een onverwacht stadsgezicht, vanaf het dak van de Notre-Dame geschilderd. Een schilderij als een koekoekskind in het vertrouwde nest van de moderne kunst.
Het uitzicht op de Seine wordt ‘gespleten’ door een object op de voorgrond; pal vooraan staat de vieringtoren, als een pilaar die je blik op een concertpodium in de weg zit. De gietijzeren torenspits, pas gemaakt in 1863, stortte bij de brand in 2019 dramatisch ter aarde. Hier splijt het een schilderij.
Sher-Gil was negentien toen ze het schilderde, net als bij het schilderij ertegenover van twee jonge vrouwen. Schijnbaar ontspannen zitten ze in stilte in een Frans interieur. Een blonde vrouw met losse haren, kam in de hand, en ontbloot bovenlijf. En een Indiase, met rechte rug, benen over elkaar. Ze kijken elkaar net niet aan, de stilte wordt ongemakkelijker naarmate je langer kijkt. Sher-Gil won er de gouden medaille van de Grand Salon mee.
Ze kon naturel schilderen als de beste; wat mij betreft schilderde ze de fijnste borsten in de kunstgeschiedenis. Puddingachtig en vol en met grote zachte tepels als heuvels - en ja, daaruit wíl je opmaken dat dat komt omdat ze vrouw is. Maar dat is natuurlijk onzin, het is omdat ze een uitzonderlijk goede kunstenaar is.
In haar geest verenigen zich Hongaarse sprookjes en legendes, filosofie, Indiase miniatuurkunst, Parijse vroeg-modernisten, middeleeuwse schilders, koloniale kritiek, een fijngevoeligheid voor de ongeziene mens en een buitengewoon gevoel voor kleur en sensualiteit.
Eén zaal verder gaan die kleuren echt aan en worden de figuren nog introverter – Amrita Sher-Gil is in India. Het is alsof ze de geschiedenis en atmosfeer van het land in ene haar oeuvre binnenlaat. Ze schildert haar nichtje Sumair, model voor ontwerper Schiaparelli, met een gelaten gezicht, de handen hangend in de schoot, maar wat een mooi blauw en roze tegen haar caramelkleurige huid.
Fantastisch is een portret van drie meisjes, zittend voor een bruine muur, ieder monochroom gekleed: een rode, een roze en een groene sluier. De botsing van kleurengewaden doet even denken aan de beroemde Visitatie (1529) van de Italiaanse schilder Pontormo. De meisjes staren, het heeft iets ondraaglijk eenzaams, maar hoe langer je kijkt, hoe meer het voelt als verzet. Zoals pubers door hun ogen strak af te wenden laten merken dat ze geen behoefte hebben aan jouw blik.
De tentoonstelling is rijk en mooi vormgegeven, al hebben de makers de kans laten liggen om meer onderzoek te doen en goede essayisten te vragen enkele van de ontelbare mogelijke perspectieven op haar werk te belichten.
Naar de kunst van Amrita Sher-Gil kijken doet bijna pijn, wetende dat ze op 28-jarige leeftijd al stierf. Als luisteren naar Janis Joplin of Kurt Cobain, of de poëzie lezen van Jotie ’t Hooft. Adembenemend, kleine aardverschuinkjes in onze blik op schoonheid en kunst, maar oh wat was het fijn als ze dat gewoon nog wat langer hadden kunnen doen. Als ze meer hadden kunnen geven, in een niet voortijdig afgehakt leven.
Eigenlijk zou de tentoonstelling Amrita Sher-Gil opengaan op 22 maart. Maar daar stak het Indiase ministerie van Cultuur een stokje voor; na de aanvallen op Iran werd de geopolitieke situatie te instabiel geacht om de zestig schilderijen veilig te laten reizen. Alle schilderijen zijn afkomstig van één museum, de National Gallery of Modern Art in New Delhi. Het toch al geplaagde Drents Museum, dat vorig jaar te kampen had met een grote kunstroof, moest hals-over-kop een vervangende tentoonstelling regelen. Bijna even onverwacht kon de tentoonstelling vorige week toch doorgang vinden.
Beeldende kunst
★★★★☆
Drents Museum, Assen, t/m 20/9.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant