De Verenigde Staten hadden in april de grootste prijsstijging in bijna drie jaar tijd. Kosten voor producten en diensten lagen die maand 3,8 procent hoger dan een jaar eerder. Dat komt vooral door duurdere brandstofprijzen als gevolg van de oorlog in het Midden-Oosten.
De oorlog die de Verenigde Staten is begonnen in Iran heeft geleid tot een flinke stijging van olie- en gasprijzen. Dat beginnen Amerikanen nu ook in hun portemonnee te voelen.
In maart, toen de oorlog net uitbrak, was de inflatie 3,3 procent ten opzichte van een jaar eerder. In april liep de inflatie verder op naar 3,8 procent. De laatste keer dat de prijzen zo hard stegen, was in mei 2023.
Zonder de kosten van energie en voedsel was de inflatie in april 2,8 procent. Benzine kostte in april 28 procent meer dan een jaar eerder. De prijs van stookolie steeg met 54 procent.
Zolang de Straat van Hormuz gesloten blijft voor de meeste scheepvaart, betalen handelaren grof geld voor een vat olie. Het zijn vooral de olieproducenten en olieverwerkers die daarvan profiteren, meldde Autoriteit Consument & Markt maandag.
Op de lange termijn betekenen de hoge brandstofprijzen dat producten nog duurder kunnen worden. Bedrijven rekenen de kosten voor bijvoorbeeld vervoer uiteindelijk door aan consumenten. Mogelijk drukt dat het koopgedrag van de Amerikanen, wat slecht is voor de economie.
De centrale bank van de Verenigde Staten zal de huidige rente van 3,50 tot 3,75 procent niet verlagen, zoals de Amerikaanse president Donald Trump graag wil. Verschillende beleidsmakers binnen de Federal Reserve hebben aangegeven dat renteverhogingen nodig zijn om de stijgende prijzen aan te pakken.
Het streven van de bank is een inflatiecijfer van 2 procent. Een lagere rente kan tot meer inflatie leiden.
Source: Nu.nl economisch