Lalla Weiss
Spreker 4 mei-herdenking
Als jongste kind van haar vader Hannes werd Lalla Weiss zijn ‘uitlaatklep’: hij vertelde haar wat er in de oorlog met de Sinti en Roma was gebeurd. Ze beloofde hem die verhalen door te vertellen. Op 4 mei spreekt ze op de Dam.
Na de twee minuten stilte op de avond van 4 mei krijgt Lalla Weiss drieënhalve minuut het woord. Op de Dam in Amsterdam zal ze vertellen over wat de Roma en Sinti is aangedaan door de nazi’s. Hoe ze werden geïsoleerd, gedeporteerd naar Westerbork en uiteindelijk vermoord in Auschwitz. Een half miljoen Roma en Sinti uit Europa, 245 uit Nederland, de meesten nog geen 16 jaar oud.
Ze had het Nationaal Comité 4 en 5 mei al een paar keer eerder gevraagd om te spreken. Niet dat ze per se zelf op dat podium wilde, het ging erom dat 81 jaar na de Tweede Wereldoorlog iemand „van ons volk” een keer het woord zou voeren. In 2025 had Femke Halsema, de burgemeester van Amsterdam, in haar jaarlijkse Dam-toespraak de Sinti en Roma als éérste genoemd als slachtoffers van de genocide in de Tweede Wereldoorlog, en daarna pas de Joden, de homoseksuelen, de lichamelijk of geestelijk beperkten. Dick Schoof daarentegen, de minister-president, had in zijn rede met geen woord over hen gerept. Lalla Weiss heeft hem een brief laten sturen, opgesteld door een bevriend jurist, en toen werd ze uitgenodigd bij hem op het ministerie en heeft hij haar zijn excuses aangeboden.
Dat zij nu het woord krijgt, ligt voor de hand. Al sinds 1989 is zij de woordvoerder namens de Sinti als het over het oorlogsverleden gaat, ook namens de Roma. Tot zijn dood in 2011 deed ze het samen met haar vader Hannes. Ze kregen voor elkaar dat zij ook een krans mochten leggen tijdens dodenherdenking op de Dam. Voor het eerst in 1996, ze hebben het een paar jaar samen gedaan, zegt ze. „Daarna kon mijn vader het niet meer opbrengen. De gang van de Nieuwe Kerk naar het monument, tussen al die soldaten, de uniformen, de wapens.” Tweeëntwintig leden van haar vaders familie zijn vermoord, aan moederskant zijn het er vierentwintig. Haar vader haatte uniformen, zegt ze. „Zelfs de postbode verdroeg hij niet.”
Lalla Weiss (64) woont in Best, in een huis. Ze wilde haar vier kinderen een betere kans geven in het leven, zegt ze, en dan helpt het als je adres niet „Terraweg” is, de locatie van het woonwagencentrum. De schuttingdeuren achter in de tuin heeft ze weggehaald. Vrij uitzicht op het water en de dijk erachter.
Ze wisselt filtersigaretten af met zelf gerolde en zucht diep bij de vraag waar ze het in haar drieënhalve minuut over wil hebben. Zal het gaan over het leed van haar volk, dat van haar vader, of durft ze na al die jaren te zeggen dat het ook haar leed is geworden? „Ik wéét het nog niet.”
Zanger Ali B. heeft in 2015, „toen hij nog niet besmet was”, een bevrijdingslied geschreven geïnspireerd op de oorlogsjaren van Hannes Weiss. Hij was vijftien jaar oud toen op 16 mei 1944 de jacht op ‘zigeuners’ in Nederland begon. Zijn vader was al overleden, zijn oudere broer ziek, hij was de man thuis. Met zijn moeder, vijf broertjes en zusjes plus een neefje dat bij hen logeerde, doken ze onder in een schuur van een boer in Zutphen. „De kinderen kregen honger en hij ging erop uit om eten te organiseren.” Hij werd opgepakt, gemarteld en vastgezet op het politiebureau. Zijn moeder raakte zo ongerust dat ze zich met haar kinderen bij de politie kwam aangeven.
Eén goede politieagent heeft het gezin gered. „Op het station in Assen zei hij hen níét in de volle trein naar Westerbork te stappen, maar in die aan de ándere kant van het perron.” Tot het einde van de oorlog verstopten ze zich in een melkfabriek in Vorden.
„Mijn vader zei altijd: ‘Wij zijn niet bevrijd geworden’.” Woonwagens waren vernietigd, de kampen geruimd en er was geen Nederlandse instantie waar Roma of Sinti terechtkonden voor hulp. „Onze mensen verbleven in de bossen.” De Veluwe vooral. Haar ouders ontmoetten elkaar in de jaren vijftig, al reizend tussen de kampjes die langzamerhand weer werden gevormd. Ze kregen zeven kinderen, Lalla (Zielwa is haar Sinti-naam) is de jongste en zij werd de „uitlaatklep” van haar vader.
Haar vertelde hij wat er in de concentratiekampen met ‘hun mensen’ was gebeurd. Voor hen was een plek afzonderlijk ingeruimd, pal naast de gaskamers. Mannen, vrouwen, kinderen samen – dat was een uitzondering. „Die foto van kinderen bij het prikkeldraad, met dat ene meisje dat haar onderarm laat zien? Sinti-kinderen.” Het meisje met hoofddoek dat tussen de deuren kijkt van de goederenwagon op weg naar Auschwitz? Settela Steinbach – „ook een Sintezza”, zegt Weiss. „Onze Anne Frank.”
De Sinti en Roma in Auschwitz werden niet meteen vermoord, dat gebeurde toen er in 1944 acuut plaatsgemaakt moest worden voor een transport van Hongaarse Joden. Tot die tijd werden ze onderworpen aan metingen en medische experimenten; het nazi-onderzoek leverde het bewijs dat de oorsprong van Sinti en Roma in India ligt en dat hun talen (Sinti-Romanes en Romani) verwant zijn aan het Sanskriet.
De aversie tegen rondreizende bevolkingsgroepen was er al eeuwen vóór de oorlog. In 1420, toen ze voor het eerst werden gesignaleerd in Nederland, in Deventer, werden ze nog ‘Egyptenaren’ genoemd, later werd dat heidenen, en nog weer later zigeuners. In 1944 werd door Nederlandse burgemeesters al openlijk gesproken van een ‘zigeunerplaag’. „De razzia’s werden niet uitgevoerd door de nazi’s, maar door Nederlandse politieagenten. Dat maakt het zo pijnlijk.”
Bijna niemand zegt nog ‘zigeuner’, zegt Lalla Weiss, en zij heeft daaraan bijgedragen. Zij is er trots op dat mensen nu weten wie de Sinti zijn.
Ze was 9, zegt ze, en altijd als haar vader niet kon slapen, vertelde hij haar over „wat er met ons was gebeurd” en zij beloofde hem toen dat zij zijn verhalen zou doorvertellen. Ze herinnert zich hoe hij zo boos kon worden dat er vlokjes schuim uit zijn mond vlogen. „Hem zouden ze nooit meer te grazen nemen en zijn familie ook niet.”
Hij stelde zijn zeven kinderen op in het gelid, inclusief haar zwaar gehandicapte broer. Ieder met een wapen. „In de wielen van onze woonwagen zaten landmijnen verstopt.” En dan? „Dan werden we gedrild, en eens per jaar, op oudejaarsdag, mochten we vuren.” Ze staat op om haar broekspijp op te rollen en de littekens op haar been te laten zien. „Schampschot”, zegt ze. Ze was te klein, of het wapen was te zwaar, dat kan ook. „Mijn moeder stond er altijd bij te lachen. Later begreep ik dat het geen vrolijkheid was wat ik zag, maar zenuwen.”
Zij was als meisje een van de weinigen op het woonwagenkamp in Best die lezen en schrijven hadden geleerd. Mensen kwamen naar haar om haar brieven te laten schrijven naar de Duitse regering om aanspraak te maken op een Wiedergutmachungs-compensatie. Haar vader en zij zorgden ervoor dat niet alleen de Joden maar ook zij excuses kregen van de Nederlandse regering voor de kille naoorlogse behandeling. De regering-Kok trok in 1999 30 miljoen gulden uit voor steun aan slachtoffers en hun familie.
Het verhaal dat Lalla Weiss beloofde door te vertellen, leverde al een tentoonstelling op, De lange schaduw van het verleden in voormalig kamp Westerbork. Een theatervoorstelling, Rugzak vol wantrouwen, waarmee scholen worden bezocht. Jarenlang was erkenning zoeken en vinden een dagtaak voor Lalla Weiss, naast haar baan als maatschappelijk werker.
Nu werkt ze in een lunchroom en houdt het oorlogsverleden haar bij vlagen bezig. Altijd rond 4 en 5 mei, soms stompt het haar in het gezicht, zoals laatst in Eindhoven. „Staat er in de winkelstraat een bord. Zo’n billboard. Staat erop: ‘Ben jij de volgende Hitler?’. Zij mét dat bord de winkel in. Spugend van woede. Welke gek heeft dat buiten gezet en wisten ze wel wat die man haar familie had aangedaan? Het bleek een advertentie voor Secret Hitler, een bordspel.