Als druk, onhandelbaar jongetje krijgt Jeroen Pen ADHD-medicatie voorgeschreven. Wat begint met een paar tabletten, mondt uit in een verslaving van tientallen pillen per dag. Nu vraagt hij zich af: was dit echt de beste manier om mij in het gareel te krijgen?
Eenmaal binnen bij mijn huisarts moet je eerst door een smal gangetje om in de wachtkamer te komen. Rechts aan de muur hangt een prikbord, met naast huishoudelijke mededelingen ook een aantal nieuwsberichten en opiniestukken over actuele medische kwesties. Een daarvan is een hartstochtelijk pleidooi van jeugd- en kinderpsychiater Hilgo Bruining tegen ‘de huidige diagnosecultuur en de commerciële belangen die hierachter schuilgaan’ en tegen het op grote schaal voorschrijven van ADHD-medicatie, dat vorig jaar in Trouw stond.
Op zich is het niet opmerkelijk dat dit juist bij een huisarts aan de muur hangt: de beroepsgroep is bij uitstek kritisch over de schaal waarop en het gemak waarmee stimulantia worden voorgeschreven, blijkt uit onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen. 73 procent van de huisartsen vindt dat ADHD-medicatie te snel wordt voorgeschreven; 34 procent zwicht weleens onder de druk van ouders om het toch te doen. 17 procent doet hetzelfde, maar dan onder druk van scholen. Geen wonder dus dat het opiniestuk van Hilgo Bruining instemmend gedeeld werd, zowel op sociale media door de goegemeente, als hier in de gang door mijn eigen huisarts.
Tegelijkertijd is het ook weer wél opmerkelijk, want in de jaren dat ik verslaafd was aan stimulantia, was hij mijn dealer.
Ik was een druk jongetje, nooit te beroerd om de docent van dienst het lesgeven onmogelijk te maken, en chronisch ongemotiveerd om mee te doen met de rest van de klas. Tegelijkertijd hield ik van jongs af aan ontzettend van lezen, en kwam ik intelligent over – op de basisschool had bij docenten zelfs het idee postgevat dat ik hoogbegaafd was. Toen uit de eindtoets geen gymnasium-, maar een vmbo-advies kwam, begon een zoektocht die halverwege de brugklas eindigde, toen een kinderpsychiater me van een diagnose voorzag. Ik vulde een korte vragenlijst in en moest twee keer een toets maken, één keer nuchter en één keer onder invloed van methylfenidaat (bekender als ritalin). De tweede keer scoorde ik significant hoger, en daarmee was mijn ADHD bewezen.
Mijn schoolprestaties verbeterden niet onder invloed van methylfenidaat, maar ik was anderen minder tot last, en het werd een iets minder onmogelijke opgave om les te geven aan een klas met mij erin. De pillen ervoer ik als aangenaam, totdat ze uitwerkten; dan gleed ik steevast in een chemische depressie, een kille neerslachtigheid die ik van mezelf niet kende.
Het ging drie jaar goed – en daarna ging het goed mis. Na een schoolfeest werd ik gearresteerd op de Amsterdamse Rozengracht wegens het al fietsend kapotschoppen van autospiegels. Een heterdaadje, dus er viel verder weinig aan te ontkennen. Omdat het de derde keer was dat ik in aanraking kwam met justitie, werd ik doorverwezen naar Bureau Halt, dat ter aarde is om ‘jeugdcriminaliteit en grensoverschrijdend gedrag bij jongeren (van 12 tot 23 jaar) te voorkomen, te bestrijden en te herstellen’. Als recidivist werd ik veroordeeld tot een taakstraf van één werkdag, te volbrengen in het weekend, ergens achterin Amstelveen, waar ik moest schoonmaken in een schoolgebouw, in m’n eentje.
Een loeisaaie taak, eentje die ik bovendien, in tegenstelling tot het uit mijn hoofd leren van grondsoorten voor aardrijkskunde of Duitse werkwoordsvormen, niet zomaar naast me neer kon leggen, maar daadwerkelijk moest volbrengen. In een opwelling griste ik die ochtend niet een paar tabletten methylfenidaat mee, maar een heel doosje; drie strips, dertig pillen, veel meer dan mijn maximale dagdosis van zeven. Dat moment zou me nog lang achtervolgen.
Voor iemand die niet in staat was om zijn tienerkamer fatsoenlijk op te ruimen, laat staan schoon te maken, leverde ik een olympische prestatie. Aan het eind van de dag blonk het hele schoolgebouw, zelfs de wc’s waren spic en span. Ook waren alle dertig methylfenidaat-tabletten op.
De geschiedenis van ADHD-medicatie begint eerder dan de geschiedenis van ADHD. In 1929, meer specifiek, als de jonge scheikundige Gordon Alles zichzelf injecteert met een mengsel van twee soorten amfetaminen. Het gaat om levo-amfetamine (de minst potente van het stel), en dextro-amfetamine. In een notitieblok legt hij zijn bevindingen vast. ‘Feeling of well being’, noteert hij als het spul zijn werk begint te doen. Er volgt een ‘rather sleepless night’, maar verder voelt hij zich goed. Erg goed zelfs. Gordon Alles weet het zelf nog niet, maar hij heeft zojuist speed ontdekt.
In die tijd is in Amerika een soort wapenwedloop gaande tussen farmaceuten, aangezien degene die als eerste met een goed werkend medicijn op de proppen komt, kan rekenen op een patent met een looptijd van zeventien jaar. Vooral met medicijnen waarvoor geen doktersvoorschrift nodig is, valt er goud geld te verdienen. Dat verklaart mede waarom dexamfetamine voor verschillende soorten klachten in de markt wordt gezet. Mensen die worstelen met hun gewicht, mensen die worstelen met slaapgebrek, mensen die worstelen met depressieve gevoelens; mensen die worstelen, kortom.
(Dex)amfetamine zorgt voor een flinke toename van dopamine in de hersenen en voorziet de gebruiker van alertheid, uithoudingsvermogen, lichte euforie, zelfvertrouwen en motivatie. Een wondermiddel, kortom. Suffe, repetitieve klusjes zoals de afwas of het opvouwen van kleren zijn ineens geweldig – niet zomaar is het middel halverwege de 20ste eeuw onder huisvrouwen mateloos populair. Ook in andere kringen vindt ‘dex’ decennialang gretig aftrek. Van soldaten in de Tweede Wereldoorlog tot spelers van het gouden elftal van Ajax in de jaren zeventig, en het legendarische Feyenoord dat vlak daarvoor als eerste Nederlandse club de Europacup 1 won, zo gaven verschillende spelers decennia later toe in interviews, en van Johan Derksen tot de Amerikaanse schrijver Jack Kerouac, die de eerste versie van zijn beroemdste boek On the road volgens de overlevering schreef in een drie weken durende manie, voortgestuwd door de destijds vrij verkrijgbare amfetamine-inhaler benzedrine.
Het enige probleem: het spul heeft ook allerlei bijwerkingen, die variëren van hartkloppingen tot afhankelijkheid en verslaving. Overal ter wereld ontstaat een kritische tegenbeweging, ook hier. In 1976 zet Nederland amfetamine op de Opiumlijst; in 1983 haalt het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen dexamfetamine van de markt. Vanaf dan is het, medische noodgevallen daargelaten, verboden om te leveren.
In die periode komt een nieuw medicijn op, dat weliswaar geen amfetamine is, maar ondanks een moleculair verschil min of meer hetzelfde doet: ritalin. In tegenstelling tot dex schrijven artsen dit middel niet voor aan volwassenen, maar aan kinderen. Dat komt door een nieuw ziektebeeld: Attention Deficit Hyperactivity Disorder. Drukke, dan wel niet onhandelbare kinderen, meestal jongens. De diagnose is met behulp van een korte checklist te stellen – exacte wetenschap is het niet. Voor deze doelgroep wordt het nieuwe middel met een veelzeggende slogan in de markt gezet: ‘Ritalin helps the problem child become lovable again.’
Van mijn 16de tot mijn 18de was ik verslaafd aan methylfenidaat. Wat begon met een perfect uitgevoerde taakstraf, ontspoorde al gauw volledig. In principe kreeg ik iedere keer van de apotheek genoeg tabletten voor een maand mee; steeds vaker waren die na een paar dagen al op. Met een reeks inventieve smoesjes – de schoonmaakster heeft ze weggegooid, mijn moeder heeft ze weggegooid, mijn vader heeft ze weggegooid – slaagde ik er steeds in veel eerder dan de bedoeling was nieuwe pillen te krijgen. De laatste twee jaar van mijn kindertijd waren er eigenlijk maar één. De helft van de tijd zat ik ineengedoken achterin de klas, onaanspreekbaar en onder invloed. De andere helft van de tijd was de voorraad op en was ik na enige ontwenningverschijnselen eindelijk mezelf. Pas toen ik zakte voor mijn havo-eindexamens, durfde ik aan mijn ouders op te biechten wat er aan de hand was.
Al decennia bestaat de verwachting dat onderzoekers vroeg of laat op een biomarker zullen stuiten, op iets meetbaars en zichtbaars in de hersenen waardoor ADHD kan worden vastgesteld. De Nederlandse neurowetenschapper Martine Hoogman denkt in 2017 zelfs even dat het haar gelukt is, en ze heeft aangetoond dat ADHD een hersenstoornis is. Ze stuurt een jubelend persbericht uit, dat veel kritiek krijgt. Acht jaar later slikt ze dat persbericht in The New York Times weer in: ‘Destijds legden we de nadruk op de verschillen die we vonden (hoe klein die ook waren), maar je kunt ook concluderen dat de subcorticale en corticale volumes van mensen met ADHD en die zonder ADHD vrijwel identiek zijn.’
Dat de ontdekking van een biomarker uitblijft, betekent niet dat het nooit zal gebeuren, of dat ADHD niet ‘echt’ is. Wel blijft de diagnose er een die enigszins subjectief wordt gesteld aan de hand van een checklist, met niet superspecifieke criteria als ‘is vaak vergeetachtig bij dagelijkse bezigheden’, ‘kan moeilijk rustig spelen of zich bezighouden met ontspannende activiteiten’, ‘heeft vaak moeite op zijn/haar beurt te wachten’. Zo blijft ADHD een beschrijving van gedrag, en niet, zoals vaak gedacht, een verklaring ervan. Desondanks telt Nederland naar schatting ongeveer 404 duizend personen die het hebben. Zij hebben niet allemaal de diagnose, maar voor degene die dat wel hebben, is de oplossing meestal eenduidig: medicatie.
Mijn grootvader Jan Pen was een onrustig mens. Hij was ongeduldig, liet mensen die niet snel genoeg gingen niet uitpraten, kon niet stilzitten, en stond als tiener al te boek als recalcitrant. De diagnose bestond nog niet, maar met de kennis van nu was hij een klassiek geval van ADHD. Na zijn tienertijd ging hij studeren, en groeide uit tot van de bekendste economen uit de Nederlandse geschiedenis. Zijn boeken groeiden uit tot internationale bestsellers, en werden vertaald in (onder meer) het Engels, Frans, Duits, Spaans en Chinees.
Mijn vader Jurjen was als puber ronduit onhandelbaar. Hij kon niet stilzitten, kletste overal doorheen, was lui, ongemotiveerd, raakte niet zelden betrokken bij een vechtpartij, en had een autoriteitsprobleem. Op zijn rapporten prijkten niet zelden tweeën en drieën; uiteindelijk zagen zijn wanhopige ouders zich genoodzaakt hem naar een kostschool te sturen. Daarna ging hij rechten studeren, waar hij de tijd voor nam en kreeg, om vervolgens uit te groeien tot een gevierd strafrechtadvocaat.
Bij geen van beiden kwam er medicatie aan te pas.
Dat veel mensen baat hebben bij stimulantia spreekt inmiddels voor zich, maar de effecten zijn diffuser dan lange tijd werd gedacht. Er is onderzoek dat laat zien dat ADHD-medicatie taakgerichtheid, concentratie en gedrag verbetert, maar er is ook onderzoek dat laat zien dat daadwerkelijke schoolprestaties soms helemaal niet verbeteren, dat positieve effecten bovendien na een jaar of twee afvlakken dan wel niet verdwijnen, en dat meer dan de helft van kinderen er dus na twee jaar mee zou kunnen stoppen.
En dan is er, zeker in het geval van dexamfetamine, ook nog die vermaledijde verslavende werking.
Die zorgde ervoor dat Nederland de eerste drie aanvragen om het middel hier weer terug te brengen afwees. In 2014 moet er een Europese, decentrale procedure (een farmaceut vraagt voor meerdere landen tegelijk een handelsvergunning aan) aan te pas komen om het toch weer op de markt te krijgen, waarbij Nederland zich tot de laatste snik blijft verzetten vanwege de risico’s op misbruik, maar er door Europese regelgeving toch aan moet geloven.
Dat werd mij allemaal niet verteld toen ik het als 28-jarige op doktersrecept ging slikken.
Ik was een onzekere adolescent, dat wil zeggen, onzeker over mijn vermogen om af te studeren, een enigszins goede baan te vinden, laat staan die nog voor langere tijd te behouden ook. Mijn ADHD-diagnose had ik volledig geïnternaliseerd: ik was ervan overtuigd dat ik iets triviaals als me concentreren nou eenmaal niet kon, en zonder medicatie ook nooit echt zou kunnen. Daarbij kwamen nog externe factoren zoals de economische crisis van 2008, die ervoor zorgde dat ook oud-schoolgenoten die vele malen slimmer waren dan ik en ingewikkelde universitaire diploma’s op zak hadden geen werk konden vinden. Het leidde met enige regelmaat tot een op de toekomst gerichte paniek, die zich niet liet verdrijven door aardse zaken als het behalen van een (niet bijster ingewikkeld) universitair diploma Taal en communicatie of het vinden van een baan in de media.
Dus toen de baas van mijn vriendin, die in de horeca werkte, me vertelde over een nieuw middel dat hij slikte, en dat in tegenstelling tot methylfenidaat niet tot chemische depressie leidde, zat ik op het puntje van mijn stoel. Hij verzekerde me dat hij dankzij dexamfetamine zowel zijn administratie als zijn leven op orde had, en dat eerdere ADHD-klachten min of meer verdwenen waren. Een paar weken later zat ik bij een door hem aangeraden psychiater, die me zonder scrupules van een recept voorzag, ook nadat ik hem vertelde over mijn verleden met soortgelijke middelen.
Dexamfetamine bleek fantastisch. In de eerste twee jaar dat ik het slikte, excelleerde ik dusdanig op werk dat ik liefst drie promoties kreeg. Ik was scherp, gefocust, productief, en ontwikkelde een zelfvertrouwen dat geen enkele ruimte liet voor twijfel of angst.
Tegelijkertijd ontstonden daar de eerste scheuren, hoewel ik het toen zelf niet doorhad. Steeds vaker ging ik in het weekend ’s middags in een café zitten om te werken, steevast onder invloed van dexamfetamine. Tegen mijn vriendin zei ik dat ik het druk had, wat waar was, maar echt nodig waren deze overuren nu ook weer niet. Tegen mezelf zei ik dat ik op die momenten medicatie slikte om te kunnen werken, maar met enige afstand is het omgekeerde plausibeler: ik ging werken om medicatie te kunnen slikken.
Verslaving is een progressieve ziekte, een exponentieel stijgende lijn, vroeg of laat komt de boel in een stroomversnelling. Een paar jaar later was ik dan ook veranderd in iemand die leefde van recept tot recept, zich steeds voornam om daadwerkelijk een maand met een maandvoorraad te doen, die maandvoorraad vervolgens in een paar dagen opmaakte, zonder daarbij te slapen. Op het hoogtepunt van mijn verslaving haalde ik per maand minstens een week door.
Mijn leven stond grotendeels in het teken van het verhullen van mijn verslaving; ik was als de dood dat iemand erachter zou komen, en ik vervolgens mijn pillen zou moeten afstaan. Zonder, redeneerde ik, zou ik nooit meer kunnen presteren op het niveau dat ik aanvankelijk mét had aangetikt.
In werkelijkheid functioneerde ik eerst beter met dexamfetamine, vanaf 2020 niet meer zonder, en in 2022 functioneerde ik überhaupt niet meer, of het nou met of zonder dexamfetamine was.
Tussen 2006 en 2023 verviervoudigt het aantal mensen dat ADHD-medicatie voorgeschreven kreeg, en de lijn blijft voorlopig stijgen. Uit cijfers van de Stichting Farmaceutische Kerngetallen blijkt dat vorig jaar aan 377 duizend Nederlanders stimulantia werd voorgeschreven. Het gaat om 255 duizend keer methylfenidaat, waarvan 84 duizend aan kinderen. Dexamfetamine en lisdexamfetamine (langer werkende variant) werden aan 108 duizend landgenoten voorgeschreven, onder hen bevonden zich 24 duizend minderjarigen. Ter illustratie: in 2003 werd het destijds verboden middel op basis van medische noodzaak aan precies 12 mensen voorgeschreven.
Omdat de reguliere zorg het aantal ADHD-diagnoses niet kan bijbenen, voorzien allerlei commerciële partijen in die behoefte. Vaak ligt het percentage mensen dat zich bij zo’n partij meldt en er vertrekt met ADHD boven de 90 procent. Vrijwel altijd gaat de diagnose vervolgens gepaard met medicatie.
In 2013 voegt Apple een interessant nieuw snufje toe aan de iPhone. Na installatie van iOS 7 heeft elk apparaat de mogelijkheid om met één knopdruk de ledflitser als zaklamp te gebruiken. Tegen de tijd dat ik acht jaar later op het hoogtepunt van mijn verslaving zit, zal ik er dankbaar gebruik van maken. Nadat de apotheek op een gegeven moment weigert me medicijnen mee te geven omdat ik volgens hun berekeningen ‘nog voor minstens een jaar’ thuis heb liggen, trek ik de stoute schoenen aan en vraag mijn psychiater om een verdubbeling van mijn dosis, die ik meteen krijg.
Niet zelden slik ik zoveel pillen dat ik op werk, thuis of in de kroeg rondloop met pupillen als zwarte damstenen. Blootstelling aan fel licht verkleint ze, in ieder geval voor even, dus schijn ik elke keer voordat ik een ruimte binnenloop met de zaklamp in mijn ogen. Voor het andere snel zichtbare symptoom van overmatig amfetaminegebruik heb ik een knulliger oplossing: om te voorkomen dat anderen mijn strakke kaakschaatsen zien, wring ik mezelf in allerlei bochten om een hand voor mijn mond te kunnen houden, of ik nu een gesprek aan het voeren ben of niet. Beroepsmatig, sociaal, in de liefde: overal ben ik een schim van mezelf.
Ik stop pas met dexamfetamine als ik op een gegeven moment zo lang heb doorgehaald dat ik vrees dat het mijn dood wordt. In wanhoop bezoek ik daartoe een nieuwe psychiater, omdat ik veronderstel dat het onveilig is om het abrupt te doen. Dat blijkt niet het geval. De nieuwe psychiater valt met haar neus in de boter, ik ben al dagen wakker, ze kan meteen met eigen ogen zien hoe erg de kwaal is, of, in mijn geval, het middel. Onmiddellijk stoppen, raadt ze aan, cold turkey, en ze wil me pas verder helpen als ik zelf mijn huisarts mail dat hij me geen dexamfetamine meer mag voorschrijven.
De eerste maanden zijn een hel, ik krijg weinig tot niets uit mijn vingers en zit met enige regelmaat wanhopig scheldend achter mijn laptop. Zie je nou wel, ik had er nooit mee moeten stoppen. Het lijkt wel ADHD-deluxe, ik kan me helemaal nergens op concentreren, vergeet om de haverklap waarmee ik bezig ben. Veel meer dan afwachten kan ik niet doen. Het overmatige dexamfetaminegebruik heeft mijn dopaminereceptoren voorlopig verwoest, als ze de tijd krijgen zullen ze herstellen, en terugkeren naar een basisniveau waardoor ik normaal kan functioneren.
Ik ben nu een drukke volwassene, maar wel evenwichtig, en slik inmiddels al geruime tijd geen stimulantia meer. Het wrange: die blijk ik ook helemaal niet nodig te hebben. Met een stabiel dopaminepeil, goede nachtrust en een enigszins regelmatig leven, ben ik in staat alles te kunnen waarvan ik vreesde het nooit te kunnen. De afgelopen jaren schreef ik naast het hebben van een fulltimebaan en het opvoeden van twee jonge kinderen een boek. Aan dat hele traject kwam geen speedpil te pas.
Het zou makkelijk zijn om de zorgverleners die mijn verslaving faciliteerden van alles kwalijk te nemen, maar dat doe ik niet. Ten eerste heb ik ze zelf structureel voorgelogen en ligt daarvoor de verantwoordelijkheid bij mij. Natuurlijk moeten er alarmbellen afgaan als iemand veel te vaak een recept aanvraagt, maar huisartsenpraktijken in Nederland zijn structureel onderbezet en overvraagd.
Er komen per dag tientallen zo niet honderden aanvragen voor herhaalrecepten binnen; dan glipt er weleens iets tussendoor. De psychiater geloofde oprecht heilig in de heilzame werking van dexamfetamine, zoals veel van zijn vakgenoten dit doen. Wat dan wel weer jammer was: ik benaderde voor dit artikel zowel mijn huisarts als de psychiater. Zouden zij het nu anders doen? Tevergeefs – de twee die me al die tijd van pillen voorzagen, bleken niet bereid me van antwoorden te voorzien.
Mijn verhaal is niet exemplarisch voor de gemiddelde ADHD’er; anders zouden de verslavingsklinieken wel uitpuilen van de dexamfetamine-junkies. Als je het script honderd keer draait, loopt het zeker 99 keer beter af dan bij mij. Dat maakt de overmedicalisering van ADHD niet ongevaarlijk. Ouders, leraren, psychiaters en patiënten zouden zich vaker mogen afvragen: is dit werkelijk de beste manier om het probleem te bezweren?
Het boek Speedpillen van Jeroen Pen is 13 mei verschenen bij Uitgeverij Pluim.
Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant