Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Hondengeleider Jersey Degener (45) krijgt altijd heftige meldingen als hij dienst heeft met zijn collega Niek. ‘Het lijkt geen toeval meer.’
is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.
‘Wij trekken altijd heftige meldingen aan, alsof er een vloek op rust. Niek en ik zijn hondengeleiders, we hebben niet vaak samen dienst. Maar als dat wel zo is, zeggen we steevast tegen elkaar: ‘Zal de vloek vandaag worden doorbroken?’
‘Dat was ook het geval tijdens een gezamenlijke nachtdienst in Eindhoven. Er gebeurde weinig. Op een paar kleine vechtpartijtjes na bleef het rustig. Tegen de ochtend, vlak voor onze aflossing, zei ik: ‘Niek, de vloek is doorbroken.’ Prompt meldde de centralist: ‘Schietpartij in Eindhoven. Trek jullie zware vesten aan.’
‘Het was nog donker toen we bij het hoekhuis aankwamen. Voor de openstaande voordeur lag een neergeschoten jonge vent op de grond. Hij bloedde hevig en riep: ‘Mama, mama, ik ga dood!’
‘We vingen zijn vriendin op, die totaal in paniek stond te bellen. Daarna doorzochten we het huis om zeker te weten dat er geen daders meer waren, want veiligheid is prio nummer één.
‘Zodra we het sein veilig hadden gegeven, knielden Niek en ik aan weerszijden van die neergeschoten man. We zijn allebei opgeleid in levensreddend handelen. Ik begon vanaf de enkels de broek van het slachtoffer open te knippen, en zag al snel een schampschot in de zijkant van het onderbeen. Daarboven zat een inschot met catastrofale bloeding. Meteen plaatste ik een tourniquet om het bloeden te stelpen.
‘Niek knipte van bovenaf zijn kleding open en plakte chest seals over verschillende schotwonden in het bovenlijf, dat ook hevig bloedde. We hoorden de ambulance komen. ‘Gaan jullie maar door’, zeiden de ambulancemedewerkers tegen ons, terwijl ze een hartmonitor aansloten. Het slachtoffer werd steeds zwakker, maar heeft het uiteindelijk overleefd.
‘Nadat hij naar het ziekenhuis was gebracht, kwam de recherche alles onderzoeken. Ik ging bij de collega’s staan die zich hadden ontfermd over de vriendin van het slachtoffer. Ze zei: ‘Ik heb een deurbelcamera’, en liet op haar telefoon de beelden zien.
‘Twee verdachten stonden vol in beeld. ‘Blaas dan! Blaas dan!’, hoorden we op de beelden roepen; dat is Antilliaans voor ‘Schiet dan’. ‘Die ene ken ik’, zei een collega. ‘Die heb ik vannacht nog in het centrum gezien.’
‘We reden met meerdere auto’s naar het huis waar die verdachte regelmatig verbleef. Hoewel het heel vroeg in de ochtend was, brandde er licht. Het was een lange straat met rijtjeshuizen en één steegje, een donkere brandgang, naar achteren. Iedereen zette zijn auto uit het zicht en ging te voet op een tactische plek rond het huizenblok staan, zodat hij niet zou kunnen vluchten.
‘Op een gegeven moment hoorden we over de portofoon: ‘We zien twee personen het pand verlaten.’ En kort daarna: ‘We hebben ze.’
‘Toen wij daar kwamen, zaten die twee mannen geboeid in de brandgang met hun knieën tegen de muur. Ze werden afzonderlijk van elkaar naar het bureau afgevoerd. Wij moesten die woning weer gaan schonen – controleren of er geen verdachten meer binnen waren, en zoeken naar het vuurwapen. Daarna beveiligden we het huis en gingen we alles op papier zetten. Daar ben je uren zoet mee, het werd een heel lange dienst. Ik zei: ‘Niek, de vloek is nog niet doorbroken.’
‘Afgelopen zondag hadden we ook weer samen dienst. Wederom kregen we een heftige melding, van een zwaargewonde man in een pand in Rosmalen. Ik begin echt te geloven dat je met bepaalde collega’s ellende aantrekt. Het is nu zo vaak gebeurd dat het bijna geen toeval meer lijkt. Begrijp me niet verkeerd: Niek is een geweldige collega, ik kan met hem lezen en schrijven. Maar je kunt er bijna van uitgaan dat als wij samen dienst hebben, er iets verschrikkelijks gebeurt.
‘Zoals de man die met een mes op de Kruisstraat in Eindhoven stond te zwaaien of de verwarde jongen die zijn moeder had bedreigd met een mes. Hij had zich opgesloten op zolder. Wij maakten een plan van aanpak: ik zou met de hond gaan, Niek met zijn lexaanschild voorop. We liepen de trap op en riepen hem aan: ‘Politie, kom tevoorschijn, maak jezelf kenbaar!’
‘Vervolgens klonk een heel rustige stem: ‘O, zijn jullie van de politie? Ik kom eraan.’ Niek en ik wisselden een blik: niks aan de hand. Vervolgens stort die jongen zich met een klauwhamer en een mes naar beneden en begint in een explosie van geweld op Niek in te slaan en te steken. Gelukkig hield zijn schild alles tegen.
‘De les van dit alles is: wat er ook gebeurt, denk nooit dat het wel niks zal zijn of dat het rustig blijft. Verwacht in het politiewerk altijd het onverwachte. Wees altijd op het ergste voorbereid. Ook al lijkt een dienst rustig, it ain’t over till the fat lady sings. En: toeval bestaat niet.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant