Bestsellerauteur Malcolm Gladwell maakt theorieën uit de sociale wetenschappen toegankelijk door inzichten te vertellen via personages, anekdotes en hapklare lessen. Hij verkoopt miljoenen boeken, mensen herkennen hem op straat. ‘Je verdiepen in ideeën is een luxe die voor de meesten niet is weggelegd.’
is mediaverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.
Bestsellerauteur Malcolm Gladwell maakt theorieën uit de sociale wetenschappen toegankelijk door inzichten te vertellen via personages, anekdotes en hapklare lessen. Hij verkoopt miljoenen boeken, mensen herkennen hem op straat. ‘Je verdiepen in ideeën is een luxe die voor de meesten niet is weggelegd.’
is mediaverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.
Een afspraak maken met Malcolm Gladwell (62), een van de populairste schrijvers en podcastmakers van de planeet, heeft wat voeten in de aarde. In de weken en dagen voorafgaand aan het interview verandert de locatie telkens, van zijn huis in het stadje Hudson, twee uur ten noorden van New York, naar het hoofdkantoor van zijn podcastbedrijf Pushkin op Manhattan, naar een koffiezaak daar om de hoek en tot slot, tien minuten voor aanvang van het gesprek, naar een wolkenkrabber die One Madison Avenue heet, maar die zich verwarrend genoeg niet bevindt op dat adres, maar aan de achterzijde van dat blok.
‘Ik kom jouw kant wel op’, zegt Gladwell aan de telefoon, met zijn kenmerkende, zwoele Canadese tongval. ‘Je herkent me aan een lelijk roodblauw mutsje.’
Na een paar minuten doemt op straat uit de kluwen mensen een man met een roodblauw mutsje op. ‘Hoi, ik ben Malcolm. Zullen we maar op zoek naar een rustig café voor het interview?’
Onbevreesd steekt Gladwell de drukke kruispunten over, in de richting van Broadway. Twee jaar geleden heeft hij de drukte van de stad verlaten. ‘New York is leuk als je 30 bent’, zegt hij. Een van zijn beste vrienden, vervolgt Gladwell, komt uit de buurt van Den Haag. ‘In een rijke suburb, ik ben even vergeten hoe die heet.’
Voorburg?
‘Keep going.’
Wassenaar?
‘Wacht. Hoe spel je dat?’ Daarna: ‘Yeah, he’s from Wassenaar. Hij is een groot fan van het Nederlandse voetbal. Zelf hou ik van atletiek. Ik ben meer geïnteresseerd in Femke Bol. En is Niels Laros niet ook Nederlands?’
Nee.
‘O, misschien is hij dan toch een Belg. Laten we hier even binnen kijken.’ Hij zwaait de deur van een café open, maar staat razendsnel weer buiten. Te druk. ‘Zullen we bij een restaurant gaan kijken?’
We belanden bij Cecconi’s, een luxueus restaurant aan Broadway waar de ober het ronde tafeltje optilt zodat Gladwell er niet langs hoeft te wurmen om op de bank plaats te nemen. ‘Ik hoef alleen de toetjeskaart te zien’, zegt Gladwell als de ober zijn handen weer vrij heeft.
Een van de regels die de tengere Gladwell in zijn leven hanteert, is dat hij maar vijf substanties drinkt. ‘Ik drink geen sterke drank, in vruchtensap zit te veel suiker en ook Coca-Cola drink ik niet. Dan blijven al snel koffie, thee, melk, water en wijn over.’ Routines geven vrijheid, zegt hij. ‘Dat klinkt paradoxaal, maar hoe meer je de basale kanten van je leven ordent, hoe meer tijd je overhoudt voor de creatieve kant ervan.’
Hij bestelt een cappuccino en olijfoliecake.
Hoewel hij vandaag met rust wordt gelaten, is New Yorker-journalist Malcolm Gladwell een van de zeldzame publieke intellectuelen die in New York nog weleens wordt benaderd voor een selfie. Alleen al in Noord-Amerika verkocht hij volgens zijn uitgever het onvoorstelbare aantal van 23 miljoen boeken. Volkskrant Magazine spreekt Gladwell, wiens podcast Revisionist History ook door miljoenen mensen wordt beluisterd, naar aanleiding van We moeten het weer hebben over de tippingpoint; de Nederlandse vertaling verschijnt 18 mei.
Zijn vorige zeven boeken werden stuk voor stuk bestsellers en populariseerden concepten als de tienduizenduurregel, de notie dat je zoveel uur moet oefenen om ergens echt goed in te worden. Gladwell werd, net als Kafka, Orwell en Dickens, een schrijver wiens achternaam transformeerde in een bijvoeglijk naamwoord.
Voor de voorstanders staat ‘gladwelliaans’ voor de speelse manier waarop de schrijver theorieën uit de sociale wetenschappen toegankelijk weet te maken door ze te vertellen aan de hand van excentrieke personages, kleurrijke anekdotes en hapklare lessen.
In een boek van Gladwell, die geschiedenis heeft gestudeerd en zichzelf eens omschreef als een verteller van intellectuele avonturenverhalen, staat doorgaans één theorie centraal, zoals: waarom minder informatie tot betere beslissingen leidt, waarom groot en sterk zijn een nadeel kan zijn, of waarom het vroegtijdige verlies van een ouder juist een voordeel kan zijn.
Alom wordt hij gezien als de uitvinder van het genre ‘contra-intuïtieve boeken die de wereld verklaren’. De Amerikaanse site The Daily Beast publiceerde eens een artikel met een lijst van zestien Gladwell-wannabe’s, waaronder voormalig New York Times-columnist David Brooks. In Nederland zou je Rutger Bregman, schrijver van De meeste mensen deugen en Morele ambitie, een navolger kunnen noemen.
Net als Bregman wordt ook Gladwell bedolven onder kritiek. Op internet zijn legio artikelen te vinden met koppen als ‘Waarom je Malcolm Gladwell niet moet vertrouwen’ en ‘Waarom haten mensen Malcolm Gladwell?’ Het Engelse weekblad The Economist muntte de ‘Malcolm Gladwell-les’. Die luidt: ‘Hoe succes te hebben terwijl je recensenten irriteert.’
Volgens critici zou Gladwell ingewikkelde ideeën oversimplificeren. Hij zou zich schuldig maken aan cherrypicking door alleen de gegevens te selecteren die zijn verhaal ondersteunen. Hij zou zich ideeën van anderen toe-eigenen. Gladwells tweede boek Blink (in het Nederlands vertaald als Intuïtie), dat de ondertitel De kracht van denken zonder erbij na te denken heeft, is omschreven als ‘een boek geschreven voor mensen die geen boeken lezen’.
In het eerste seizoen van The White Lotus, een HBO-serie vol onnozele en onuitstaanbare personages, wordt Blink fanatiek gelezen door Shane Patton, het meest onnozele en onuitstaanbare personage van allemaal.
We moeten het weer hebben over de tippingpoint is een vervolg op De tippingpoint, het boek dat hem in 2000 naar een literaire sterrenstatus katapulteerde. Daarin betoogde hij dat ideeën, producten en gedragsvormen zich door de samenleving verspreiden als besmettelijke virussen. Hun populariteit ontwikkelt zich niet langzaam en geleidelijk, schrijft hij, maar explodeert op één moment: de tippingpoint, het kantelpunt, een andere term die hij in het dagelijkse taalgebruik heeft verankerd.
Epidemieën houden zich, schreef Gladwell, aan drie regels. Volgens de wet van de enkelingen is een klein groepje mensen – zogenaamde verbinders, kenners en verkopers – verantwoordelijk voor een groot deel van de verspreiding. Volgens de beklijvende factor kan een kleine aanpassing in een presentatie, bijvoorbeeld het toevoegen van een pakkende slogan, een groot verschil maken. En volgens de kracht van de context is niet zozeer het karakter van een persoon van belang, als wel de omstandigheden waar die zich in bevindt – zie ook het ‘omstandereffect’.
Aan de hand van die regels verklaarde hij in het boek onder meer het succes van de New Yorkse politie bij het terugdringen van criminaliteit, dat van het televisieprogramma Sesamstraat bij het bestrijden van analfabetisme en dat van de patriot Paul Revere bij het Amerikaanse verzet tegen de Britten tijdens de Amerikaanse Revolutie.
‘Ik denk dat De tippingpoint zo populair werd omdat het een vrolijk boek was over vaak positieve ontwikkelingen, en dat goed aansloot bij de tijdgeest,’ zegt Gladwell. ‘Eerst wilde ik in mijn nieuwe boek terugblikken op die casussen. Maar dat voelde ongepast omdat het humeur van de wereld zo is veranderd. Dus besloot ik nieuwe, somberder stemmende fenomenen te onderzoeken.’
In We moeten het weer hebben over de tippingpoint schrijft Gladwell dat de kernmechanismen van tippingpoints ook voor destructieve doeleinden kunnen worden ingezet: hij onderzoekt onder meer epidemieën van bankovervallen, zelfmoorden onder tieners, zorgfraude en opiatengebruik. Maar hij betoogt ook dat de tv-serie Will & Grace de geesten heeft gerijpt voor het homohuwelijk. Én hij onderzoekt de bestaansreden van het vrouwenrugbyteam op Harvard.
Gladwell beschrijft een druilerige dag waarop vrouwen van Princeton en Harvard tegen elkaar rugbyen. Toeschouwers zijn er vrijwel niet. En hij vraagt zich af: waarom heeft Harvard in hemelsnaam een vrouwenrugbyteam?
‘Iemand vertelde me eens dat elite-universiteiten van alle universiteiten het hoogste percentage atleten hebben,’ zegt Gladwell. ‘Dat vond ik fascinerend, want dat leek zo paradoxaal. Ik dacht dat ze juist het laagste percentage zouden hebben. Daarna kwam ik erachter dat elite-universiteiten niet alleen aan de meeste sportcompetities meedoen, maar dat ze ook nog eens nieuwe sportteams op blijven richten. Ik besloot uit te zoeken waarom ze dat doen.’
Zijn zoektocht beschrijft hij als een detectiveverhaal. ‘Ik ben een groot fan van mysteries. Dat beïnvloedt mijn manier van schrijven. Ik houd ervan om samen met de lezer een puzzel of misdaad op te lossen.’
Bij het vrouwenrugbyteam houdt hij eerst de officiële verklaringen tegen het licht. De toelatingsdecaan zegt dat Harvard zo veel sporters toelaat, ook als hun cijfers eigenlijk niet hoog genoeg zijn, omdat ze een ‘gemeenschapsgevoel’ creëren. Dat is natuurlijk onzin, schrijft Gladwell. Naar sporten als rugby komt bijna niemand kijken.
Omdat er ook weinig vrouwen zijn die rugby spelen, moeten ze over de hele wereld worden gerekruteerd. Deze obscuriteit, schrijft Gladwell, is precies de reden dat voor Harvard de sport – net als zeilen, schermen en waterpolo – zo waardevol is. Want de paar vrouwelijke rugbyers die wel op niveau spelen, zijn vrijwel allemaal rijk en wit.
Bij universiteiten die een puur meritocratisch toelatingsbeleid hanteren, vervolgt Gladwell, schommelen de verhoudingen veel meer. Neem Caltech, een universiteit in Californië die topsporters of de kinderen van alumni of rijke donateurs geen voorrang geeft. Daar steeg het percentage Aziatisch-Amerikaanse studenten van 25 procent in 1992 naar 42 procent in 2013. Bij Harvard daalde het in diezelfde periode van 19 naar 18 procent.
Het sportbeleid van Harvard heeft niet tot doel om het gemeenschapsgevoel te versterken, concludeert Gladwell, maar om het witte karakter van de universiteit te handhaven en de tippingpoint van Aziatische studenten te voorkomen.
Een gewaagde conclusie. Over deze nieuwe verzameling theorieën zijn de meningen dan ook stevig verdeeld. Het Engelse dagblad The Guardian roemt het 'verslavende karakter en de helderheid’ van het ‘fascinerende en prikkelende’ boek.
The New York Times is minder enthousiast. De recensent omschrijft het boek als ‘zelfhulp zonder praktisch advies, storytelling zonder literaire kwaliteit, non-fictie zonder wezenlijke waarheden, entertainment zonder plezier, een thriller zonder echte spanning en een managementboek zonder toepasbare inzichten’.
Vond u dat er in de recensies legitieme kritiek stond?
‘Ik ben altijd een beetje verbaasd over de vijandigheid die ik bij mijn vakgenoten bespeur. Als ik iemand ontmoet die succesvol is, ben ik blij voor die persoon.
‘Ik krijg zo zelden positieve recensies dat ik mijn interesse in ze een beetje ben verloren. Het is maar de mening van één persoon.
‘Kijk, het aantal critici is alleen maar een indicatie van het aantal fans. Stel dat 80 procent van je lezers van je boeken houdt, en 20 procent haat ze. Als je tien lezers hebt, zitten er twee kritische tussen. Dat is verwaarloosbaar. Je komt er waarschijnlijk niet eens achter dat je kritische lezers hebt. Maar als je er tien miljoen hebt, dan heb je twee miljoen kritische lezers. Dat is de populatie van een stad. Maar wat heb je liever? Twee kritische lezers of twee miljoen? Dat laatste natuurlijk.
‘Op de een of andere manier zijn recensenten vooral geïnteresseerd in hoe ik mezelf en mijn werk presenteer. Waarom hebben ze het niet over mijn ideeën? Die zijn toch interessant?’
Ze hebben het toch ook over uw ideeën? The Wall Street Journal schrijft dat uw beweringen vooral achteraf blijken te werken. ‘Als Will & Grace het homohuwelijk acceptabel zou maken, waarom heeft hij ons dat dat niet vooraf, in zijn eerste boek verteld?’ En: ‘Meneer Gladwell wil dat de wereld geordend en voorspelbaar is. Helaas is die dat niet.’
‘Wat is hier nou de lol van? Het bedenken van dit soort theorieën levert plezier op. Natuurlijk is dat verhaal over Will & Grace speculatie. Gaan we er ooit met honderd procent zekerheid achter komen waarom Amerikanen van mening zijn veranderd? Natuurlijk niet, maar ik dacht: laat ik met een interessante verklaring komen. Doe ermee wat je wil.
‘Liever bedenk ik een theorie en als die onzin blijkt te zijn, geef ik ’m op. Waar ik niet van houd, zijn mensen die niet eens een theorie hébben.’
U heeft weleens gezegd dat u liever interessant bent dan accuraat.
‘Geobsedeerd zijn door het bij het juiste eind hebben, beperkt je vrijheid, de mogelijkheid met een idee te spelen. Dat is een recept voor intellectuele stagnatie. Wie ervoor openstaat om het verkeerd te hebben, kan veel creatiever zijn.’
Fouten toegeven doet Gladwell makkelijk. ‘Het hoofdstuk in De tippingpoint over de dalende criminaliteitscijfers in New York zou ik nu niet meer zo schrijven,’ zegt hij.
In dat hoofdstuk betoogde Gladwell dat ook misdaad zich op epidemische wijze verspreidt. Kleine overtredingen – zoals graffiti, afval op straat, een gebroken ruit – kunnen een kettingreactie van vandalisme en criminaliteit in gang zetten, schreef hij.
Na publicatie van het boek werd het zogenoemde ‘stop-and-frisk-beleid’ van de New Yorkse politie sterk uitgebreid. Daarbij werden in de loop der jaren miljoenen – vooral zwarte – jongeren preventief gefouilleerd. De misdaad in New York daalde spectaculair.
Toen een rechter dit beleid als ongrondwettelijk bestempelde en de politie ermee moest stoppen, vreesden velen – onder wie Gladwell – dat de criminaliteit weer zou exploderen. Het tegendeel bleek waar: de criminaliteit daalde juist nog verder.
‘Ik was naïef,’ zegt hij nadat de olijfoliecake is opgediend. ‘Ik schreef over een fenomeen – de dalende criminaliteitscijfers – dat nog maar net was begonnen en verwarde causaliteit met correlatie. Ik beschikte nog niet over het volledige perspectief. Het fundamentele idee achter de broken window theory vind ik nog steeds legitiem. Maar ik realiseer me nu dat het letterlijk over gebroken ruiten gaat. Het gaat over mensen die hun eigen omgeving in orde houden, hun ruitjes repareren.
‘Het gaat niet over hardhandig optreden van de politie. Ik denk dat subtiel politieoptreden – het sussen van ruzies, laten zien dat je aanwezig bent om orde te handhaven – uiteindelijk beter werkt.’
Laat dit niet zien dat verkeerde theorieën ook verstrekkende consequenties kunnen hebben?
‘Ik denk niet dat non-fictieboeken geschreven door dertigers die voor The New Yorker werken, de tijdgeest fundamenteel kunnen bepalen.’
Is de les van De tippingpoint niet dat kleine dingen grote gevolgen kunnen hebben?
‘Dat betekent niet dat mijn kleine ding grote gevolgen had. Ik initieerde geen intellectuele beweging, ik beschreef er een. De bedenkers van de broken windows-theorie werkten in de jaren daarvoor al nauw samen met de New Yorkse politie.’
Wat vond u ervan om uw boek in The White Lotus te zien?
‘Ik vond het fantastisch. Ik houd van die show. Ik vond het ook geweldig dat iedereen de vent haatte die het boek aan het lezen was. Hij is hilarisch.’
‘Gladwell is het soort schrijver dat je je slim laat voelen als je zijn boeken leest, of je dat nu bent of niet’, zei Mike White, de bedenker van de serie, in The Wall Street Journal.
‘Dat zie ik als een enorm compliment. Boeken horen je je toch ook slim te laten voelen? Ik lees nu een boek over de atoombom van Richard Rhodes. Het gaat over scheikunde, natuurkunde, Einstein, Niels Bohr. Voel ik me slim als ik dat aan het lezen ben? Ja. Veel slimmer dan ik werkelijk ben? Ja.
‘Je uitgebreid verdiepen in bepaalde ideeën is een luxe die voor de meeste mensen om voor de hand liggende redenen niet is weggelegd. Ze hebben gezinnen te onderhouden en werk waar ze naartoe moeten. Ik heb het voorrecht dat ik kan proberen ideeën in toegankelijke, versimpelde vorm toch met ze te delen.’
De Nederlandse historicus Mathieu Segers noemde populariteit een tegenstander van kennis, omdat populariseren versimpelen is, het afvlakken van nuances.
Met de pinkzijde van zijn rechterhand slaat hij op tafel: ‘Het is een spectrum. Hier, aan dit uiteinde bevindt zich de expert. Die schrijft voor een klein, academisch publiek.’ Hij plaatst zijn linkerhand tegenover zijn rechter. ‘En hier, aan het andere uiteinde, zit de superpopulaire duider. Wat ik wil bereiken, is dat mensen over dat spectrum bewegen, een beetje meer richting de expert.
‘Ik denk dat mijn boeken zich zo’n beetje in het midden van het spectrum bevinden. Ik hoop dat als lezers het hoofdstuk over de superspreader hebben gelezen, ze een verhaal over virussen de volgende keer iets beter begrijpen – en daarna besluiten er nóg een boek, een iets moeilijker boek, over te lezen.
‘Het probleem met het verhaal van de Nederlandse historicus is dat hij ervan uitgaat dat je blijft op de plek van het spectrum waar je het idee bent tegengekomen. Dat is niet zo. Je leert je kinderen kinderrijmpjes, en op een dag blijken ze ineens Dickens te lezen. Maar er is een verband tussen de kinderrijmpjes en Dickens. Het een is een voorwaarde voor het ander.’
In zijn eigen jeugd was Gladwell, zoon van een Britse vader en Jamaicaanse moeder, een rebel in een gezin waar dat ongevaarlijk was. Hij groeide in de jaren zeventig op in ‘de meest idyllische, saaie en veilige omgeving’ denkbaar, een plattelandsdorpje in de Canadese provincie Ontario.
Toen de geliefde directeur van zijn school zou worden overgeplaatst, organiseerde Gladwell met vrienden onder schooltijd bij het gemeentehuis een protest, inclusief borden met dramatische quotes van Shakespeare. Nadat zijn moeder vanwege een andere stunt door de schoolleiding werd gebeld, zei ze zich pas zorgen te maken als haar zoon níét rebels zou zijn.
Gladwell leert ook zijn kinderen, uiteraard aan de hand van een van zijn theorieën, dat ze zich niet bij de status quo hoeven neer te leggen. ‘Na het avondeten maak ik voor mijn 4-jarige dochter vaak een smoothie. Als ze zegt dat ze die niet lekker vindt, zeg ik tegen haar dat dat alleen maar betekent dat we nog niet klaar zijn. Dus giet ik de smoothie terug in het apparaat, sleutelen we een beetje aan het recept en proberen we het nog eens.’
Dit is een theorie, zegt Gladwell, een manier om betekenis te geven aan een activiteit. ‘Zij had een theorie: als het uit de blender komt, is het af. Ik zeg: verkeerde theorie. Als het uit de blender komt, begint het pas. Nu schenk ik maar een klein beetje voor haar in, waarna ze het proeft als een sommelier. ‘Papa, het is nog niet goed’, zegt ze dan, waarna ze wat bosbessen of aardbeien toevoegt.’
Wordt ze daar niet verwend van?
‘Het klopt wel dat ze nu bijna nooit meer zegt dat ze de smoothie lekker vindt. Maar veel belangrijker vind ik dat ze leert te begrijpen dat je onderdelen van de wereld die je niet leuk vindt, kunt repareren. Ik vind het belangrijk dat mijn dochter leert dat ze dingen kan veranderen.’
Gladwell zelf was een politiek betrokken student: op zijn kamer hing een poster van Ronald Reagan; in het linkse Canada kon je je alleen echt afzetten door conservatief te zijn. Zijn journalistieke carrière begon hij bij het conservatieve tijdschrift The American Spectator, maar daar kon hij als net-afgestudeerde niet wennen aan het 9-tot-5-ritme, dus werd hij al na enkele maanden ontslagen.
Hoewel hij nog nooit een krantenartikel had geschreven, werd hij in 1987 door een gelukkige samenloop van omstandigheden aangenomen door een van de meest prestigieuze kranten van het land, The Washington Post. Daar leerde hij het vak van onder meer de beroemdste onderzoeksjournalist van de 20ste eeuw, Bob Woodward, en de huidige hoofdredacteur van The New Yorker, David Remnick.
‘Ik realiseerde me daar al snel dat het geen zin had om goed te zijn in dingen waar veel anderen ook goed in zijn. Je wordt een succes bij een organisatie door goed te zijn waar niemand anders goed in is. Waarom zou ik een fantastische schrijver van nieuwsverhalen willen worden? Daar zijn er al miljoenen van.’
Wanneer begon u met uw kenmerkende stijl?
‘Bij The New Yorker, waar ik in 1996 ging werken. Voor The Washington Post schreef ik veel over wetenschap, maar de krantenartikelen zijn zo kort dat ik niet echt de ruimte had om af te dwalen.
‘In de beginjaren bij The New Yorker kwam je ermee weg als je een verhaal van 10 duizend woorden inleverde. Toen realiseerde ik me: dit is een kans. Nu kan ik meerdere verhalen tegelijk vertellen.’
U wordt gezien als de uitvinder van een genre. Bent u dat ook?
‘Ik heb de stijl die veel hedendaagse non-fictieschrijvers hanteren gepopulariseerd, maar zeker niet uitgevonden. Een van de boeken die me heeft beïnvloed is The Person and the Situation, uit 1991, van de psychologen Lee Ross en Richard E. Nisbett. Zij schreven al op de manier waarop ik nu schrijf, maar dan voor een academisch publiek.’
Sinds 2016 verschijnen er nog maar sporadisch artikelen van Gladwell in The New Yorker. In dat jaar begon hij met de podcast Revisionist History, waarin hij de geschiedenis ‘een tweede kans’ geeft. Gebeurtenissen die volgens hem verkeerd begrepen zijn, houdt hij daarin opnieuw tegen het licht.
In de eerste aflevering betoogt hij aan de hand van het schilderij The Roll Call, van de Britse schilder Elizabeth Thompson (1846-1933), dat na het succes van een lid van een minderheid de discriminatie van die groep niet vermindert, maar juist verergert.
‘Ik was me ervan bewust dat ik mezelf moest heruitvinden om relevant te blijven’, zegt Gladwell. ‘Daarom begon ik met de podcast.’
Zegt het iets zorgwekkends over de staat van het boek dat de populairste non-fictieschrijvers, zoals u en Michael Lewis, steeds meer tijd aan podcasts besteden?
‘Veel mensen die vroeger een boek lazen, willen nu ergens naar luisteren. Dat is geen teken van de apocalyps. Dat is een teken van veranderende voorkeuren. En het is de taak van de boekenschrijver om met de tijd mee te gaan. Ik denk dat sommige mensen in de boekenwereld tezeer zijn gehecht aan het idee dat een boek een fysiek product is.’
U heeft in interviews gezegd dat mensen ingewikkelde ideeën veel beter lezend tot zich kunnen nemen, dan luisterend.
‘Daarentegen is het via audio weer veel makkelijker om emoties over te brengen. Audio en het geschreven woord hebben elk hun eigen krachten.’
Hebben we in deze tijd niet minder behoefte aan emoties en meer aan ingewikkelde ideeën?
‘Ik zeg ook niet dat we via audio überhaupt geen ideeën kunnen overbrengen. Het is gewoon moeilijker. Denk aan een tabel vol statistieken. Hoe werkt dat in audio? Je kunt die statistieken niet voorlezen. Dan verlies je mensen. Dus moet je ze voorlezen op een manier die de aandacht vasthoudt, maar waarbij je een deel van de details verliest.’
Heeft u het idee dat het gesproken woord het geschreven woord aan het verdrijven is?
‘Langzamerhand worden we meer een orale samenleving. Aan de andere kant lezen we nu meer dan ooit, toch? We lezen de hele dag door op onze telefoon. De gemiddelde 25-jarige leest nu veel meer woorden op een dag dan een 25-jarige dertig jaar geleden.’
Nu klink ik als een snob, maar zit er geen verschil tussen het lezen van een Instagram-bericht en Anna Karenina?
‘Ik denk dat dat een goed punt is. Écht lezen vereist meer intellectuele inspanning. Maak ik me zorgen dat we dat een beetje aan het verliezen zijn? Ja, een klein beetje.’
Als Gladwell opstaat om de rekening te vragen, zegt de journalist dat de krant betaalt. Gladwell: ‘Je doet nu heel Nederlands.’
Het zou toch eerder Nederlands zijn als ik zou voorstellen om de rekening te splitsen?
‘Het belang dat je aan principes hecht, is heel Nederlands. Denk je niet?’
Zo heb ik er nog nooit over nagedacht.
‘Misschien heb ik het mis. Ik vind jouw land trouwens ongelofelijk fascinerend.’
Waarom?
‘Het is een van de bijzonderste landen op aarde. Als je de successen ziet die jullie boeken op het gebied van tech, biotech en sport, zou je denken dat er 100 miljoen mensen wonen. Maar Nederland is minuscuul.’
Heeft u een theorie over dat succes?
‘Nee, die zou jij moeten hebben, jij woont daar. Ik ga trouwens nog even kijken waar Niels Laros vandaan komt. Ik dacht echt dat hij uit Nederland kwam.’ Hij pakt zijn telefoon erbij. ‘Hij komt uit Nederland! Dit is de beste jonge hardloper van de wereld, en je weet niet eens dat hij uit Nederland komt. Shame on you!’
3 september 1963 Geboren in Fareham, Engeland.
1969Verhuist naar Ontario, Canada.
1984Bachelor geschiedenis aan Universiteit van Toronto.
1987-1996The Washington Post.
1996-nuThe New Yorker.
2000The Tipping Point (vertaald als De tippingpoint).
2005Blink (vertaald als Intuïtie).
2008Outliers (vertaald als Uitblinkers).
2009What the Dog Saw (vertaald als Wat de hond zag en andere avonturen).
2013David and Goliath (vertaald als David en Goliath).
2016-nuPodcast Revisionist History.
2019Talking to Strangers (vertaald als Praten met vreemden).
2021The Bomber Mafia (vertaald als De bommenwerpermaffia).
2024Revenge of the Tipping Point (vertaald als We moeten het weer hebben over de tippingpoint).
Malcolm Gladwell woont met zijn vrouw en twee kinderen in Hudson, New York.
Malcolm Gladwell: We moeten het weer hebben over de tippingpoint. Uitgeverij Pluim; 352 pagina’s; € 27,99.
Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant