Home

‘Mijn moeder gaat nu nooit meer zeggen dat ik toch wel een goed kind was’

Anders dan haar zus heeft Daniëlle van jongs af aan geen goede band met haar moeder. Met haar vader is Daniëlle wel close. Hij bevestigt dat zijn vrouw inderdaad geen warme gevoelens voor haar had.

interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine

Daniëlle Schmitz (60, jeugdhulpverlener): ‘Mam is op 30 december 2025 overleden, ze is 89 geworden. Ik had verwacht dat het een opluchting zou zijn; ik kwam de laatste jaren al nauwelijks meer bij haar. Niets heb ik met mijn moeder kunnen opbouwen, er was geen band, geen warm gevoel. Dat begon al jong; ik was mijn vaders kind, mijn vader was nummer één voor mij, dat is altijd zo gebleven. Maar mijn moeder? Het is heel hard om te zeggen, maar ik had het idee dat mijn vader met een koelkast was getrouwd. Nooit was ze lief of hartelijk tegen me, niet één keer in mijn leven heeft ze tegen me gezegd: dat heb je goed gedaan. Of: wat leuk voor je. Alles was altijd negatief.

‘Ik heb altijd geprobeerd een goede dochter te zijn. En toch was ze teleurgesteld in mij, dat voelde ik aan alles. Een jaar of tien geleden, ze was toen 80, heeft ze eens verzucht: ‘Ik had nooit kinderen moeten krijgen.’ En toen ik vroeg waarom niet, zei ze niets, maar wees ze met haar vinger naar mij. Mijn drie jaar jongere zus had wel een goede band met haar, zij heeft op de begrafenis een complete lofzang gehouden. Ik kwam niet verder dan wat feitelijkheden: je kon goed koken, mam, je hield van lezen – daarmee hield het wel op. Mijn zoon had het over de lekkere frietjes van oma, hij had verder ook weinig warme herinneringen. Hij zei: als oma in mijn leven tien minuten met me gepraat heeft, is het veel. Voor mijn dochters geldt hetzelfde, terwijl de kinderen van mijn zus wel dol waren op hun oma. Zo zie je hoe dat op de volgende generatie doorwerkt. Al is de band met mijn kinderen gelukkig heel anders dan die van mij met mijn moeder vroeger, ik heb het ze laatst nog gevraagd. Toen zeiden ze alle drie: welnee, geen zorgen, we hebben het altijd leuk met jou gehad.

‘Ik herinner me dat mijn moeder zich in mijn vroegste jeugd al aan mij ergerde. Ze nam me niet op schoot, ze knuffelde me niet, als ik volgens haar te veel praatte, zei ze: hou die rebbel toch eens dicht. Ik was een extravert kind op de basisschool, maar ik kon ook dromerig zijn, traag in haar ogen. Als we ’s ochtends moesten voortmaken, zei ze: ‘Als je nu niet opschiet, hou ik een lucifer aan je kont.’ En ik dacht echt: ze gaat het doen. Ik was vaak misselijk als kind, ook tot haar ongenoegen. Als ik moest overgeven, was het mijn vader die me in bad deed, me met engelengeduld een schone pyjama aantrok en me gezellig lepeltje-lepeltje bij hem in het grote bed liet liggen. Mijn moeder sliep dan in mijn bed, want zij kon er helemaal niet tegen. Dat zei ze ook: ‘Hier kan ik niet tegen, hoor.’

‘Mijn ouders hadden een drogisterij in een dorp in Zuid-Limburg, wij woonden erboven met het gezin. Mijn ouders waren altijd druk met de zaak. Mijn vader was een sociale, charmante man; ik denk dat de helft van vrouwelijke clièntele net zo goed voor hém kwam als voor de aspirientjes. Mijn moeder was veel koeler, maar hij heeft haar altijd vertroeteld. Als zij een mooie jas zag in de Vogue, bestelde hij die voor haar in Parijs. En zo was hij ook voor mij: als er een nieuw soort maandverband in de drogisterij was, was hij degene die ermee naar boven kwam: hier, probeer dit eens. Mijn moeder niet hoor, nooit.

‘Op een gegeven moment kwam er een Hema in de buurt: het grootwinkelbedrijf, dat was natuurlijk de vijand voor de kleine, zelfstandige drogist. En ik had een lippenstift van die Hema, van een vriendinnetje gekregen. Ik zie nog voor me hoe mijn moeder die op een dag uit mijn broekzak viste, omhoog hield voor mijn vader en zei: ‘Hier! Dit typeert het hele kind.’

‘Op mijn 13de dacht ik al: later ben ik hier zo snel mogelijk weg. Ik vluchtte veel naar een vriendin in die tijd, waar ik het veel gezelliger vond. Later heeft mijn moeder wel gezegd: ‘Waarom zat je altijd daar?’ Nou, omdat ik daar wel de tijd, de aandacht en de oprechte interesse vond die ik van mijn moeder zo miste.

‘Meteen na de havo ben ik naar Tilburg vertrokken om daar aan de pabo te studeren. Mijn vader heeft later eens gezegd: ‘De dag dat jij het huis uitging, was een van de moeilijkste uit mijn leven.’ En wat zei mijn moeder toen ik in de auto stapte bij mijn vader, die me ging verhuizen? ‘Zo, lekker opgerot.’ Het is me een raadsel waar dat grote verschil vandaan komt, het is me ook nog steeds een raadsel waarom er geen connectie was tussen mijn moeder en mij. Was het omdat ze me als een indringer zag in het huwelijk met mijn vader? Was het omdat ze zelf beschadigd was in haar jeugd? Ze heeft een tijdje op kostschool bij de nonnen gezeten, op slechts vijf kilometer van haar ouderlijk huis, zo ging dat vroeger in gegoede gezinnen. Ik hoorde wel eens verhalen over de hostiesoep die ze moest eten, maar niet over wat die tijd wellicht met haar had gedaan.

‘Ik heb in elk geval heel lang geprobeerd een braaf kind te zijn, een dochter die aan alle verwachtingen voldeed, al was het nooit goed genoeg. Dat is een enorme valkuil, ik zie het patroon ook in de gezinnen waarmee ik werk als jeugdhulpverlener: je wordt een pleaser, iemand die over zijn grenzen laat gaan. Het is me overkomen in vriendschappen, in relaties; nu ik 60 ben zie ik dat, maar vroeger minder.

‘Ik ben dertig jaar getrouwd geweest, het was vaak ingewikkeld. Als ik daar iets over losliet tegen mijn moeder, zei ze: ‘Je hebt hem zelf uitgekozen, scheiden is geen optie.’ En ik dacht daardoor echt: ik kan pas scheiden als zij er niet meer is. Gelukkig heb ik zo lang niet gewacht. Toen het zover was, zuchtte mijn moeder: ‘Ik had nooit gedacht dat mij zo iets ergs zou overkomen.’ En ik, gelaten, zei maar: ‘Ja mam, ik snap dat het heel erg is voor jóú.’

‘In 2024 is mijn vader overleden. Het is gek, maar sinds mijn moeder dood is, mis ik hem heel erg. Ik heb wel eens aan hem gevraagd: ‘Pap, het klopt toch, mama heeft zich toch nooit erg aan mij verbonden?’ Ja, dat klopt, antwoordde hij toen. En aan mijn zus wel, vroeg ik verder, hoe kon dat? Toen zei: ja, die heeft dat afgedwongen. En ik zag dat, zij had wél een goede band met haar. Ik heb er vooral lang op gehoopt. Toen mijn moeder stervende was, ze was de laatste jaren dementerend, ben ik nog een laatste keer naar toe gereden. Ze was al niet meer aanspreekbaar, toen heb ik zó gehuild naast haar bed. Omdat ik besefte: ze gaat nu echt nooit meer zeggen dat ik toch wel een goed kind was, of een aardig mens. Maar opgelucht dat ze dood is? Nee, toch niet. Ik voel vooral pijn om wat er nooit is geweest.’

Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next