De nadruk op richtlijnen en evidencebased werken is begrijpelijk ontstaan vanuit de behoefte aan kwaliteit en veiligheid. Maar de vraag is of we gezondheid nog breed genoeg durven begrijpen.
Soms neemt behandelaar Helen haar hond Sammie mee naar haar behandelkamer in de jeugd-ggz. Niet omdat een richtlijn dat voorschrijft, maar omdat ze telkens ziet hoe rustig en open kinderen en jongeren van haar hond worden. Vanzelf ontstaat er contact.
Dat behandelaren op eigen initiatief een hond meenemen naar hun behandelkamer is niet nieuw. Al in 1962 beschreef kinderpsychiater Boris Levinson hoe zijn hond Jingles onverwacht contact mogelijk maakte met een jongen met autisme die eerder nauwelijks bereikbaar leek.
Over de auteurs
Hedda van ’t Land is psycholoog en lector Gezonde Leefomgeving aan Aeres Hogeschool Almere. Richard Griffioen is psycholoog en lector Animal Assisted Interventions/Services aan Aeres Hogeschool Dronten.
Dit is een ingezonden bijdrage, die niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Volkskrant reflecteert. Lees hier meer over ons beleid aangaande opiniestukken.
Eerdere bijdragen in deze discussie vindt u onder aan dit artikel.
Veel behandelaren in de ggz herkennen dat onmiddellijk. Het raakt aan wat zij dagelijks doen: contact mogelijk maken in een veilige omgeving. Tegelijkertijd voelen veel behandelaren ook een aarzeling. Want een hond heeft geen vanzelfsprekende plek binnen de ggz. In richtlijnen komen dier-ondersteunde interventies nauwelijks voor en de wetenschappelijke onderbouwing geldt als beperkt.
Die spanning van behandelaren is veelzeggend. Alsof iets wat zichtbaar helpt pas écht mag bestaan wanneer het volledig is vastgelegd in protocollen, richtlijnen en evidence-based interventies. De discussie over honden in de ggz legt hiermee iets veel groters bloot: hoe moeilijk we het zijn gaan vinden om alledaagse dingen die de mentale gezondheid versterken nog als vanzelfsprekend te zien.
Hoe anders is dat in ziekenhuizen. Daar zijn sociale hulphonden gewoon geaccepteerd als belangrijke aanvulling. Via samenwerkingen met organisaties als Hulphond Nederland zijn honden inmiddels aanwezig in kinderziekenhuizen, revalidatiecentra en zelfs tbs-klinieken. Op de medisch-psychiatrische unit van het Emma Kinderziekenhuis in Amsterdam ervaren behandelaren dat hulphond Kiwi
kinderen zichtbaar ontspant en de sfeer op de afdeling positief beïnvloedt.
In ziekenhuizen hoeft een hond dus geen ‘behandeling’ te zijn om toch van betekenis te kunnen zijn. In de ggz ligt dat veel ingewikkelder. Daar wordt al snel de vraag gesteld of iets wetenschappelijk voldoende bewezen is. Natuurlijk vervangen dieren of natuur geen specialistische zorg wanneer die écht nodig is. Maar dat betekent nog niet dat hun waarde voor mentale gezondheid pas relevant wordt zodra die volledig is geprotocolleerd.
De inzet van dieren in de ggz blijft daarom steken bij pilots en losse initiatieven. Dat terwijl onderzoek wel degelijk laat zien dat contact met dieren stress vermindert, sociale veiligheid vergroot en emotionele ontwikkeling kan ondersteunen. Nederlands onderzoek laat positieve effecten zien van honden en paarden bij onder meer autisme, trauma en persoonlijkheidsproblematiek. Maar de wetenschappelijke onderbouwing – nodig voor richtlijnen – wordt als te beperkt beschouwd.
Zo ontstaat een opmerkelijke paradox. In ziekenhuizen, waar psychisch welzijn ondersteunend is aan medische behandeling, hebben dieren inmiddels een belangrijke en zichtbare plek gekregen. Maar in de ggz, waar psychisch welzijn juist centraal staat, wordt contact tussen mens en dier opvallend terughoudend benaderd.
Contact met natuur, buiten spelen en omgaan met dieren is sowieso steeds minder vanzelfsprekend geworden, terwijl het wel helpt. Die gewone ervaringen zijn langzaam naar de achtergrond verdwenen. Nu krijgt het vaak pas aandacht wanneer mentale problemen al zijn ontstaan en psychische hulp nodig is. Maar daarmee dreigen gewone menselijke ervaringen ongemerkt gemedicaliseerd te raken. Alsof iets dat mentale gezondheid van nature helpt uiteindelijk iets is geworden wat vooral binnen de ggz beoordeeld moet worden.
Maar mentale gezondheid behoort niet toe aan de ggz. Zij ontstaat allereerst thuis, op school, op straat en in de leefomgeving van kinderen en volwassenen. Daar ligt dus ook de verantwoordelijkheid: bij ouders, scholen, gemeenten en beleidsmakers die zorgen voor plekken waar kinderen kunnen spelen, bewegen, rondzwerven en verantwoordelijkheid leren dragen.
Maar dat vraagt ook iets van de ggz zelf. De nadruk op richtlijnen en evidencebased werken is begrijpelijk ontstaan vanuit de behoefte aan kwaliteit en veiligheid. De vraag is dus niet óf wetenschappelijke evidentie belangrijk is, maar of we gezondheid nog breed genoeg durven begrijpen. Wanneer alles wat helpt eerst als ‘interventie’ bewezen moet worden, dreigt het gewone leven zelf uit beeld te raken.
Ons pleidooi staat niet op zichzelf. Al langere tijd klinkt in het maatschappelijke debat de oproep tot een geestelijke gezondheidszorg die minder denkt vanuit DSM-classificaties en protocollen en meer oog heeft voor de leefomgeving, verbinding en contact en het gewone menselijke leven. Misschien zouden behandelaren als Helen zich daarom helemaal niet onzeker hoeven voelen wanneer zij hun hond meenemen naar de behandelkamer. Hun initiatief herinnert aan iets heel eenvoudigs: dat het gewone leven óók helpt genezen.
Wilt u reageren? Stuur dan een opiniebijdrage (max 700 woorden) naar opinie@volkskrant.nl of een brief (maximaal 200 woorden) naar brieven@volkskrant.nl
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant