‘Toch leuk om voortaan met een eerbare man het bed te delen”, zei de bruid, waarop de bruidegom zo straalde alsof hij net uit een kuip met cognac was gevist. Afgelopen week, na meer dan een kwart eeuw samen („We bestaan langer dan Google!”), besloten ze te trouwen. Het werd een knalfeest met champagnefonteinen en speeches langer dan een rol wc-papier. Net terwijl ik mezelf op de dansvloer belachelijk aan het maken was, trok iemand me naar de kant.
„Kom”, fluisterde mijn pasgehuwde vriendin, „tijd voor een pauze.”
We slopen weg, zo onopvallend mogelijk als maar kan wanneer een van de twee een parasolbrede hoepelrok draagt en al redelijk teut is. De cateraar grinnikte toen we de keuken betraden en beloofde ons kamillethee en blarenpleisters.
„Ik had niet gedacht dat jullie ooit nog in het huwelijksbootje zouden stappen”, zei ik, terwijl ze op een bierkrat plaatsnam en haar hakken uitschopte.
„Ik ook niet. Maar het is een mooie doorstart”. zei ze.
Ja. Het ging een tijdlang minder. Er was niets ergs gebeurd, geen diepe crisis, geen ander. Ze waren elkaar, door drukte en familiegedoe, gewoon even kwijtgeraakt.
„Het was een tijdje op”, zei ze, „de vonk was weg.”
„De meeste stellen zouden uit elkaar zijn gegaan”, zei ik.
„We hebben dat wel overwogen”, mompelde ze, „ook omdat we zo jong waren toen we verkering kregen. Wisten wij veel.”
Ze ontmoetten elkaar als tieners en kenden de liefde alleen nog maar uit de verhalen van anderen, uit liedjes en uit films. Er was een buitenwereld met al haar suggesties en voorschriften: zoals dat je als geliefden alles samen moest doen, dat je je wilde haren kwijt moest raken voor je de ware tegenkwam, dat de Serieuze Liefde altijd met een hoop drama gepaard zou gaan. En er was het idee dat uit elkaar groeien een hint was dat je er maar mee op moet houden.
„Geen van ons had ook maar enige relatie-ervaring”, peinsde ze. „We konden dus ook niet inschatten hoe groot het cadeau was dat we zo op onze vijftiende in de schoot kregen geworpen.”
Ze draaide aan haar gloednieuwe ring, bewoog het kleinood met haar vingertoppen van links naar rechts alsof het een kluisslot was. Toen pakte ze mijn hand.
„Mensen hebben soms de neiging om niet al te zuinig te zijn op wat hen komt aanwaaien. Het is de truc om ook dat te koesteren.”
Haar ogen glinsterden, als een wolkbreuk brak een glimlach door.