Ab de Gooijer is 100 jaar. De vitale Utrechter heeft twee kinderen, en dat heeft alles te maken met zijn eigen jeugd.
Ab de Gooijer heeft sinds het overlijden van zijn vrouw drie jaar geleden een indrukwekkend sociaal netwerk opgebouwd, dat hem veel afleiding en beweging bezorgt. De 100-jarige heeft vier wandelmaatjes, zwemt en doet mee aan uitstapjes voor ouderen. Zijn dochter Els kookt elke dag voor hem.
De eerste 24 levensjaren van de Utrechter waren een opeenstapeling van enerverende ervaringen, daarna kwam hij in rustiger vaarwater terecht.
In wat voor omstandigheden bent u opgegroeid?
‘Ik ben niet in weelde grootgebracht, het was altijd zuinig aan. Er was grote schaarste, economisch lag Nederland op zijn gat. Ik was de zesde in de rij in een gezin met veertien kinderen. Eén overleed voor mijn geboorte, drie tijdens de oorlog: twee broertjes van 5 en 7 jaar aan tbc en een zusje van 13 aan difterie.
‘We hadden weinig speelgoed, alleen een tol, kleiknikkers en een kaartspel. De kleren aan mijn lijf en één paar schoenen was het enige wat ik bezat. Als mijn broek of blouse vuil was, moest die ’s avonds gewassen worden en de volgende ochtend droog zijn. Mijn moeder stond vaak tot 2 uur ’s nachts kleding te wassen.
‘Omdat er niet genoeg eettafelstoelen waren, haalden we elke avond een plank uit een bed, zetten twee stoelen uit elkaar en legden de plank erop, zodat er twee kinderen op konden zitten. Aan tafel was het: mond dicht en eten. Mijn dochter zegt: ‘Als jij eet, heb je geen contact met anderen.’ Dat komt omdat ik niet gewend ben te praten aan tafel.
‘We zijn een paar keer verhuisd in Utrecht. Ik was 10 jaar toen onze huisbaas ons weg wilde hebben. Hij vond dat zijn woning met zo veel bewoners te snel sleet. We vonden een ander huis met drie slaapkamers. Met acht kinderen sliepen we op één kamer, die was volgebouwd met bedden.’
Waar leefden jullie van?
‘Mijn vader was postbode. Om 6 uur in de ochtend liep hij naar het postkantoor om de post voor zijn wijk te sorteren. Daarna ging hij bezorgen. In die tijd werd de post drie keer per dag bezorgd, tussendoor was hij even thuis. Geld voor een fiets was er niet, mijn vader deed alles lopend. Tegenwoordig hebben mensen én een auto én een fiets, en soms zelfs twee.
‘Als kind heb ik één keer in de tram gezeten, tijdens een schoolreisje in de eerste klas. We gingen naar Driebergen, om de Zwitserse brug te bekijken. In de derde, vierde en vijfde klas kon ik niet mee op schoolreisje, daar was geen geld voor.’
Heeft u zelf bewust geen groot gezin gewild?
‘Voor de kinderen is zo’n groot gezin niet leuk. Eerlijk gezegd vond ik het een ramp, je zit elkaar in de weg. We moesten onszelf zien te redden. Onze moeder was zo druk dat ze alleen de kleintjes aandacht kon geven.’
‘Twee kinderen vond ik mooi zat, die kun je de aandacht geven die ze nodig hebben. Aan mijn moeder zag ik dat een vrouwenlichaam niet is berekend op veertien kinderen. Op een gegeven moment had ze geen gebit meer; elke zwangerschap onttrekt kalk aan het lichaam. Ik denk dat ze door alle zwangerschappen ook vatbaar was voor tbc, waar ze nooit van is genezen. Op haar 63ste werd ze geopereerd aan haar longen. Door een fout van een operatieassistent kon ze niet meer stoppen met hoesten. Na twee dagen constant hoesten is ze overleden. Haar hart kon het niet meer aan.’
U vertelde dat twee broertjes en een zusje stierven tijdens de oorlog, hoe was die tijd voor u?
‘In 1942, ik zat in de derde klas van de hbs, kregen we te horen dat zeven kinderen uit ons gezin tijdens de zomervakantie naar het platteland mochten. Daar stonden we onder toezicht van een arts. Ik denk dat de kerk dat had geregeld. De maanden voordat ik vertrok, leed ik aan geheugenverlies door vitaminegebrek – ik was altijd goed in rekenen, maar kon geen som meer maken. Ik kwam bij een boer in Bathmen terecht, waar ik in zes weken 10 kilo aankwam – er was eten genoeg. De arts vond dat ik langer moest blijven. De boer zei nee, wel kon ik terecht bij een andere boer, die veel vriendelijker was. De boerin was als een moeder voor mij. Ik ben er tot eind 1945 gebleven. Als 16-jarige was ik een goede arbeidskracht, ik had sterke knuisten. Het eerste wat ik leerde, was koeien melken.
‘In maart 1943 kwam een Halifax-bommenwerper brandend naar beneden, 100 meter van de boerderij. ‘Jongens, eruit’, riep de boer. De staartschutter, een Canadees van 21 jaar, was de enige van de zeven man aan boord die er levend uitkwam. Hij vroeg de arts die was gekomen of hij bij hem kon onderduiken. ‘Nee, dat kan niet,’ antwoordde die. Hij is door Duitse soldaten meegenomen.
‘Na de bevrijding kon je niet vrij reizen, daarom ben ik pas eind 1945 naar huis gegaan. Daar voelde ik me opgesloten. De hbs heb ik nooit afgemaakt, ik ben meteen werk gaan zoeken. Bij de uitgeverij van de Oosthoek Encyclopedie legde ik voor 50 gulden per maand onderwerpen op de juiste volgorde. Een jonge knul op kantoor zei dat hij naar de Spoorwegen overstapte omdat hij daar drie keer zo veel kon verdienen. Ik schreef de NS ook een brief en ben er tot mijn pensioen gebleven, de laatste periode als assistent-accountant. Daarna heb ik veel vrijwilligerswerk gedaan, voor de scouting en de kerk. Mijn vrouw mopperde weleens: blijf nou eens thuis!’
U heeft ook drie jaar in Nederlands-Indië gediend, hoe kijkt u daarop terug?
‘Daar zat ik niet op te wachten, het was een noodzakelijk kwaad. Ik liep vooral patrouille in buitengebied, bij 30 graden met 10 kilo bagage. Ik heb dingen gedaan die je liever niet doet, zoals granaten gooien. Maar het was niet alleen treurnis. Op een nacht, vlak bij Jogjakarta, begon tijdens een patrouille de aarde ineens te trillen. Op mijn gemak heb ik met de andere militairen naar de uitbarsting van een vulkaan zitten kijken, schítterend.
geboren: 18 april 1926 in Utrecht
woont: zelfstandig, in Utrecht
familie: nog één broer (85), twee kinderen, drie kleinkinderen
beroep: assistent-accountant
weduwnaar sinds 2023
‘Niet leuk was te zien wat spanning met mensen doet. Tijdens een nachtelijke patrouille met vijf man door een kampong viel de voorste plotseling. Zijn geweer kletterde op de grond. Hij was gestruikeld over een kei. Ik voelde, en kwam twee hoorns tegen, de kei bleek een os. De voorste man was zo in paniek, dat hij in shock raakte.
‘Tijdens de tweede politionele actie waren we na een jaar lang onafgebroken dienst nog steeds niet afgelost, waardoor de ene na de andere militair getraumatiseerd raakte. Sommigen waren zo vermoeid dat ze snel in paniek raakten, of geestelijk in een andere wereld kwamen. Ook mijn luitenant werd afgevoerd. Dat ik het wel volhield, kwam misschien doordat ik het geluk had dat ik zes weken bij een veldpredikant mocht herstellen van een operatie, nadat ik een kogel in mijn hand had gekregen.
‘Toen ik in 1950 in Rotterdam van boord stapte, had ik in één klap 800 gulden. Voor elke maand die ik had gediend kreeg ik 10 gulden, plus een gevarentoeslag. Het geld kon ik goed gebruiken. Ik had alleen een uniform. Ik kocht twee kostuums, twee overhemden, ondergoed, een paar schoenen en een fiets. Ik ben weer aan het werk gegaan bij de Nederlandse Spoorwegen.’
Waar heeft u uw vrouw ontmoet?
‘Ze was de zus van mijn schoolvriend Dick. Hij vroeg nog even langs te komen voordat ik naar Indië ging, om afscheid te nemen. Zijn jongste broertje en drie zusjes waren thuis. Een van de meisjes heeft mij kennelijk zitten observeren, want bij aankomst in de haven van Port Said in Egypte, lag er een brief van Dicks zus Lenie. ‘Je zult mij wel niet kennen’, schreef ze, en daarna een heel verhaal. Later stuurde ze een foto van zichzelf. We zijn elkaar drie jaar lang blijven schrijven. Toen we elkaar weer ontmoetten, zag ik haar teleurgesteld kijken. Ik zei: ‘Ik zie dat je teleurgesteld bent, dat geeft niks, dan gaan we als goede vrienden uit elkaar.’ Niet lang daarna vroeg ze of ik mee ging boodschappen doen. Na zes schoenenwinkels was ze nog niet geslaagd.’ (Hij lacht.) ‘We spraken vaker af en zo is de liefde tussen ons gegroeid. Lenie was slim, trouw en handig.’
Hoe kijkt u naar de huidige tijd?
‘Mensen zijn materialistisch en zakelijker geworden, ze hebben het druk met hun eigen leven en hebben weinig tijd voor anderen. Vroeger was er meer verbondenheid, misschien wel uit noodzaak. Mijn oma, die op drie uur na 104 jaar is geworden, kreeg toen ze jong weduwe werd elke week van de diaconie een brood, en 150 turven om haar kachel mee te stoken.
‘Het is positief dat veel mensen het nu goed hebben, maar dat heeft een keerzijde. Wie tegenwoordig naar een ander omkijkt, is een zeldzaamheid. Ik vind het een geestelijke verarming dat nog maar weinig mensen naar de kerk gaan. Daar kom je bij elkaar voor verbondenheid, geborgenheid en om samen na te denken over het leven. Ik ben een kerkganger, om de week zitten we er met nog maar 40 à 50 man. Tot mijn 95ste ben ik penningmeester van de protestantse kerk geweest, ik moest stoppen omdat mijn gezichtsvermogen achteruitging.’
Anders was u het nu nog geweest.
‘Ik denk het wel.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant