Hasan Hadi groeide op in het Irak onder Saddam Hoessein. Door clandestien verkregen videobanden raakte hij verslingerd aan film. Nu gaat zijn debuutfilm The President’s Cake, over een meisje dat een taart moet bakken voor de jarige president, de hele wereld over.
is filmredacteur van de Volkskrant.
Het was een verplichte traditie in Irak, ook op de basisschool van Hasan Hadi. Ieder jaar wees de leraar twee leerlingen aan, kort voor de verjaardag van Saddam Hoessein: eentje om de bloemen te verzorgen en eentje om de taart te bakken. En dit ‘feestelijke eerbetoon’ aan de president kon je flink in de problemen brengen, in de kapotte economie van het land in de jaren negentig. Zeker als je ouders nauwelijks genoeg geld hadden voor eten.
‘Ik moest rozen zien te vinden’, zegt de 37-jarige Iraakse filmmaker, die zelf ooit werd gekozen om het bloemstuk te verzorgen. ‘Vriendjes van me kregen de taartopdracht. Een van hen lukte het niet om de benodigde ingrediënten te bemachtigen. Die herinnering uit mijn kindertijd vormde de inspiratie voor The President’s Cake.’
In zijn debuutspeelfilm, vanaf deze week te zien in de Nederlandse bioscopen, wordt de 9-jarige Lamia door haar onverbiddelijke docent aangewezen om de taart te bakken. En al is de oude oma van het weesmeisje bereid al haar schamele bezittingen in de strijd te werpen, dan nog zijn de benodigdheden simpelweg te veel gevraagd. Drie eieren, een kilo meel, 500 gram suiker en wat bakpoeder: alsof je een pot goud bijeen moet scharrelen.
En zo begint de tocht van Lamia, dwars door de Iraakse samenleving onder dictator Hoessein, op zoek naar de benodigde ingrediënten. Ruilend, onderhandelend en smekend, met als metgezel een klein haantje en klasgenootje Saeed, die als de door school aangewezen bloemenleverancier ook zijn problemen kent.
Een grimmig sociaal drama met nét dat benodigde beetje zoet, herinnerend aan het vroege werk van de Iraanse cineast Jafar Panahi, die in films als The White Balloon en The Mirror het perspectief van kinderen koos om het (onmogelijke) dagelijkse leven onder de islamitische dictatuur te belichten.
‘Ik wilde ervoor waken dat mijn film te somber werd’, zegt Hadi, die videobelt met de Volkskrant. ‘Al ís het leven uiteindelijk wel vaak grimmig.’
Hoe liep het af met uw klasgenootje, nadat het hem niet was gelukt een taart voor de president te bakken?
‘Nadat hij daar niet in was geslaagd, kantelde zijn lot. Mijn vriendje werd verwijderd van school en moest zich aansluiten bij Saddams ‘leeuwenwelpen’ (de jeugdbeweging die als kweekschool gold voor Saddam Hoesseins paramilitaire Fedayeen-strijders, red.). Krankzinnig, toch? Dat de loop van je leven volledig omslaat als het je niet lukt om een taart te bakken voor de schoolviering van de verjaardag van de president? Absurd. Maar zo was het.
‘Misschien is het ook uit een soort overleversschuld, dat ik dit script schreef. Want mijn schooltijd ging wel verder. Dit is pas mijn eerste speelfilm, maar ik geloof dat je een sterke spirituele connectie moet hebben met hetgeen waarover je een film maakt. Dat moet wel, want een onafhankelijk film maken (zonder de hulp van een filmstudio, red.) is een lange, eenzame reis. En als je die onafhankelijke film in Irak maakt, mag dat zelfs een wonder heten.’
Hadi verwierf een beurs die het hem mogelijk maakte in de Verenigde Staten te studeren, onder meer een masterstudie film aan de Universiteit van New York. Als filmstudent werd hij onder de hoede genomen van gevierd Hollywood-scenarist Eric Roth (Forrest Gump, The Insider, Dune), die later als executive producer meewerkte aan zijn debuut. The President’s Cake ging vorig jaar in wereldpremière op het filmfestival van Cannes, waar de Iraaks-Qatarees-Amerikaanse coproductie werd bekroond met de Caméra d’Or, de prijs voor het beste debuut. Ook werd de ‘shortlist’ voor de Oscar voor beste internationale speelfilm gehaald; zo ver kwam een Iraakse film nog nooit.
Saddam Hoesseins portret was alomtegenwoordig in het toenmalige Irak. Viel dat makkelijk te recreëren voor uw film?
‘Dat lag gevoelig. We moesten eerst toestemming vragen, bij de nodige instanties. Er kwam politiebegeleiding aan te pas, voor het geval dat mensen boos werden. Het hing ook af van de plek en situatie. Soms lieten we omstanders vooraf weten dat het om een speelfilm ging, dat we daarom al die afbeeldingen van Saddam ophingen. En soms hielden we alles juist verborgen tot kort voor we begonnen met draaien. Het trok absoluut de aandacht, soms maakte het woede los, al hadden we altijd mensen paraat die konden uitleggen wat we precies aan het doen waren.
‘Nadat we de scène met de grote parade hadden gedraaid, waarin zo’n vijfhonderd figuranten meeliepen in een optocht ter ere van Hoessein, hebben wat omstanders filmpjes op sociale media geplaatst. Daarna verschenen er plots nieuwsberichten dat aanhangers van Hoessein door de straten van Bagdad liepen. Dat werd als groot nieuws gebracht, iedereen had het erover. Het leek erop dat we de opnamen een paar dagen moesten stopzetten, maar uiteindelijk konden we toch weer door.’
Uw film toont ook het dagelijks leven in Irak onder de toenmalige sancties van de Verenigde Naties. Was dat belangrijk voor u om te tonen?
‘Ja, over sancties wordt vaak gedacht als een niet-gewelddadig, of zelfs onschuldig middel. Want het raakt enkel het regime, toch? Terwijl sancties juist gewelddadig zijn, meer nog dan puur fysieke destructie, met die raketten en bommen. De destructie van sancties is alleen niet zo zichtbaar. Je voelt het geleidelijk: het spreidt zich als kanker, die elk orgaan in een samenleving of een land aantast. En als je de sancties opheft, werken ze nog lang na. Ook nu, meer dan twintig jaar later, hebben we in Irak nog te maken met de complicaties.’
Hadi groeide op in het zuiden van Irak, in de buurt van de rivierdelta en het moeras waar zijn film zich afspeelt. Zijn ouders keken geen films, maar waren wel cultureel onderlegd. ‘Mijn vader was vertaler van boeken. Hij schreef zelf ook boeken, religieuze studies en wat journalistiek werk. Mijn moeder hielp hem daarbij.’
In de bioscopen in Irak, voor zover nog open, werd in de jaren negentig hooguit staatspropaganda vertoond. Via clandestien verkregen VHS-banden leerde Hadi iets van de wijdere wereld. ‘Mijn filmliefde begon met onze 18 inch-televisie en de videorecorder. Ik zag zoveel mogelijk, van Bruce Lee tot het werk van grote cineasten als Kurosawa en Tarkovski. Zonder ook maar een moment te denken dat ik zoiets kon worden, filmmaker. Dat kwam pas veel later.’
Hoe kwam u aan films in Irak?
‘Er was een zwarte markt. En ik smokkelde videobanden onder mijn kleren, voor familieleden en vrienden, omdat ik als klein kind niet verdacht werd. Het was geen echte markt: je ging naar een doodgewoon huis, ergens in een straat, waar iemand je dan vlug binnenliet en je naar een kamer vol VHS-banden bracht.
‘Later kwam ik erachter dat er in dat huis nóg een kamer was, met videobanden die je pas meekreeg als ze je echt helemaal vertrouwden. Eerst moest je een relatie met ze opbouwen, voordat je bepaalde films meekreeg. Alles ging op basis van vertrouwen.’
Welke titels waren illegaler dan de andere?
‘Politieke films, uiteraard. Maar ook Amerikaanse comedy’s. Eentje was echt héél gewild: de actiekomedie Hot Shots!, met Charlie Sheen, want daarin werd Saddam Hoessein gespeeld door een acteur. Dat was voor ons iets enorms. Het was in zekere zin ook opzwepend, die spanning die eromheen hing. Ergens hoop ik dat zo’n systeem ooit weer ingevoerd wordt. Dat je eerst een toegewijd kijker moet zijn, vóór je wordt toegelaten tot de gouden sectie.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant