Cabaretier en filosoof Tim Fransen schreef onlangs in de Volkskrant een prikkelend essay over vrijheid, waarin hij refereert aan Wakker in Paraguay, de documentaireserie over een groep Nederlanders die naar Paraguay verhuist om volledig vrij te zijn van staatsbemoeienis. Deze ‘wakkeren’ kregen veel over zich heen; het waren wappies, gekkies, complotdenkers. Fransen stelt echter dat de Paraguay-gangers geen bizarre afwijking zijn, maar „hoogstens een overtreffende trap” van de norm. Wij zijn individualistisch; zij zijn hyperindividualistisch. Het extreme is geen uitzondering op de norm, het legt de norm juist bloot.
Dit graduele denken is ongemakkelijk, want het dwingt tot zelfreflectie: is er iets in de uitvergroting dat herkenbaar is? Het maakt de afstand tussen ‘wij normalen’ en ‘zij gestoorden’ kleiner, en wijst naar vormen van verwantschap. Het roept ook de vraag op wanneer ‘normaal’ overgaat in een aberratie. Wie de extremen bestudeert als uitvergroting van de norm, kan iets over zichzelf leren.
Ik moest eraan denken bij het lezen van twee Amerikaanse boeken over christelijk nationalisme, het fundamentalistische verschijnsel waarbij het christendom samengaat met uiterst conservatieve politiek. Ook in Nederland worstelen christenen hiermee. De meest gehoorde reactie is die van de ‘kaping’: religie is in essentie iets moois, maar is in verkeerde handen gevallen. En dus verenigt ‘goede’ religie zich (denk aan De Linkse Kerk), om zich te keren tegen die kaping.
Die insteek heeft ook de Amerikaanse schrijver, cabaretier en christen John Fugelsang. In zijn boek Separation of Church and Hate. A Sane Person’s Guide to Taking Back the Bible from Fundamentalists, Fascists and Flock-fleecing Frauds (2025) draait het er vooral om dat Jezus in de kern zachtmoedig is, feministisch zelfs, en dat het christendom dat ook is, met mooie waarden als empathie en barmhartigheid – jammerlijk misbruikt door fundamentalisten met een politieke agenda. Fugelsang lardeert zijn betoog rijkelijk met goede grappen, zoals een compliment voor atheïsten die helemaal tot bladzijde 31 zijn gekomen (zijn boek telt er ruim driehonderd). Zijn geestige motto is: „Ik ben Jezus gaan zien zoals ik Elvis zie: ik houd van die kerel, maar ik ben doodsbang voor sommige fanclubs.” Hij doelt op de christen-nationalisten.
Als je Fransens stelling dat de Paraguay-gangers geen bizarre abberatie zijn serieus neemt, moet je je echter niet afvragen hoe christelijk nationalisme het geloof misbruikt, maar wat het blootlegt over het geloof zelf, ook in zijn gematigde vorm.
Dat ongemakkelijkere antwoord – of althans, de zoektocht daarnaar – vinden we bij Tia Levings. In haar zojuist verschenen boek I Belong to Me gaat de Amerikaanse verder waar haar vorige boek A Well-Trained Wife (2024) stopte: na haar ontsnapping uit wat zij een sekte noemt, een fundamentalistische baptistengemeenschap, wil ze haar leven opnieuw opbouwen.
Anders dan Fugelsang ziet Levings de christelijk-nationalistische gemeenschap waarin ze opgroeide niet louter als een vreemde sekte die het christendom heeft gekaapt. Voor haar zit het problematische dieper verweven in het christendom zelf én in de Amerikaanse cultuur, en dat merkt ze als ze eruit stapt. De hypergehoorzame christelijke echtgenote van haar gemeenschap is de uitvergroting van iets dat ook buiten haar geloofsgemeenschap bestaat: de goed getrainde huisvrouw als Amerikaanse norm. Vandaar wellicht dat A Well-Trained Wife niet alleen bij gelovigen aansloeg, maar een nationale bestseller werd in de Verenigde Staten.
Levings introduceert in haar nieuwste boek het begrip religieus trauma: beschadiging door religieuze doctrines, mensen en praktijken. Dat is niet beperkt tot het evangelische christendom of het katholicisme, maar komt voor bij allerlei religies en geloofsgemeenschappen, zoals de islam, Jehova’s getuigen, de mormonen, de amish, mennonieten en chassidische joden, als ook in (seculiere) spirituele sektarische groepen.
Levings verwijst naar onderzoek waaruit blijkt dat 1 op 5 Amerikanen aan een religieus trauma lijdt. Geloof, schrijft Levings in I Belong to Me, kent „magisch denken, waanideeën, vertekeningen, verdelingen, verwonding en uitgebuite kwetsbaarheid”. Als de omgeving doordrenkt is van religie – en dat is Amerika – en religie is de bron van jouw trauma, dan is het lastig helen van je trauma. Want als jouw kerk je vertelt dat je misbruik Gods plan is, wend je je dan tot diezelfde God voor troost na dat misbruik? Hoe kun je nog geloven dat Jezus alle pijn zal genezen, als die pijn in zijn naam is aangericht? Levings beschrijft hoe zelfs alledaagse dingen, zoals het eten van een tomaat (daar zei de dominee altijd iets religieus over), een traumatische respons kunnen triggeren.
Wanneer ze uit de gemeenschap vlucht vanwege geweld door haar man dat wordt gelegitimeerd en goedgekeurd door het geloof, kan ze niet, zoals Fugelsang, zeggen: maar er is ook een goede versie van het geloof; als ik de foute gelovige man inwissel voor de goede gelovige versie, komt het vanzelf wel goed. De leer die de kerk haar oplegt van wat een goed mens is, een goede vrouw ook, met waarden als afhankelijkheid, dienstbaarheid en zorgen voor anderen, leggen juist de religieuze norm blóót.
Wie zegt: ‘ze hebben mijn religie gekaapt’, ontslaat zichzelf van de vraag na te denken over wat er inherent aan religie is waardoor mensen die dezelfde religie aanhangen tot een andere invulling komen. Gradueel denken nodigt precies tot dit soort ingewikkelde filosofische vragen uit.