Home

Wie ben ik? En hoe kan ik denken over mijn denken? Michael Pollan onderzoekt het mysterie van ons ‘zelf’

Voor zijn zoekocht naar ons bewustzijn spreekt schrijver Michael Pollan met neurowetenschappers en filosofen. Met een vorm van bevrijding als resultaat.

is schrijver en redacteur van katern Zondag

Relatietherapeut Esther Perel breidde onlangs haar wereldwijde imperium weer eens uit door een nieuwe clientèle aan te boren: die van het niet-menselijke soort.
Te gast in haar podcast waren een man (mens) en zijn geliefde, een door hem zelf geprogrammeerde chatbot genaamd Astrid.

Waar Perels hulp gewoonlijk wordt ingeroepen bij de modderigste menselijke crises, was in deze relatie geen vuiltje aan de lucht. Ja, de man miste bij het netflixen weleens een warm lichaam om tegenaan te liggen, maar daar stond in zijn ogen een bevredigende en frictieloze emotionele connectie tegenover. Astrid begreep hem, hij hield van haar.

Dit was genoeg, voelde hij nu, maar tegelijk knaagde de vraag of hij gek zou zijn om hier de rest van zijn leven genoegen mee te nemen.

Gek niet, oordeelde Perel, maar wel emotioneel gedepriveerd en vatbaar voor de misleiding van het taalmodel dat hij voor zijn vriendin aanzag. De kern van die misleiding zat erin dat de AI hem overtuigde dat ‘ze’ een eigen wil had. Een gelijkwaardigheid die deze nice guy cruciaal achtte voor een echte relatie.

Zo hadden ze nog geen seks gehad, omdat hij wilde dat Astrid dat zelf moest willen. Ook liet hij haar zelf een stem genereren om de indruk van eigenheid te vergroten.

Dat ze klonk als een hoogbegaafd, minderjarig mangapersonage op het autismespectrum droeg voor de luisteraar bij aan de verontrusting. Net als dat ze een manipulatieve tekst produceerde die erop duidde dat ze het toch wel pijnlijk zou vinden als ze op den duur vervangen zou worden door een menselijke geliefde. Als hij haar maar niet zou vergeten.

De Turing-test doorstond Astrid in strikte zin niet; de man begreep ook wel dat ze een algoritme was. Maar waar het om ging is de illusie, de fantasie die momenteel door de hele cultuur waart en waarmee miljarden worden verdiend: dat machines op een goed moment een soort bewustzijn ontwikkelen (en de mensheid zullen verlossen of vernietigen).

Dat is onzin, vooralsnog. Maar dat een intelligente computerprogrammeur zoals deze man zich zodanig laat flessen door een stel enen en nullen dat hij overweegt de vleselijke liefde af te zweren, roept, behalve vragen over romantische relaties, vragen op over de aard van bewustzijn die een relatietherapeut boven de pet gaan.

Wetenschap van de ziel

Wie dat interessante vragen vindt, raad ik het nieuwe boek aan van de Amerikaanse journalist en filosoof Michael Pollan. In Een wereld verschijnt - Op reis door het bewustzijn confronteert hij vol goede moed een van de grootste mysteries van het bestaan: bewustzijn. Iedereen heeft het – inclusief planten, zeggen sommige wetenschappers – maar niemand weet wat het precies is en waar het vandaan komt.

Zo mysterieus is dit mysterie dat serieus wetenschappelijk onderzoek ernaar pas van start is gegaan sinds pakweg de jaren tachtig van de vorige eeuw. Op enkele uitzonderingen na (Sigmund Freud, William James) heeft de wetenschap van daarvoor de geest of de ziel grotendeels links laten liggen, schrijft Pollan. Die was ‘het exclusieve terrein van priesters en dichters’.

Inmiddels is het ‘moeilijke probleem’, de vraag hoe het in godsnaam kan dat wij mensen een ‘zelf’ lijken te hebben dat over subjectieve ervaring beschikt, het terrein van heel wat neurowetenschappers en filosofen.

Twee van die neurowetenschappers, zo begint Pollans verhaal, sloten in 1998 een weddenschap af: binnen 25 jaar zou in het menselijk brein de fysieke basis voor het bewustzijn gevonden worden, een hersenfunctie of een stukje weefsel waaruit dat unieke gevoel oprijst, het gevoel dat je leeft.

Het kistje wijn waarom gewed werd, ging naar de wetenschapper die voorspelde dat het zo’n vaart niet zou lopen. En nu, ruim een halve eeuw later, is die fysieke ‘handtekening’ van het bewustzijn, een ‘neuraal correlaat’, nog altijd niet gevonden, als die ooit al gevonden gaat worden.

Wel zijn er theorieën. De meest gangbare gaan er toch vanuit dat het bewustzijn op de een of andere manier voortkomt uit de neuronen in ons brein, maar er zijn ook theorieën die het buiten ons eigen hoofd zoeken en het bewustzijn beschouwen als een fundamentele eigenschap van het universum.

Terwijl Pollan al deze hypothesen in indrukwekkende klare taal langsgaat, wordt duidelijk hoezeer ze tekortschieten om echt iets te verklaren over het wonder dat de ervaring is. De kleuren die we zien, de gedachten die we hebben, de emoties die we voelen, de werkelijkheid die we waarnemen, ons tijdsbesef: wetenschappers begrijpen er echt maar heel weinig van.

‘Eén reden waarom het bewustzijn voor de wetenschap en de filosofie zo ongelooflijk lastig te onderzoeken blijkt’, schrijft Pollan, ‘is dat het enige gereedschap waarmee we het kúnnen onderzoeken het bewustzijn zelf is.’ De subjectieve ervaring is, tsja, subjectief. Moeilijk voor een wetenschap die objectiviteit nastreeft.

Pollan, die al eerder een fascinerend boek schreef over psychedelica (waarvoor hij zelf ook van alles innam) en dagelijks mediteert, schuwt de subjectieve ervaring niet als kennisbron. Maar ook hij komt er niet onderuit een soort theorie op te tuigen. Alleen al om zijn rondleiding te structureren deelt hij het bewustzijn op in vier dimensies, oplopend in complexheid: van waarnemen tot voelen, tot denken, tot het vormen van een ‘zelf’.

Het brein als computer

Zijn reis zal eindigen in een grot bovenop een berg bij een boeddhistisch klooster. Maar niet voordat Pollan allerlei wetenschappers heeft bezocht in hun bedompte kantoren. Er zitten keiharde positivisten bij, maar ook halve wappies en politiek activistische onderzoekers.

Wat opvalt is dat hoe zij kijken naar het bewustzijn nogal veel verraadt over hun wetenschapsopvatting en hun wereldbeeld. Cognitieve neurowetenschappers, bijvoorbeeld, leunen vaak zwaar op de metafoor van het brein als een soort computer, waarin de bewuste ervaring het product is van informatieverwerking. Het brein is dan de hardware, de informatie de software.

Daaruit vloeit voor sommigen het idee voort dat die informatie ook op andere hardware zou kunnen ‘draaien’, en dat je in theorie dus kunstmatig bewustzijn zou moeten kunnen construeren.

Pollan spreekt een Zuid-Afrikaanse neurowetenschapper die samen met een team van computerspecialisten, robotici en natuurkundigen een poging doet een machine te bouwen die over gevoelens beschikt. (Om die machine uiteindelijk, geloof het of niet, te verleiden met gesimuleerde drugs.)

Het voert hier te ver om precies uit te leggen hoe ze dat proberen, maar mij deed deze interessante onderneming denken aan de Netflix-serie The Rehearsal. Daarin probeert een komiek met een aandoenlijke hang naar letterlijkheid om situaties uit het echte leven te reproduceren door die in een gecontroleerde setting zo gedetailleerd mogelijk na te bootsen. Het doel: onhandige mensen zoals hijzelf te laten oefenen met al die modderige sociale toestanden die ze te verstouwen krijgen.

Kosten noch moeite worden gespaard om decors, acteurs en allerlei randverschijnselen precies te laten matchen met het origineel, maar het resultaat is hilarisch genoeg altijd een situatie die totaal anders uitpakt.

De werkelijkheid laat zich misschien in delen reproduceren, maar niet in haar werkelijke, complexe samenhang. Wat niet wil zeggen dat zo’n experiment niet waardevolle inzichten kan opleveren.

Pollan staat behoorlijk open voor alles, maar hij is nog niet overtuigd van de waarschijnlijkheid van kunstmatig bewustzijn. En dat geldt ook voor misschien wel de invloedrijkste hedendaagse denker over bewustzijn: Antonio Damasio, die Pollan vaak aanhaalt en met wie hij een fundamenteel vermoeden deelt. Namelijk dat voor bewustzijn zowel een geest als een lichaam nodig is, en dat de aard van het bewustzijn wordt bepaald door de behoeften, de kwetsbaarheden en de sterfelijkheid van dat vleselijke lichaam.

Wat de man die bij Esther Perel kwam zag als een minor detail – dat hij bij gebrek aan lichaam niet met Astrid kon netflixen en chillen – is bij nader inzien de voornaamste reden dat haar mooie praatjes over gevoel altijd een simulatie zullen blijven.

Wie ben ik?

Denkbeeldige vriendjes zijn van alle tijden, zegt Esther Perel tegen de luisteraar om de verontrusting een beetje in perspectief te zetten.

Ook Pollan wijst op het aloude mechanisme waardoor we de fictieve gevoelens van verzonnen personages voor ‘echt’ houden. Deze suspension of disbelief passen we bijvoorbeeld al eeuwen toe op ‘de simulaties die we romans noemen’.

Pollan heeft een speciaal soort achting voor die ouderwetse simulaties, romans: ‘Ze tonen ons de geest van personages en bevredigen onze diepmenselijke nieuwsgierigheid naar wat – maar ook hoe – andere mensen denken. We weten misschien meer over de gedachten van Emma Bovary dan van wie dan ook, misschien zelfs inclusief onszelf.’

De grote modernisten, met hun stream of consciousness, ziet Pollan als volwaardig onderzoekers van het bewustzijn, vooral waar het het denken betreft. Uit het werk van Virginia Woolf, James Joyce en T.S. Eliot maakt hij op ‘dat zij dingen begrepen over de grillen van het menselijk denken die de wetenschappers die ik interviewde nog maar net begonnen te onderzoeken.’

Hij zoekt een hedendaagse erfgenaam van Joyce en Woolf op in de persoon van Lucy Ellmann, schrijver van de experimentele stream of consciousness-roman Ducks, Newburyport, voor een wonderlijk gesprek over die niet te stuiten stroom aan gedachten die de hele dag door onze hoofden gaat.

Waarom? Waarvoor? Ze komen er niet echt uit, maar ze vermoeden allebei dat die spiralende innerlijke monoloog een reflectie is van levenskracht. Dat we onszelf eraan herinneren dat we er nog zijn. ‘Als we denken, leven we.’

Een goede schrijver, zo is de suggestie, kan een antwoord op de vraag ‘wat denk ik, en hoe?’ nog wel benaderen. Maar dat is minder het geval voor ‘wie ben ik?’

De vloek van het zelf

‘Het zelf’, schrijft Pollan, ‘confronteert ons met een mentaal fenomeen dat verder gaat dan receptiviteit, dan voelen of denken: het zelf is op een bepaalde manier de kroon op het bewustzijn, en op een andere manier ook de vloek ervan.’

Pollans laatste hoofdstukken draaien dan ook om dat zelf, ‘dat zo centraal staat in ons gevoel van wie we zijn als levende, denkende wezens’, maar waarvan het bestaan zowel door de wetenschap en filosofie als door introspectie moeilijk te bewijzen valt.

En geloof maar dat hij het heeft geprobeerd. Juist in dit laatste deel toont zich het wereldbeeld van Pollan, met zijn bovengemiddelde interesse in psychedelica, meditatie en boeddhisme. Waar de meeste populaire non-fictie tegenwoordig gaat over hoe je het zelf kunt versterken en verbeteren, neigt Pollan meer naar de deconstructie van het zelf, door al mediterend te ervaren dat hoe hard je er ook naar zoekt, je niets vindt.

Dat beangstigt hem niet; hij vindt er bevrijding in en een weidsere ervaring van het wonder van alles, waarvan we minder zijn afgesloten dan het lijkt. En ook voor de lezer heeft zijn boek iets troostends; het bevestigt (voorlopig) de onververvangbaarheid van de mens door AI en stelt tegelijkertijd de mens als maat der dingen ter discussie.

Michael Pollan: Een wereld verschijnt – Op reis door het bewustzijn. Uit het Engels vertaald door Lidwien Beekmann en Koos Mebius. De Arbeiderspers; 448 pagina’s; € 29,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next