Flea (63), bassist van de Red Hot Chili Peppers, heeft met het sublieme Honora zijn eerste soloalbum uitgebracht. Daarop keert hij terug naar zijn eerste muzikale liefdes: trompet en jazz.
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.
Een trompet? Wat moet de bassist van de Red Hot Chili Peppers met een trompet? En dan ook nog een jazzplaat maken? Wat weet hij nou van jazz? Michael Peter Balzary (63), beter bekend als Flea, zag de koppen in de muziekbladen al voor zich en hoorde het hoongelach onder de fans van de Peppers, waarin hij al 45 jaar bas speelt.
‘Die Flea heeft vast een midlifecrisis, was zo’n analyse waar ik rekening mee hield. Nou, ik zal je zeggen, die heb ik jaren geleden al gehad hoor. Ik ben gaan hardlopen, opnieuw getrouwd en heb nu een zoontje van 3’, vertelt Flea met een brede grijns op zijn gezicht, via Zoom vanuit zijn villa in de Hollywood Hills. Het is vroeg in de ochtend in Los Angeles, Flea heeft zijn dagelijkse joggingsessie erop zitten en draait zijn laptop rond om de apparatuur in de studio onder zijn huis te laten zien. ‘Hier is het allemaal opnieuw begonnen, met die trompet. En nu heb ik er een album mee gemaakt waar ik apetrots op ben. Maar echt: ik heb in mijn broek gescheten hoor.’
Niet uit angst voor zijn fans, die wellicht helemaal niet zaten te wachten op een goeddeels instrumentaal jazzalbum waarop hun geliefde bassist vooral als trompettist te horen is. ‘Nee, ik was vooral bang voor de reacties van de jazzscene hier in LA. Allemaal geweldige muzikanten met jazz in hun DNA, en dan kwam daar ineens die punkrocker die ook zo nodig iets met jazz moest doen.’
Maar, voegt Flea er meteen aan toe, ‘het moest echt. Ik werd 60, keek terug op mijn leven en dacht een beetje weemoedig aan hoe het allemaal begon. Niet met de basgitaar, niet met punk- en funkrock en niet met de Red Hot Chili Peppers. Mijn eerste muzikale liefde was jazz en mijn eerste instrument was de trompet. Meer dan veertig jaar heb ik die nauwelijks aangeraakt en ik dacht bij mezelf: kom jongen, als je die trompet nu niet oppakt, dan doe je het nooit meer. Ga ervoor.’
En nu ligt er het album Honora, dat Flea als het resultaat ziet van drie jaar ‘heel gedisciplineerd studeren’. Want dat was het. ‘Ik had mezelf als doel gesteld twee jaar weer keihard op trompet te oefenen en dan een plaat te maken. Verder had ik nog geen idee. Maar ik ging aan de slag. Wanneer ik met de Peppers op tournee was, zat ik op mijn hotelkamer urenlang te toeteren, waar de andere hotelgasten vast gek van werden. Betaal je je suf voor een vijfsterrenhotel, zit daar een of andere gek midden in de nacht trompet te spelen. Sorry hoor, maar het moest even.’
Wilde hij zijn trompetspel ooit weer op niveau brengen, dan zat er niets anders op dan iedere dag minstens twee uur repeteren. ‘Een trompet is een verdomd moeilijk instrument. Een stuk ijzer tegen je mond waar je niet zomaar geluid uit krijgt. Een paar weken niet spelen en je kunt opnieuw beginnen, kun je nagaan als je zoals ik zo’n veertig jaar nauwelijks een trompet hebt aangeraakt. Ik was ooit een goede trompettist, met talent. Alleen had ik de discipline niet, dus toen ik de kans kreeg om in een punkband te bassen ben ik dat gaan doen. Veel makkelijker, maar funest voor mijn carrière als trompettist.’
In zijn autobiografie Acid for the Children. Mijn verhaal (2019) beschrijft Flea hoe hij dankzij zijn stiefvader, jazzmuzikant Walter Urban Jr., van jazz leerde houden, en Dizzy Gillespie zijn eerste muzikale held werd. In de schoolband ging hij trompet spelen, en bleek zo getalenteerd dat hij dure muzieklessen vergoed kreeg. De kleine Michael Balzary won prijzen, maar hing liever buiten op straat.
Daar was het gitarist Hillel Slovak die Flea overhaalde om basgitaar in zijn band Anthym te spelen. ‘Met Hillel is het allemaal begonnen, hij is misschien wel de belangrijkste persoon in mijn leven geweest’, zegt Flea. ‘Zijn dood (aan een overdosis heroïne in 1988, red.) maakt me nog altijd verdrietig. Zonder Hillel hadden de Red Hot Chili Peppers nooit bestaan en wie weet wat er zonder hem van mij en Anthony Kiedis (zanger van de Red Hot Chili Peppers, red.) terecht was gekomen.’
Hillel, Anthony en Flea richtten de ‘Peppers’, zoals Flea ze noemt, in 1982 op. Hun mix van punk, funk en rock werd een wereldwijd succes, waarvan Hillel Slovak maar weinig heeft geprofiteerd. ‘Toen we in 1991 met Blood Sugar Sex Magik wereldwijd doorbraken was hij al een paar jaar dood. Maar altijd als we in zo’n posh hotel zitten tijdens de zoveelste stadiontournee, denk ik weer terug aan die motelletjes waarin we in onze beginjaren samen in een bed lagen. En we hebben allemaal onze verslavingen gehad, alleen zijn Anthony en ik ervan afgekomen. Hillel niet.’
Ook Flea was in die vroege jaren verslaafd aan heroïne, en later aan pijnstillers. En hoewel hij nu al zo’n dertig jaar clean is, is hij zijn gevoeligheid voor verslaving nooit kwijtgeraakt, zegt hij. ‘Once an addict, always an addict, zeggen ze niet voor niks. Dat obsessieve hardlopen van mij en ook dat bijna maniakale trompetspelen wat ik ben gaan doen, is daar wellicht het bewijs van. Maar het maakt me gelukkig. Ik ben met mijn trompet in een ander muzikaal universum beland. Zo bang als ik was mezelf er te introduceren, zo blij ben ik nu. Daar ben ik vooral mijn mentor Rickey dankbaar voor.’
Zonder Rickey Washington (de vader van saxofonist Kamasi) had Flea zijn trompet wellicht na een paar weken alweer weggelegd. ‘Ik leerde hem kennen via Kamasi, die in LA een beroemdheid is. Hij is het middelpunt van een levendige jazzscene hier, waar ik me aanvankelijk met een beetje schroom in begaf. Zijn vader speelt vaak met Kamasi mee en we raakten in gesprek. Hij moedigde me aan weer trompet te spelen en zei me te helpen met studeren.’
Dat bleek een harde leerschool, want Rickey gaf zijn pupil veel huiswerk, dat hij ook nog eens streng controleerde. ‘Hij was de ideale mentor. Streng, maar heel enthousiasmerend. Wilde ik over twee jaar een plaat maken, dan moest ik iedere dag twee uur studeren, en iedere week aan hem laten horen wat de vorderingen waren.’
Het eerste bewijs dat hij op de goede weg was, kwam na een jaar, dankzij trompetbouwer David Monette.
‘Ik had plaatjes gezien van Wynton Marsalis en Christian Scott met een Monette-trompet en dacht: die wil ik ook. Dus ik schreef hem een briefje of hij zo’n trompet voor mij wilde maken. Nee, bekijk het maar, was het antwoord. Ik maak mijn trompetten niet voor Jan en alleman. Leer eerst maar eens spelen.
‘Nou, ik zal je zeggen’, lacht Flea, ‘als ik aan een fabrikant van basgitaren laat weten interesse in een van hun instrumenten te hebben, dan leveren ze er de volgende dag een paar gratis bij me af. Maar zo werkt dat niet in de jazz.’
Dat Monette een jaar later Flea’s verzoek wel inwilligde, was voor hem het eerste bewijs dat hij goed bezig was. ‘En toen werd het tijd om eens aan een band te gaan denken, en welke muziek ik met ze zou gaan opnemen.’
De muzikanten op Honora (gitarist Jeff Parker, bassist Anna Butterss en drummer Deantoni Parks) leerde hij kennen via producer Josh Johnson, met wie de Red Hot Chili Peppers ook al eens samenwerkte.
‘Er zijn twee recente albums waar ik gek op ben. The Omnichord Real Book (2023) van Meshell Ndegeocello en The Way Out of Easy (2024) van Jeff Parker, en toevallig zijn dat platen waarbij Josh betrokken was. Hem durfde ik wel te vragen, en hij regelde de rest van de musici.’
Dat bleken goede muzikanten en aardige mensen, al bleef Flea bevreesd dat zijn eigen spel niet goed genoeg was. ‘Maar ik had met mezelf afgesproken na twee jaar een album te maken, ongeacht de kwaliteiten van mijn spel. Dus het moest gewoon gebeuren.’
Een beetje jammen in de studio met Rickey erbij leverde mooie, geïmproviseerde jazz op waarin Flea ook nog op basgitaar speelde. ‘Onze bassist Anna heeft de jazz veel beter in de vingers dan ik, maar ze stond het me toe, omdat ik me op bas meer op mijn gemak voelde. Stonden de stukken goed, dan ging ik pas trompet spelen.’
Zijn spel op Honora is vooral ingetogen, ‘want dat is makkelijker dan snel noten spelen, dat ben ik nog aan het leren’, zegt hij bescheiden.
Sommige nummers konden nog wat vocalen gebruiken, vond hij. Zo moest hij bij Traffic Lights meteen aan Thom Yorke denken, met wie hij samen in de band Atoms for Peace had gespeeld. ‘Thom stuurde meteen een prachtige zangpartij op, net als Nick Cave.’ Cave is te horen in de Jimmy Webb-cover Wichita Lineman. Was Flea bang dat zijn publiek zou afhaken als op Honora geen grote namen uit de popwereld zouden meedoen?
‘Ik wist dat Cave erg van Jimmy Webb hield en stuurde het hem op om te vragen wat hij ervan vond. Ik kreeg meteen een mailtje met zijn zangpartij. Tja, die vond ik zo mooi. Die kon ik niet laten liggen. Maar eerlijk gezegd was ik inderdaad een beetje bang dat het album niet zonder zang kon. Ik heb aardig trompet leren spelen, en word met de dag beter, maar een compleet instrumentaal album met mij als jazztrompettist durfde ik niet aan. Nog niet.’
Flea, Honora (Nonesuch/Warner).
Flea and the Honora Band, 22/5 Paradiso, Amsterdam; 11/7 North Sea Jazz Festival, Rotterdam.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant