De aandacht voor jeugdtrauma is groter dan ooit, ziet hoogleraar Christiaan Vinkers. Hij schreef een boek over jeugdtrauma waarmee hij zich afzet tegen de goeroes die zich rond dit onderwerp begeven. Makkelijke oplossingen biedt hij niet, wel hoop: ‘Een mens is meer dan zijn trauma.’
is chef van Volkskrant Magazine. Hij schrijft het liefst een mengeling van beschouwing en reportage.
Wie met littekens opgroeit, kan verder groeien. Dat is de boodschap die Christiaan Vinkers, psychiater en hoogleraar stress en veerkracht bij het Amsterdam UMC, wil meegeven aan mensen. ‘We zijn meer dan ons jeugdtrauma’, zegt hij. ‘Dat zeg ik niet om te paaien, maar ik zie het op de polikliniek. Zoveel mensen krijgen rotzooi te verduren in hun jeugd: verwaarlozing, misbruik, mishandeling. En toch weten ze er wat van te maken. Daar heb ik diepe bewondering voor. Dat betekent niet dat ze niet meer worstelen. De weg naar herstel is kronkelend. En sommige mensen houden hun hele leven superheftige klachten.’
Hij wil een reëel optimisme bieden, zegt hij, in een werkkamer van GGZ inGeest. ‘Je kunt niet door therapie ineens een heel ander mens worden. Maar stel, door een gebrek aan liefde in je jeugd kun je moeilijk mensen vertrouwen. En dan lukt het je, mede dankzij therapie, om een betekenisvolle relatie op te bouwen, met een partner of een paar goede vrienden. Waardoor je algeheel minder wantrouwend wordt naar anderen. Dat maakt een fundamenteel verschil in hoe je je leven leidt. Ik gebruik vaak de metafoor van een olietanker. Als je maar een paar graden van koers verandert, eindig je uiteindelijk op een ander continent.’
Het idee voor een boek over jeugdtrauma kwam tot hem toen Vinkers op een zondagavond in augustus 2022 naar VPRO Zomergasten keek. Tegenover Janine Abbring en bovenop een in water verzonken caravan zat Bessel van der Kolk, de in Amerika wonende psychiater die bekend is van zijn boek The Body Keeps The Score, vertaald als Traumasporen. ‘Hij vertelde over de centrale these van zijn boek: dat trauma letterlijk wordt opgeslagen in het lichaam’, zegt Vinkers. ‘Maar die stelling is wetenschappelijk gezien niet houdbaar. Tot op zekere hoogte is het waar dat trauma lichaam en geest beïnvloedt. Maar dat is veel grilliger en onvoorspelbaarder dan Van der Kolk doet voorkomen. Ik keek ernaar en dacht: er mag wel wat meer epistemische bescheidenheid komen. Maar dat woord ga je natuurlijk nooit in de krant schrijven.’
Wel als je het uitlegt.
‘Ik bedoel wat meer bescheidenheid over wat we weten, en wat we niet weten. Ik zou willen dat een wetenschapper wat meer twijfel laat doorklinken, anders wordt hij al gauw een soort goeroe. Er waren in die tijd een reeks van dat soort momenten, artikelen en interviews in de krant, podcasts die ik luisterde, video’s die ik op sociale media zag. Telkens dacht ik: goed dat het onderwerp jeugdtrauma meer zichtbaarheid krijgt, maar het zit net anders. Op de een of andere manier kom ik altijd terecht bij dit soort boeken. Mijn eerste boek ging over de zin en onzin van antidepressiva. Daarna de zin en onzin van burn-outs. En nu dus de zin en onzin van jeugdtrauma.’
Het boek waar toen de kiem voor werd gelegd, ging Littekens uit je jeugd heten, kwam begin dit jaar uit en staat op het moment van het interview, begin april, al vier weken in de Bestseller Top 60. Tijdens de Boekenweek was het een van de meest gelezen boeken van Nederland. Er blijken nogal wat mensen te zijn die een antwoord willen op de vraag uit de ondertitel: Hoe jeugdtrauma je vormt – en hoe herstel mogelijk is. Maar makkelijke antwoorden zullen ze van Vinkers niet krijgen, zegt hij. Met een lach: ‘Voor elk complex probleem is er een simpele oplossing die onjuist is.’
De interesse voor jeugdtrauma is de laatste jaren enorm toegenomen, constateert ook Vinkers. In interviews, niet in de laatste plaats in Volkskrant Magazine, laten bekendheden hun trauma’s gewillig ontleden. Er is een bloeiende markt van trauma-coaches en therapeuten, wat Vinkers omschrijft als de ‘belofte-economie: het aanbod van hoop’. Op TikTok en Instagram is er een schier oneindige hoeveelheid filmpjes te vinden onder noemers als #traumahealing en #traumadumping. Wie zich online in trauma verdiept, komt overal fragmenten tegen van de Hongaars-Canadese arts Gabor Maté, die door zijn grijze piekhaar, borstelige wenkbrauwen en hangende ogen lijkt op een wijze uil, en met zijn bedachtzame, lijzige dictie ook een constante stroom aan behapbare wijsheden produceert.
Vinkers kijkt met dubbele gevoelens naar al die trauma-aandacht. Dreigt het begrip trauma te worden versimpeld en te breed te worden gebruikt? ‘Je hebt zoveel mensen die kampen met jeugdtrauma’, zegt hij. ‘Hoe doe je nou recht aan al die mensen die daarmee worstelen? En hoe geef je hen perspectief? Zonder dat je ze een te overzichtelijke verklaring of te simpele oplossing biedt? Die vragen hielden me bezig. Ik wantrouw het als mensen zeggen: je moet deze therapie, deze familieopstelling, deze sport of deze mindfulness-oefening doen, en dan ben je verlost van je jeugdtrauma.’
Hij is zeker niet het type hoogleraar dat lijkt op een wijze uil. Vinkers is betrekkelijk jong (45), informeel (hij vraagt direct om getutoyeerd te worden) en toegankelijk, een makkelijke en snelle prater, met een brede smaak. In zijn boek citeert hij niet alleen bekende denkers en wetenschappers, maar ook uitspraken van kickbokser Rico Verhoeven, acteur Daniël Boissevain en oud-voetballer Thierry Henry. Op LinkedIn deelt hij een songtekst van de Belgische rapper Zwangere Guy: Mijn moeder werd geslagen door een vuile hond / Verkracht, misbruikt waar mijn kleine zus bijstond. Tijdens het interview vertelt hij enthousiast over zijn liefde voor deathmetal, grunge en hiphop (en rapt in perfect Brusselse flow de tekst van rapgroep Stikstof: Gele blokken langs de macadam). Het verzoek van de fotograaf om hem in een van zijn metal-bandshirts te fotograferen, vindt hij dan weer net te ver gaan.
Vinkers woont in De Bilt met drie kinderen en zijn vrouw, die voor medisch-wetenschappelijke tijdschriften schrijft. Maar thuis wil hij zich niet laten interviewen, te druk op vrijdag. In een werkkamer van een hoekig, betonnen jaren zeventig-gebouw van GGZ inGeest in Amsterdam-Buitenveldert schenkt hij voor zijn gast een Nespresso-koffie uit een doos cupjes die bijna op is. Zelf neemt hij de automaatkoffie. ‘Het is niet te hakken, maar ik ben er inmiddels aan gewend. Het past ook wel bij dit gebouw dat wat verouderd is. Maar het is hier fijn rustig, we worden niet gestoord.’
Het raam biedt uitzicht op de kantoren van de Zuidas en de gebouwen van het VUmc. Hij wijst naar de panden waar hij in totaal drie werkkamers heeft: eentje waar hij patiënten ziet, eentje voor onderwijs en eentje waar hij onderzoek doet als neurowetenschapper. Naast behandelend psychiater is Vinkers hoogleraar, mede-leider van het ‘Mood, Anxiety and Psychosis, Stress, and Sleep-programma’ van Amsterdam Neuroscience, én lid van meerdere commissies en besturen.
Daarnaast mengt hij zich met overgave in het publieke debat. Hij schrijft opiniestukken, post vaak op LinkedIn en publiceert populairwetenschappelijke boeken. In zijn vorige boek toonde Vinkers aan dat geen enkele arts een burn-out betrouwbaar kan vaststellen. In een interview in de Volkskrant zei hij in 2022: ‘Ik sluit niet uit dat een deel van de mensen die op dit moment met een burn-out thuiszitten, eigenlijk kampt met depressie of angst.’
Zijn ambitie en werkdrift wijt hij – hoe kan het ook anders – aan zijn jeugd. Hij komt uit een calvinistische Twentse ‘familie van boeren’, een gezin met zes kinderen. Zijn vader was hydroloog in Wageningen, het gezin verhuisde naar Driebergen toen Christiaan nog klein was. ‘Vanuit mijn christelijke roots – we waren Nederlands Hervormd – kregen we mee om hard te werken en bescheiden te zijn. Je moet niet denken dat je wat voorstelt. Zeg gewoon wat je bedoelt, praat niet met te veel franje. En als je iets begint, moet je het afmaken. Zo’n soort mentaliteit was er. Dus ja, ik heb drie studies gedaan: medicijnen, farmacie en rechten.’ Lachend: ‘Ik geef mijn ouders de schuld.’
Nee, een jeugdtrauma heeft hij niet, maar zijn jeugd heeft hem gevormd, zegt hij. Het moet haast wel dat de kinderen dezelfde mentaliteit en waarden hebben meegekregen, want van de zes zijn er twee psychiater, één huisarts, twee zijn (klinisch) psycholoog en weer een andere medisch-chemicus. ‘Ja, het draaide erg om kennis en intellect bij ons thuis.’ Zo doordrongen van de deugd bescheidenheid en de zonde overmoed is Vinkers, dat hij aan de binnenkant van zijn toga het schilderij De val van Icarus van Bruegel liet afdrukken. ‘Als een waarschuwing aan mezelf. Als ik overmoedig of ijdel dreig te raken, moet ik oppassen.’
Als tegenreactie let hij er als vader nu juist op dat hij niet te streng is voor zijn eigen kinderen, van 12, 10 en 8 jaar oud. ‘Ik probeer tegen mijn kinderen te zeggen: weet je, soms is goed genoeg ook goed genoeg. Ik probeer ze op te voeden met het gevoel: je mag er zijn, je bent geliefd en je mag fouten maken.’
Je schrijft dat dit een tijd is waarin ouders door drukke banen te weinig tijd besteden aan hun kinderen, en ze zo soms onbedoeld verwaarlozen. Hoe voorkom je dat zelf?
‘Nou, door ’s avonds niet of nauwelijks te werken. Gewoon door er te zijn. Mijn ouders konden met zes kinderen niet naar sportwedstrijden gaan. Ik doe dat wel. Eentje zit op voetbal, twee op hockey. Dus ik sta geregeld te fluiten. Ik geloof in het concept van de ‘good enough parent’ dat in de jaren zeventig ontstond in reactie op ouders die alles perfect wilden doen. Een zeven is ook goed. En je moet een beetje mild naar jezelf en je kinderen kijken. Maar misschien kun je beter later aan mijn kinderen vragen of het me allemaal enigszins gelukt is.’
De sfeer in huis kan allesbepalend zijn, weet Vinkers. In zijn nieuwe boek laat hij zien dat een jeugdtrauma meestal niet voortkomt uit extreme of levensbedreigende gebeurtenissen, zoals veel mensen denken, maar dat die vaker ontstaat uit langdurige alledaagse omstandigheden. Bijvoorbeeld als er structureel sprake is van wat hij noemt ‘een overschot van het verkeerde’: slaan, schelden, kleineren. Of ‘een tekort aan het goede’: liefde, aandacht, troost, regelmaat. Daarmee wijkt hij af van de strikte definitie van trauma in de DSM, het handboek van mentale stoornissen, waarin een extreme gebeurtenis wel de oorzaak van een trauma is, met een posttraumatische stressstoornis als gevolg.
Draag je daarmee zelf ook niet bij aan de oprekking van het begrip?
‘Daar heb ik ook wel mee geworsteld. In de psychiatrie is mijn definitie niet controversieel. Elke psychiater en ook de meeste wetenschappers zullen erkennen dat jeugdtrauma voortkomt uit patronen in de jeugd. Tegenslag en een bepaalde mate van stress zijn goed voor een kind, het maakt je veerkrachtig. Pas als die stress chronisch wordt, gaat het schade aanrichten. Het is moeilijk om te zeggen wanneer precies de schade heftig en langdurig genoeg is om een trauma te worden. Aan de andere kant is er in de spreektaal zeker een neiging tot oprekken van het begrip.’
Ik sprak hoogleraar Trudy Mooren, expert op het gebied van psychotraumatologie, en zij zei: ‘We moeten als samenleving oppassen dat trauma niet een soort Libelle-woord wordt, waarbij iets als het niet halen van een diploma al een trauma is.’
‘Dat is een risico, ja. Uiteraard valt het niet halen van een diploma er niet onder. Ook een scheiding hoeft niet tot een trauma te leiden. Maar vooralsnog blijven veel trauma’s eerder ongezien. Slechts 1 procent van de kinderen is in beeld wegens verwaarlozing of mishandeling, maar van de volwassenen geeft 20 procent aan een jeugdtrauma te hebben. Dat betekent niet dat mensen overdrijven, maar dat veel leed onzichtbaar blijft.
‘Je ziet daarnaast in de cultuur in brede zin een psychologisering van taalgebruik. Mensen gebruiken woorden als neurodiversiteit, gaslighting, hoogbegaafd, autist en narcist nu in hun dagelijkse spreektaal. Mensen zeggen al vrij snel, al dan niet ironisch: dat was echt traumatisch. Maar als ze er serieus over hebben nagedacht en menen dat ze een jeugdtrauma hebben, dan ga ik niet zeggen: sorry, dit valt niet onder mijn definitie. Ik ben niet van de jeugdtraumapolitie.’
Hoe verklaar je die toegenomen aandacht voor jeugdtrauma?
‘Het is een tijd van zelfonderzoek. Mede dankzij individualisering zijn we steeds meer gaan praten en nadenken over: wie ben ik, hoe zit ik in elkaar, hoe ben ik zo geworden? Er is daarnaast al decennia een emancipatiebeweging gaande, waarbij er steeds openlijker over mentale worstelingen wordt gepraat. Het taalgebruik is in die tijd ook veranderd. We zeggen nu niet meer: je bent zeker ziekelijk psychisch gestoord. Maar: je hebt kwetsbaarheden of je bent neurodivers.
‘Trauma is bovendien een heel intuïtief begrip, het werkt goed als narratief of metafoor, om te snappen hoe je zo geworden bent. Het is aantrekkelijker om te zeggen: ik ben vroeger emotioneel verwaarloosd en daardoor heb ik last van depressies, dan om simpelweg te zeggen: ik ben depressief. Mensen vinden het fijn om een verklaring te hebben, een reden.’
Zijn psychische klachten altijd tot een trauma terug te leiden?
‘Onder mensen met een depressie, angststoornis of psychose heeft grofweg de helft een jeugdtrauma. Op de poli van GGZ inGeest heeft van de patiënten met persoonlijkheidsstoornissen, zoals borderline, zelfs 90 procent een jeugdtrauma. Maar ik denk dat lang niet alle psychische klachten een duidelijke oorzaak in de jeugd hebben. Het is vaak ook een kwestie van pech hebben, een ongelukkig genenpakket.’
Bij experts als Gabor Maté is er vaak sprake van een overzichtelijk verhaal. Zo vertelt hij in lezingen dat hij gevormd is als Joods kind dat geboren werd in Boedapest in 1944, ten tijde van de Holocaust. Hij kreeg als kind de boodschap: ik mag er niet zijn. Dat resulteerde in een enorme geldingsdrang bij hem, hij wilde constant bewijzen dat hij er wel toe deed. Hij werd een workaholic, met alle gevolgen van dien.
‘Het is een prachtig verhaal. Het laat zien dat mensen erg op zoek zijn naar een soort narratief om zichzelf te begrijpen. Maar in de realiteit werkt de psyche veel complexer. Er zijn oneindig veel omstandigheden en eigenschappen die een rol spelen, waardoor zo’n monocausaal verhaal onaannemelijk is. Maar als je een hamer in je hand hebt, zie je overal spijkers. En soms blijf je zoeken tot je wat gevonden hebt en kun je terugkijkend het heden verklaren. Maar daar zit natuurlijk een risico aan.’
Zou je een patiënt ook op dat risico wijzen als je het idee hebt dat de verklaring te makkelijk is?
‘Dat ligt eraan. Soms krijg je de indruk dat iemand tot een verklaring komt om de schuld buiten zichzelf te plaatsen. Dat kan een valkuil zijn, een karaktertrek die verder zelfinzicht in de weg staat. Bij zo iemand kan het nuttig zijn om kritisch door te vragen en tot zelfreflectie te komen. Maar als ik het idee heb dat een patiënt baat heeft bij het narratief over het eigen leven, dat het de last van de psychische klachten vermindert, dan is het niet constructief om daar gaten in te schieten. Dan zeg ik niet: ik ga nog even aan jouw zus vragen of het echt klopt dat je verwaarloosd of misbruikt bent.’
Maté is vooral bekend van zijn werk over het verband tussen trauma en verslaving. Is die link zo sterk?
‘Er is zeker een verhoogde kans op verslaving. Mensen met jeugdtrauma roken bijna drie keer zo vaak en hebben een significant hoger risico op alcoholisme en drugsverslaving. Ook verstoord eetgedrag, zoals binge-eating als troost, komt veel voor als reactie op chronische stress. Op individueel niveau zijn deze verbanden niet te vertalen naar voorspellingen. En het risico is dat mensen de relatie veel te direct leggen en oversimplificeren. Jeugdtrauma wordt dan een vaststaand lot voor elk individu. Dan krijg je experts die doorschieten en zeggen: trauma veroorzaakt kanker. Terwijl het meer een indirect verband is, en lang niet voor iedereen. Er ontstaat een soort mystificatie van het lichaam als je zegt: trauma zet zich vast in de cellen.’
Maar je haalt in het boek ook onderzoek aan waaruit blijkt dat jeugdtrauma decennia later nog in het bloed is terug te vinden.
‘Klopt, als je het bloed van mensen met een jeugdtrauma vergelijkt met een controlegroep zonder trauma zijn dertig jaar later nog verhoogde ontstekingswaarden te vinden bij de traumagroep. Dat heeft te maken met de chronische stress die zij hebben gehad. Moet je je voorstellen dat je als kind altijd je ouders aan het inschatten bent: is de situatie nu veilig? Die stress activeert het immuunsysteem, waardoor je lichaam altijd in de waakzame stand staat. Omdat de afweer dan in een te hoge stand staat, kan dat uiteindelijk weer allerlei gevolgen hebben, een hoger risico op hart- en vaatziekten en auto-immuunaandoeningen.’
Heeft Bessel van der Kolk dan niet gelijk dat trauma zich vastzet in het lichaam?
‘Nee, vind ik niet. Want dan lijkt het een zekerheid. Alsof het zich vastzet in je dna of genen, waar geen bewijs voor is. We hebben het over verhoogde kansen. En over groepsgemiddelden. Voor een individu hoeft dus zeker niet te gelden dat een trauma tot verslaving leidt, of tot longkanker. Je hoeft dus niet bang te zijn: o, ik heb een trauma, dús mijn immuunsysteem is naar de gallemiezen. Je hoeft niet bang te zijn: ik heb een trauma, dús ik geef dat door aan mijn kinderen.’
In het boek citeer je het beroemde gedicht over intergenerationeel trauma van Philip Larkin, This Be The Verse.
‘Ja! Mooi is die, hè.’ Uit zijn hoofd:
They fuck you up, your mum and dad.
They may not mean to, but they do.
They fill you with the faults they had
And add some extra, just for you.
But they were fucked up in their turn
By fools in old-style hats and coats,
Who half the time were soppy-stern
And half at one another’s throats.
Man hands on misery to man.
It deepens like a coastal shelf.
Get out as early as you can,
And don’t have any kids yourself.
‘Prachtig, toch? Wel erg grimmig, maar er zit zoveel in. Je kunt je ouders vergeven voor wat ze jou hebben aangedaan, want tja, ze zijn ook maar gevormd door moeilijke mensen. Gelukkig is het niet zo pessimistisch als Larkin stelt: uit onderzoek blijkt dat een derde van de ouders met jeugdtrauma het trauma doorgeeft aan kinderen. Maar goed, dat betekent dus dat de meerderheid van de kinderen er géén last van krijgt later.’
Wat adviseert u aan mensen die bang zijn dat zij op latere leeftijd nog last krijgen van het onverwerkte verleden, omdat hun ouders trauma’s hebben?
‘Als je over jeugdtrauma gaat nadenken als het zwaard van Damocles dat elk moment kan vallen, dan wordt het een dreiging. Dat helpt je niet verder. Als je als volwassene nu goed functioneert en geen klachten hebt, is het niet erg waarschijnlijk dat je alsnog vastloopt of last krijgt. Je kunt de toekomst niet voorspellen, maar er is geen reden om bang te zijn. Bovendien: er zijn zo veel dingen in het leven waar je geen invloed op hebt, het heeft geen zin om je over al het ongewisse zorgen te maken.’
Je wilt mensen niet de put in praten, blijkt ook telkens uit het boek.
‘We moeten echt nadenken over de taal die we gebruiken bij mentale gezondheid. Ik denk dat we in het algemeen vrij negatief praten over mentale worsteling en dat het daarmee een selffulfilling prophecy wordt. Het gaat bijvoorbeeld nu veel over prestatiedruk, als oorzaak voor de toename van mentale klachten onder jongeren. Door telkens te praten over de prestatiedruk die zo hoog is, gaan mensen die druk ook als heel hoog ervaren.’
In een opiniestuk in de Volkskrant wierp je de vraag op: ‘Is een risico van zoveel praten en schrijven over de mentale gezondheid van jongeren niet dat er een verschuiving optreedt van wat als abnormaal wordt gezien, een ‘concept creep’ waarbij ook lichtere problemen worden gezien als een psychiatrische stoornis?’ En die vraag beantwoordde je voorzichtig bevestigend.
‘Het is goed dat er meer ruimte is gekomen om open te zijn over worstelingen, maar ik vind dat we altijd moeten blijven nadenken over de vraag: hoe geef je mensen perspectief op verbetering? Je moet alarmisme en doemdenken voorkomen. Dat was ook mijn kritiek op het rapport over de ‘hypernerveuze samenleving’ van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. Je moet oppassen met het lanceren van zo’n term. Wist je dat we rond 1920 spraken van de ‘zenuwzieke tijd’? Toen had je de aandoening neurasthenie, een overbelast zenuwstelsel, mensen die daaraan leden werden zenuwlijders genoemd. Alles ging te snel toen, was de gedachte. Het werk in de fabrieken, de auto’s die in opkomst waren, de globalisering die begon. Er waren kuuroorden en zelfhulpboeken: hoe verkrijgt men gezonde zenuwen? Nu lachen we daarom.’
Kan een boek schrijven over jeugdtrauma er niet evengoed toe leiden dat mensen meer naar jeugdtrauma’s gaan zoeken en dus ook vinden?
‘Daarom benadruk ik ook dat jeugdtrauma niet een vaststaand lot is, waaraan je niet kunt ontsnappen. Het boek is geen oproep: ga allemaal in je jeugd wroeten, of ga allemaal hulp zoeken. Mocht het boek helpen om jezelf beter te begrijpen of milder naar jezelf te kijken, dan ben ik daar blij mee. En het zou helemaal fijn zijn als beleidsmakers het lezen en denken: we kunnen nog veel meer aan preventie doen. De grootste winst bij de volksgezondheid werd een paar eeuwen terug niet behaald door meer dokters op te leiden, maar door riolering, schoon drinkwater en betere hygiëne. Zo moeten we ook naar mentale gezondheid kijken. Als maatschappij kunnen we nog veel meer doen om jeugdtrauma te voorkomen.’
Cv Christiaan Vinkers
1980 Geboren te Wageningen.
1999-2004 Studie farmacie Utrecht.
2004-2009 Studie rechten Utrecht.
2005-2009 Studie medicijnen Utrecht.
2009 Promotie neurobiologie (cum laude).
2014 Psychiater UMC Utrecht.
2017 Boek Even slikken (met Roeland Vis).
2018 Psychiater GGZ inGeest en Amsterdam UMC.
2021 Hoogleraar stress en veerkracht aan Amsterdam UMC.
2022 Boek In de ban van burn-out.
2026 Boek Littekens uit je jeugd
Dit is een interview uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant