Het begon met bewondering: Lodewijk Verduin schreef de biografie van schrijver Nanne Tepper (1962-2012), bevlogen, zelfdestructief en eeuwig worstelend met het schrijverschap en met zichzelf. ‘Ik zie vooral de energie die bij hem van alles afspat.’
is boekrecensent bij de Volkskrant.
Geen bladmuziek op de lessenaar van de glanzendzwarte piano van Lodewijk Verduin, maar de hoes van Guitar Romantic, een lp van The Exploding Hearts. Het is het enige album van deze Amerikaanse punkers; kort na de opnamen verongelukten drie van de vier bandleden.
De liefde voor gruizige gitaarmuziek deelt Verduin met de Groningse schrijver Nanne Tepper (1962-2012), over wie hij een biografie schreef: Zo rijk en allesverpletterend.
Tepper is geen voor de hand liggend onderwerp voor een uitgebreide studie. Bij zijn debuut, De eeuwige jachtvelden (1995), werd hij als een groot talent onthaald. Een stem uit de veenkoloniën die als een Groningse Faulkner de taal van de streek liet klinken in een zinderende, broeierige roman over de liefde tussen broer en zus. In driehonderd pagina’s werd een wereld geschapen waarin veel mogelijk was. Hij won er de Anton Wachterprijs voor beste debuut mee, bladen en tijdschriften dongen naar zijn gunsten.
Maar Tepper bleek geen man voor de gebaande paden. Hij worstelde, met zichzelf en met iedereen om hem heen. In de jaren die volgden perste hij er met pijn en moeite nog twee boekjes uit, alle andere pogingen strandden. Zijn geld verdiende hij met columns en artikelen, eerst nog in NRC, Het Parool en literaire bladen. Geleidelijk stapte hij over naar voetbal en vooral popmuziek: garagerock, punk, postpunk, noise, graag zo ruig mogelijk. Ook het schrijven daarover ging hem steeds zwaarder vallen; zijn laatste stukken verschenen in het gekopieerde blaadje van een muziekwinkel in Groningen. In november 2012 maakte hij een einde aan zijn leven.
Verduin lijkt in veel het tegendeel van Tepper. Hij is docent aan de universiteit van Keulen, schrijft voor De Groene Amsterdammer en literaire tijdschriften, woont in een smaakvol, opgeruimd huis in hartje Amsterdam, heel anders dan de nauwelijks bedwongen chaos die Tepper om zich heen creëerde. Toch voelt Verduin zich nauw met Tepper verwant. In de biografie schrijft hij: ‘. . .een individu met een esthetische levensvisie en een romantische ziel waarin ik me meende te kunnen herkennen. Voor mij hebben uitzinnig gitaargeweld en bloedkolkende herrie van begin af aan eveneens op hetzelfde plan gestaan als de meest veeleisende, bewustzijnsoprekkende literatuur.’
Verduin is 31, precies halverwege de leeftijd die Tepper nu gehad zou hebben. Hij was een 21-jarige student Nederlands toen hij De eeuwige jachtvelden voor het eerst las. ‘Ik had tweedehands een eerste druk gekocht en wist hooguit dat hij niet meer leefde en dat er iets met hem was. Dat boek maakte diepe indruk. Kort daarna verschenen zijn brieven. Die kon ik dagenlang niet wegleggen.’
Tepper stapte uit het leven zonder veel sporen achter te laten. Zijn onuitgegeven manuscripten had hij vernietigd, soms plechtig: een vriend had de oerversie van De avonturen van Hillebillie Veen in de Rocky Mountains begraven, andere teksten verbrandde hij zelf. Maar de brieven bleven bewaard; van al zijn correspondentie bleek hij kopieën te hebben. Zodat in 2016 De kunst is mijn slagveld kon verschijnen, een bloemlezing van ruim zevenhonderd pagina’s waaruit Tepper naar voren komt als iemand die in de briefvorm het vermogen had zijn diepste roerselen te vangen over literatuur, muziek, kunst, het leven, de vele ongemakken waarmee hij worstelde en de enkele momenten van euforie. Furieus was zijn toorn als iets of iemand hem niet beviel, lyrisch zijn geestdrift als hij schoonheid ontwaarde.
Die brieven waren de tweede reden voor Verduin om over Tepper te willen schrijven. De derde was de muziek. Tepper was er door bezeten. Hij speelde zelf een tijd gitaar in een bandje, The Imaginary Diseases. Voor de liefhebber: een schimmig zwart-witfilmpje van een concert in Groningen is op YouTube te vinden.
‘Voor mij was gitaarmuziek ook de eerste stap in de kunst, dat heeft mijn opvattingen en smaak gevormd’, zegt Verduin. ‘Bij Tepper las ik over platen waarnaar ik als tiener en twintiger al luisterde: veel lofi, Bonnie ‘Prince’ Billy, Bill Callahan, de Silver Jews. The Exploding Hearts heb ik, of all places, in Groningen gekocht toen ik daar was vanwege interviews voor het boek.’ Wat Tepper er in muziekblad Oor over schreef, is in de biografie terug te lezen: ‘Poppy en rauw tegelijk, en een en al swingende opwinding. Melodieën en typische high school-teksten dwingen dan ook tot ongegeneerd meezingen.’
Hoe was de eerste kennismaking met De eeuwige jachtvelden?
‘Het was vooral een kwestie van literaire herkenning. Je ziet iemand wedijveren met zijn voorbeelden. In de eerste plaats waren dat Nabokov en Faulkner, hij gebruikt streektaal en een stream of consciousness die je ook bij Faulkner vindt. Vanwege boeken als diens The Sound and the Fury was ik letteren gaan studeren. En nu las ik dit boek uit de jaren negentig van een gast uit Groningen die al die mechanismen kende en die literaire taal helemaal naar die veenkoloniën trok. Zijn enorme ambitie, kennis en virtuositeit, gecombineerd met de eigenheid van het universum dat hij opriep, vond ik ongekend. Daar had ik grote bewondering voor.’
Kwam die fascinatie ook door de wonderlijke liefde tussen een broer en zus die hij beschrijft?
‘Ik was onder de indruk van de gevoelswereld die hij met die broer en zus oproept, de heimwee en eenzaamheid die ze ervaren. En de vreemde manier waarop hij probeert ze daar uit te laten komen. Het is voor mij geen boek over incest, maar over de verhouding tot je verleden, je huis, je streek, het gezin waaruit je voortkomt. Dat is hoe hij dat motief van de verboden liefde inzet.’
‘De wereld waarin de personages rondlopen, kent hij. Maar bij de personages zelf neemt de verbeelding het over. Die transformatieve kracht van literatuur is het hoogste. Hij wil iets schrijven dat grootser is dan een coming-of-ageboek over de eerste liefde, loskomen van je ouders en naar de grote stad gaan, zoals veel van zijn generatiegenoten doen. Zijn personages zijn in alles uniek: waarnaar ze luisteren, wat ze dragen, hoe ze praten. In de snelle, lange, gevatte dialogen is hij als Salinger (schrijver van The Catcher in the Rye, red.).’
‘De roman kwam in gedachten op een plankje met echt heel bijzondere Nederlandstalige romans, met Mystiek lichaam (van Frans Kellendonk) en Rituelen (van Cees Nooteboom). Door het brievenboek kreeg ik vervolgens meer zicht op de mens. Je ervaart zijn extreme bevlogenheid. Daardoor groeide het verlangen over hem te schrijven.’
Uw biografie is bijna even dik als alles wat van Nanne Tepper in fictievorm is verschenen bij elkaar. In de dunne romans die hij na De eeuwige jachtvelden schreef zie je dwars door de tekst de worsteling van het schrijven. Ervaart u dat ook zo?
Hij aarzelt even. ‘Dus je vindt die boeken echt minder geslaagd? Ik snap wat je bedoelt, maar. . .
‘Als je leest dat De avonturen van Hillebillie Veen (2002) eigenlijk een bewerking van zijn oerboek is, valt dat op zijn plek. Dan denk je: o ja, dat is dat verhaal waar hij al lang mee rondloopt. Vandaar die extatische stukken proza, waarin hij zijn eerdere werk een draai geeft. Dat materiaal is echt autobiografisch, maar ik zie vooral de energie die bij hem van alles afspat.’
Had hij een vriend van u kunnen zijn?
‘Jazeker. De affiniteit die ik voor hem voel, komt dicht in de buurt van vriendschap. Bij een nagesprek vanwege de toneelbewerking van De eeuwige jachtvelden vroeg iemand: wat had je hem willen vragen als je de kans had gekregen? Het eerste waaraan ik dacht was wat hij had gevonden van Geese of Sharp Pins, bands van nu. Niet als autoriteit, maar als iemand met wie je in gesprek gaat.’
U schreef eerder een monografie over Jeroen Brouwers. Heeft die een rol gespeeld in de keuze voor Tepper? Die schrijft immers over hem in De laatste deur, zijn boek over zelfmoorden in de literatuur.
‘Nee, ik las het brievenboek lang voordat ik over Brouwers ging schrijven. Natuurlijk is het een fijne bijkomstigheid dat ik me op dat essay van Brouwers kon beroepen. Ze kenden elkaar niet, en de literaire affiniteit is niet groot. Tepper las Brouwers, maar werd niet echt door hem gegrepen.’
U begint uw boek met Teppers einde. Waarom?
‘Dat is een poging om aan de trechtervorm te ontkomen. Ik heb het geluk dat ik wat hij meemaakte niet ken. Een leven dat eindigt met een zelfgekozen dood is een ruptuur die mensen zoekend achterlaat. Tegelijk is er de heftigheid van de doodsgedachte die vanaf jonge leeftijd bij hem steeds aanwezig is.
‘Ook in Zwaag (de Zwagerman-biografie van Maria Vlaar, red.) zie je dat destructieve terug. Het is een grimmig gegeven, de mogelijkheid van een zelfgekozen einde is bij hen geenszins een bevlieging.’
Verduin vertelt in zijn boek dat Tepper Walk into the Sea van Cheater Slicks, punktrio uit Ohio, op de draaitafel legde voordat hij uit het leven stapte. Traag ontsporende heftigheid met een dunne melodie en wanhopig schreeuwende zang: ‘Follow me and walk into the sea. Slip into the tide and be free.’
Hoe verklaart u de liefde voor enerzijds dergelijke rauwe muziek en anderzijds verfijnde literatuur?
‘Die werelden komen elkaar inderdaad niet zo vaak tegen. Als je kijkt naar hoe hij zijn voorkeuren omschrijft, dan draait het voor hem steeds om schoonheid. Dus of het nou gangsterrap is van de Geto Boys of punk van Jay Reatard, die zichzelf soms op het podium toetakelde, hij analyseert die muziek alsof het gedichten zijn, maar ook zoals hij Faulkner of Gustav Mahler beschouwt. Zelf schrijft hij ergens: het is de schoonheid van het taalgebruik en de improvisatie en het spel die me aanspreekt.’
Maar waarom juist daar? Er zijn ook mensen die schoonheid in Mariah Carey vinden.
‘Het rauwe trok hem, de snelheid, de hevigheid. Die intensiteit wilde hij ook in literatuur voelen. Dat je meegesleept wordt, of het nou door David Foster Wallace is of The Exploding Hearts. In een brief spreekt hij een wens uit: ik wou dat alle boeken gedrukt waren als een telefoongids, een en al uitdraai, gewoon meegevoerd worden door een straal van tekst. Die roes zocht hij.’
U sprak veel mensen uit de nabijheid van Tepper, zoals zijn ouders en Sonja, die lang zijn partner was. Toch baseert u de tekst goeddeels op de woorden van Tepper zelf. Waarom voor die vorm gekozen?
Hij denkt even na, dan: ‘Praktisch gezien is dat een kwestie van bronmateriaal. Met het brievenarchief kon ik zo dicht bij zijn ervaring komen dat ik zijn eigen beleving van zijn bestaan kan schetsen. Maar omdat niemand in een vacuüm leeft, wilde ik ook de blik van anderen verwerken.
‘Van alle brieven die hij vanaf 1992 schreef, had hij kopieën bewaard. Die bewaarde hij in mappen, brieven overleven makkelijker dan e-mails uit de jaren nul. Bijna van week tot week kun je zien hoe de romans vorm krijgen. Mijn favoriete stuk is wanneer hij de herschreven versie van De eeuwige jachtvelden heeft voltooid. Een zomer lang schrijft hij dan extatische brieven over fictie en de liefde voor literatuur. Later doet hij ook heel gedetailleerd verslag van zijn depressies, overspannenheid, zelfmoordgedachten. Ergens zegt hij: romans moeten het hoofdwerk zijn, ik hoop niet dat ik ooit zo’n schrijver word van wie mensen naar de brieven uitkijken. Anderzijds ziet hij de brieven als een literair project. Dan leest hij de brieven van Flaubert en schrijft: dít is wat literatuur moet zijn.’
Hij stond aanvankelijk helemaal buiten het literaire wereldje. U schrijft dat hij op zoek moest naar mensen om mee te corresponderen.
‘En die vond hij tot zijn geluk ook. Hij had vooral die Nijmeegse kliek, zoals de schrijver Marc Kregting en een paar docenten van de universiteit daar, maar ook schrijvers als Atte Jongstra, Kees ’t Hart, Geerten Meijsing. Hij onderhoudt een tijd zo’n zes, zeven parallelle briefwisselingen. Iedereen die hem terugschreef, kreeg per ommegaande antwoord. In de brieven vond hij een vorm waarin zijn veelzijdigheid een plek krijgt. Dat kon beginnen met het WK voetbal, dan The Birthday Party om vervolgens over te springen naar het godsbesef bij Nabokov.’
Er is wel een constante: al vroeg duiken suggesties over zelfmoord op. Aan Meijsing schrijft hij: ‘Ik schat de kans dat ik mijzelf van kant zal maken nog hoger: 50 procent.’ Anderen vertelt hij dat hij ADHD heeft, of manisch depressief is. Na een onderzoek zegt hij dat bij hem vier aandoeningen zijn geconstateerd. Is bekend wat hij mankeerde?
‘Dat is niet terug te vinden. Als het over psychiatrische diagnoses gaat, zet hij zoals hij dat noemt de toneelmist aan.’ Verduin leest voor: ‘Ik ben eerlijk gezegd als de dood voor een diepgaand onderzoek – eeg’s e.d. – want vrees dat men iets vindt wat zo drastisch is dat ik allerlei dingen moet die me van schrik een hartstilstand zouden bezorgen.’ Je ziet ook de angst voor waanzin, voor opname. Door zijn discretie denk ik dat zijn kwalen voor de mensen om hem heen niet goed te lezen waren.’
In de brieven zit een tomeloze woede, gepaard aan de neiging tot zelfdestructie. Iedereen die hem hielp, zijn manuscripten las, hem aan een uitgever of column hielp, duwde hij later bruut van zich af. Waar komt dat vandaan?
‘Hij breekt inderdaad radicaal met mensen. Voor sommige vrienden was dat pijnlijk; de dichter en schrijver Max Niematz, met wie hij lang bevriend was, krijgt een soort linkse directe op papier. Dat is het compromisloze van hem. Het manuscript van Harmonieën, een roman waaraan hij werkte, vernietigde hij vanwege gezeik met het Letterenfonds. Aan Niek Rovers, een vriend sinds zijn studietijd, schreef hij: je hebt het lang volgehouden, maar nu is het toch klaar tussen ons. De mildheid die hij eerst koesterde, is later helemaal weg.’
‘Het opmerkelijke is dat hij op zeker moment in zijn leven, na jaren van drinken en blowen, stabiliteit vindt, een huis heeft, interessante contacten krijgt. Dan is de stabiliteit voor dat zichzelf ontstijgende schrijven aanwezig. Dat verliest hij als zijn vader ziek wordt, zijn grootvader sterft, zijn vriendin kanker krijgt.
‘Verschillende mensen hebben geprobeerd hem weer in een ritme te krijgen. Zijn vriend Wouter Godijn, zelf schrijver, adviseerde: schrijf een novelle, een paar korte verhalen. Dan antwoordde Tepper: ‘Maar fuck nog aan toe zeg, ik schrijf als een gek, niet als een tuinkabouter, punt uit.’’
Zo trok hij zich dieper terug in een Gronings schuttersputje. In zijn woede lijkt hij op Jeroen Brouwers, die het polemiseren als een van de weinige Nederlandse schrijvers met volle overgave beoefende.
‘Bij Brouwers zit er vaak zo’n soort principiële onderlaag in. Dan schrijft hij voor tijdschrift Tirade een schotschrift, ‘De nieuwe revisor’, over hoe literatuur bedreven zou moeten worden. Bij Tepper is het in die late fase vooral een uiting van woede en van frustratie, principes spelen daarbij geen rol.’
Voor hem was naar Amsterdam afreizen echt een stap, begrijp ik.
‘Als tiener, twintiger ging hij vaak naar Amsterdam om concerten te zien of platen te kopen. Maar in de literaire wereld botste hij tegen een machtsveld aan. Voor de structuur van de literaire wereld, die hij met Amsterdam vereenzelvigt, was hij heel gevoelig. Je ziet de omslachtige weg die hij bewandelde om toegang te krijgen tot de grachtengordel. Terwijl er mensen zijn die opgroeien in dat Amsterdamse culturele wereldje en op hun 21ste de vraag krijgen: schrijf eens een roman.
‘Tepper was sowieso geen reiziger: hij ging een keer naar de Verenigde Staten, een keer naar Parijs en met de middelbare school naar Duitsland en Londen. Dat is het wel. Hij is ook de enige persoon die ik ken die om positieve recensies boos werd. Omdat hij een zodanig zuiver beeld had van wat literatuur moet zijn, dat elke verkeerde intentie daar afbreuk aan doet. Hij stond heel vijandig tegenover die nix-generatie. Zwagerman, Giphart, Grunberg, dat vond hij nihilistisch geschrijf. Tepper putte net als zij uit zijn eigen leven, maar in de geest van Flaubert of Nabokov moesten zijn personages daar boven hangen om zo zelf onzichtbaar te worden.’
Dat is hem één keer gelukt.
‘Eén keer echt. Gordon Lish, de redacteur die de verhalen van Raymond Carver onder handen nam, zei in een college over literaire reputaties: if you get it right once, that’s enough. Met één keer het hoogste raken kun je een schrijverschap maken.’
Lodewijk Verduin: Zo rijk en allesverpletterend – Leven en werk van Nanne Tepper. Pluim; 496 pagina’s; € 45.
1994 Geboren in Berlijn, groeit op in Goes en Oegstgeest.
2014 - 2019 Studie Nederlands aan de UvA, Amsterdam.
Vanaf 2017 Medewerker De Groene Amsterdammer.
2021 Eenzaamheid in eindeloos meervoud, monografie over het werk van Jeroen Brouwers.
2021-2024 Docent moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.
2024 Bezorging briefwisseling Jeroen Brouwers en Geert van Oorschot.
2024 - 2026 Wetenschappelijk medewerker aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit Keulen.
2026 Bezorging Verzameld proza van Hafid Bouazza.
Verduin publiceert ook in De Standaard, De Gids, Hollands Maandblad en Tirade. Hij woont met zijn verloofde, filosoof en neerlandicus Kim Schoof, in Amsterdam.
1962 Geboren in Hoogezand.
1972 Gezin verhuist naar Veendam.
1980 Gaat in Groningen wonen, volgt lerarenopleiding.
1995 De eeuwige jachtvelden, roman.
1996 Krijgt Anton Wachterprijs voor het beste debuut, shortlist Libris Literatuur Prijs.
1998 De avonturen van Hillebillie Veen, roman.
1998 De vaders van de gedachte, roman.
2008 De lijfbard van Knut de Verschrikkelijke. Atonale schertsen, gebundelde teksten uit de jaren negentig.
2012 Tepper beëindigt zijn leven.
2016 De kunst is mijn slagveld, brievenbundel.
Tepper schreef talloze artikelen voor NRC, Het Parool, AD, Nieuwsblad van het Noorden, muziekblad Oor, Payola, 3voor12, Johan en literaire tijdschriften.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant