Home

Zijn naam is vergeten, maar journalist in oorlogstijd Paul Sanders verdient wel degelijk een biografie

Een rijkeluiszoon die geen bankier, maar sociaal bewogen muziekredacteur werd, zich onvermoeibaar uitsprekend tegen wat er nazi-Duitsland gebeurde: de biografie van Paul Sanders (1891-1986) toont een moedig man.

is recensent voor de Volkskrant.

Er zijn weinig beroepen waarin roem zo snel verbleekt als in de schrijvende journalistiek. Al schreef je bij leven de sterren van de hemel, al gold je als gezaghebbend – daarna is het doorgaans snel gedaan.

Vraag een millennial wie Jan Blokker was, glazige blikken zijn je deel.

Dat lot trof ook Paul F. Sanders (1891-1986), voor de oorlog werkzaam bij Het Volk, erna bij Het Parool. Toen hij op 70-jarige leeftijd met pensioen ging, ruimde zijn krant een halve pagina in – broadsheet welteverstaan. Daarin heette hijzelf ‘de begaafde Amsterdammer’, zijn loopbaan ‘schitterend’. Aan lintjes en ander eerbetoon was geen gebrek.

Nu: bijna niemand weet meer wie hij was. Het is dan ook toeval, schrijft cultuurhistoricus Claartje Wesselink, dat ze in de archieven op zijn naam stuitte, geïntrigeerd raakte en besloot een biografie aan hem te wijden. Daar heeft ze goed aan gedaan.

Luizenbaantje

Paul Florus Sanders groeit op in Amsterdam, in een welgesteld Joods gezin. Zijn vader is een succesvol bankier, die op zeker moment de Nieuwendijk kan verruilen voor de chique Jan Luijkenstraat en een weelderig kantoor laat bouwen aan het Damrak. Ook bezit hij een tweede huis in Zeist én een van de allereerste automobielen.

Zoon Paul, artistiek en muzikaal begaafd, valt zogezegd uit het nest. Weliswaar krijgt hij vioolles van de beste docenten, maar dat hij componeert houdt hij voor zijn ouders verborgen en naar het conservatorium mag hij niet. De biograaf: ‘Zij die zichzelf met succes hadden opgewerkt, wilden niet dat hun kroost zou terugzakken op de ladder.’

Jeugdreuma maakt dat een carrière als beroepsviolist er sowieso niet in zit. Na de vroege dood van zijn vader vertrekt hij eind 1913 naar het mondaine Berlijn, waar hij een luizenbaantje heeft bij een bank. Nota bene daar ziet hij zijn eerste Van Goghs. Het blaast hem zo van de sokken dat hij naar eigen zeggen geregeld de zaal moet verlaten. Hij besluit definitief om niet in zaken te gaan.

Stevig uithalen

Terug in Amsterdam probeert hij werk te vinden in de journalistiek. Bij een linkse krant, aangezien hij inmiddels, als zoveel generatiegenoten, gegrepen is door het socialisme. Dat lukt. Hij kan aan de slag als muziekredacteur bij Het Volk, waar hij in de beste sociaaldemocratische traditie de lezers tracht te verheffen. Oftewel, in de woorden van de biograaf, ‘arbeiders die zes dagen per week zwaar en smerig werk deden voor een schamel loon, maar ’s avonds in de krant lazen waarom het Concertgebouworkest ook hún wat te zeggen had’.

Benepen is Sanders’ smaak niet. Zo schrijft hij lyrisch over de Matthäus-Passion en over het knapenkoor van de Sixtijnse kapel (‘hier is de zang door niets meer aan de aarde gebonden’). Net zo makkelijk haalt hij stevig uit, bijvoorbeeld naar arbeiderskoren wier repertoire te veel ‘bier-sentimentaliteit’ en ‘vals gevoel’ bevat. De overkoepelende Bond van Arbeiderszangverenigingen roept op de recensent voortaan de toegang te ontzeggen.

Sanders komt bekend te staan als criticus die ‘geen blad voor de mond’ neemt, als ‘kundig en scherp’. Volgens een jongere collega is hij geen man die je zomaar durft aan te spreken. De lange baard die hij laat staan zal dat imago hebben versterkt. Hij raakt bevriend met iedereen die ertoe doet in het culturele wereldje – van schilder Piet Mondriaan tot conservator Willem Sandberg, van toneelleider Jan Musch tot dichter Adriaan Roland Holst. Met zijn vrouw Liesbeth, voordrachtskunstenaar en oudere zus van jeugdvriend Abel Herzberg, krijgt hij een zoon (die de biograaf nog net heeft kunnen spreken). Het huwelijk beklijft niet, de goede verstandhouding met zijn zoon wel.

Moreel kompas

Zonder twijfel het indrukwekkendst is Sanders’ politiek-morele kompas. Van meet af aan spreekt hij zich openlijk en onvermoeibaar uit tegen wat er in nazi-Duitsland gebeurt. Hij hekelt de ‘stilzwijgende adhesie’ die zovelen verkiezen boven solidariteit met de daar vervolgde Joden. Ontsteekt in woede als de Joodse dirigent Bruno Walter er niet langer mag optreden en Richard Strauss hem vervangt. Dat het Concertgebouw de laatste desondanks huldigt, vindt hij een schande.

Overhoop ligt hij ook met huisdirigent Willem Mengelberg, dan nog alom geliefd en vereerd. Dat hij rustig in Duitsland optreedt terwijl de muziek van diens held Gustav Mahler daar niet meer mag klinken – het is voor Sanders onverteerbaar. In 1936 wordt hij voorzitter van een comité dat zich keert tegen de Nederlandse deelname aan de Olympische Spelen in Berlijn. Bovendien neemt hij het consequent op voor tot ‘ontaard’ verklaarde kunstenaars als Käthe Kollwitz.

Emigratie naar de VS

Vanaf 10 mei 1940, dat spreekt, is hij vogelvrij. Hij schrijft in illegale bladen, houdt idem lezingen en overleeft in de onderduik, grotendeels bij zijn latere, tweede, niet-Joodse vrouw Hilde Surlemont. Na de bevrijding kan hij hier – net als andere Joodse overlevenden – zijn draai amper vinden. In 1947, al dik in de vijftig, vestigt hij zich voorgoed in de Verenigde Staten.

In een afscheidsinterview met zijn krant legt hij uit waaraan een criticus moet voldoen. ‘De lezers moeten het gevoel hebben dat je een levend en groeiend mens bent, waaraan zij hun eigen gedachten kunnen toetsen; je moet op vijftigjarige leeftijd anders zijn dan als jonge man van dertig, je moet je verdiepen. De inconsequentie die daarvan het gevolg is, kan alleen maar waardevol zijn. Die zienswijze leert voorzichtig oordelen.’

Bitse afwijzing

In New York wordt hij correspondent bij de Verenigde Naties. Onder veel meer is hij jarenlang voorzitter van de United Nations Correspondents Association, waardoor hij de groten der aarde ontmoet.

Zoals dat dikwijls gaat is Sanders’ tweede levenshelft beduidend minder meeslepend dan de eerste. Op aandringen van vriend Simon Carmiggelt schrijft hij op hoge leeftijd zijn memoires. Nogal bits wijst uitgeverij Querido het manuscript af. U bent kennelijk een uitmuntend journalist’, schrijft de toenmalig directeur, ‘maar geen schrijver-van-een-boek.’ Het verdwijnt in een la.

Claartje Wesselink: De strijd van Paul Sanders. De Arbeiderspers; 360 pagina’s; € 24,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next