Performance In hun voorstelling Klei ensceneren theatermaker Boukje Schweigman en beeldend kunstenaar Zoro Feigl een intense ontmoeting tussen mens en klei.
scène uit de theatervoorstelling 'Klei'.
Klei door Schweigman&. Concept: Boukje Schweigman en Zoro Feigl. Gezien: 15 mei op SPRING Festival, bij Tuincentrum Steck, Utrecht. Aldaar nog te zien t/m 27 juni. In augustus te zien op Theaterfestival Boulevard. Info: schweigman.org
Gehuld in blauwe capes („We lijken wel leden van een sekte”, fluistert iemand) wordt het publiek een grote, witte koepeltent in geleid, die op de parkeerplaats van een tuincentrum in Utrecht is opgebouwd. In het centrum van die tent: een grote, ronde bak vol klei. Tien ton ervan, lees ik op de website, plus nog vijfhonderd liter water. Als publiek val je door de capes (ter bescherming van je kleding, zo zal blijken) bijna weg op de kobaltblauwe tribune, die in een cirkel rondom de bak is opgesteld. Een felle lamp (lichtontwerp Julian Maiwald) maakt kloksgewijs rondes rondom de kleibak. In de klei: twee performers.
Hij (Sjaid Foncé) lijkt door het materiaal te willen worden omhuld. Onvermoeibaar duikt hij erin, althans, dat lijkt de intentie, maar de klei is stug en weerbarstig, zijn landing telkens abrupt. Zij (Goda Žukauskaitė) heeft in de klei een waterpoeltje gevonden, waarin ze zich wentelt. Hier heeft het materiaal een andere consistentie, het laat zich traag met een arm doordringen, we zien het glimmen, horen hoe het sopt en zuigt en klotst. Minuten later, de twee zijn zich steeds uitbundiger tot de stugge massa gaan verhouden, zijn er in de roterende schijnwerper opeens twee onderbenen zichtbaar, die uit de klei omhoog steken. Ze horen bij performer nummer drie (Niels van Heijningen). De klei trilt en schokt.
De bewegingsroutine waar de drie zich vervolgens aan overgeven is buitengewoon krachtig en – het lukte me niet dat besef van me af te schudden – loodzwaar voor de performers. De drie klampen zich aan elkaar vast, buitelen over elkaar heen, tussen elkaar door, dwars door dat waterpoeltje heen, alsof ze zelf van klei zijn gemaakt en door een onzichtbare hand worden rondgekneed.
We zien hoe ze de klei in hun shirt met zich meetorsen, het als een zware pruik over hun hoofden draperen, er een geslurfd masker van kneden. Hoe ze er, opgezweept door een live uitgevoerde compositie van Gemma Luz Bosch (gespeeld door slagwerkgroep HIIIT) in dansen, aards, diep door de knieën, terwijl stoom van hun lichamen dampt, als een voorwereldlijk ritueel. We zien hoe deze mensenlichamen al hun krachten aanwenden om de klei te manipuleren – er wordt mee gesmeten, tegen geslagen en gestompt – en, vooral ook: hoe onverschillig dit de klei laat. Want jawel, het spul geeft mee, maar met mate. Het gedoogt, meer dan dat het actief meespeelt, als de ouder die, de aandacht elders, het kleine kind wat laat stoeien.
Het is geen wonder dat dit logge, trage materiaal aan de performers zo’n krachtige, bijna agressieve energie weet te ontlokken: hoe anders breng je het in beweging? En toch vraag ik me onwillekeurig af hoe de ontmoeting met de klei eruit zou zien wanneer er (ook) brozere lichamen aan worden blootgesteld. Zou de klei zich, bij gebrek aan tegenkracht, ondoordringbaar tonen? Of zou het materiaal, geconfronteerd met fragiliteit, behoedzaamheid, tederheid wellicht, misschien eerder, of anders, geneigd zijn zich te voegen?