Home

Aan Senegals grens met Mali groeit de vrees voor jihadisten. ‘Ik hoorde ra-ta-ta-ta’

Jihadisme De afgelopen maanden voerden aan Al Qaeda gelieerde strijders hun aanvallen in Mali op tot aan de grens met Senegal. Met een nieuw, groot offensief en blokkade van de hoofdstad Bamako groeit de vrees aan Senegalese zijde.

Vrachtwagens bij een brug over de Falémé-rivier, de grens tussen Senegal en Mali.

Abdourahmane Coulibaly ziet er niet uit alsof je hem snel bang krijgt. Zijn lange, brede lijf past nauwelijks in de stoel van zijn vrachtwagencabine, waar hij onderuitgezakt in zit, maar waarin hij vooral opgevouwen lijkt. Als de 36-jarige chauffeur praat over de zwaarbewapende jihadisten die hij de afgelopen maanden regelmatig trof op zijn route tussen de Malinese hoofdstad Bamako en Dakar in Senegal, klinkt hij bijna stoïcijns.

Gewoon rustig stoppen. Papieren laten zien.

Ze waren toch niet in hem geïnteresseerd, zegt Coulibaly terwijl zijn wagen stilstaat op een stoffig terrein in Kidira, een stadje aan de Senegalese grens waar een brug over de Falémé-rivier in Mali eindigt. In zijn ladingen zat voedsel. Rijst, suiker. Geen brandstof, waar de strijders van Jama’at Nusrat al-Islam wal-Muslimin (JNIM), een alliantie van aan Al Qaeda gelieerde groepen, het op hadden voorzien. Vorige zomer besloten zij dat geen druppel benzine Bamako nog mocht bereiken. Om zo, na hun opmars van jaren, de Malinese regering op haar knieën te dwingen.

„Ze wilden de stad verstikken”, zegt de chauffeur. Vrachtwagens met brandstof gingen in vlammen op, in januari werden nog zeker vijftien chauffeurs begeleid door een militair konvooi gedood. Maar de laatste twee maanden, na geruchten over een mogelijke deal en de vrijlating uit de gevangenis van zo’n honderd JNIM-strijders, zag hij ze niet meer, zegt Coulibaly. Zonder er al te veel over na te denken, vertrok hij onlangs weer naar Dakar. Voorzichtig, zei zijn moeder nog.

Als NRC Coulibaly spreekt, staat zijn vrachtwagen tussen enkele honderden andere in nette rijen geparkeerd. Het gros komt uit Mali, een deel uit Senegal. Wachtend op wat ze moeten doen nu hun bestemming opnieuw onbereikbaar is door de meest grootschalige reeks aanvallen die Mali in een decennium zag.

Met de aanvallen, die vorige week begonnen en nog altijd voortduren – en waarvoor de jihadisten de handen ineen sloegen met separatistische Toeareg-strijders uit het noorden van Mali – , dringt zich een doemscenario voor de regio op. Want wat als het de jihadisten lukt het regime in Bamako ten val te brengen, laten ze zich elders dan nog stoppen?

De Sahel groeide het afgelopen decennium al uit tot het epicentrum van jihadistisch geweld. Strijders van JNIM, maar ook aan Islamitische Staat gelieerde groepen, drongen vanuit Mali door naar Burkina Faso en Niger en stoten sindsdien verder naar kuststaten als Benin. Senegal bleef tot nu toe gespaard, maar de dreiging komt wel steeds dichterbij: vorig jaar juli vielen JNIM-strijders het stadje Diboli aan, aan de overkant van de roestkleurige Falémé.

Een vrouw verkoopt water op de parkeerplaats in Kidira, dichtbij de grens met Mail.

Vrachtwagens in de rij op de weg naar Mali, op een parkeerplaats in Kidira.

„Ra-ta-ta-ta”. Gallo Ndiaye, in een openhangend rood shirt met een wit hemd eronder, doet het even voor. Tot in Kidira, waar de vakbondsman voor vrachtwagenchauffeurs woont, kon je de kogels die vroege ochtend horen. Ndiaye pakte meteen zijn motor en reed naar het nabijgelegen terrein waar vrachtwagens op hun papieren wachten tot ze de grens kunnen oversteken. Daar deed hij de hekken dicht. „Zodat niemand nog zou proberen te vertrekken.”

Deze aprilochtend rijdt Ndiaye, zelf oud-vrachtwagenchauffeur, weer met zijn motor langs de rijen geparkeerde bakbeesten, met op zak een mot d’ordre, een bevel, van zijn vakbond aan Senegalese chauffeurs: ga voorlopig niet de grens over tot de situatie rond Bamako is gekalmeerd. Hun waarschuwing komt net op tijd. Een dag later kondigen de jihadisten een volledig beleg van de hoofdstad aan. Vrachtwagens, busjes, niemand mag nog door.

Voor Ndiayes vier zoons, die ook chauffeur zijn, kwam het bevel wel te laat. Net vóór het beleg maar ná de eerste aanvallen, waren zij toch naar Bamako gereden. Hij heeft de hele nacht niet kunnen slapen, zegt Ndiaye. Maar werk is werk. En tot nu toe lieten de jihadisten Senegalese chauffeurs steeds gaan – op een kortstondige ontvoering van zes chauffeurs vorige zomer na. Zijn zoons zijn zonder problemen aangekomen, zegt hij. Een paar dagen later zullen ze ook veilig terugkeren: Bamako verlaten mag van de jihadisten nog wel.

Kidira leeft van het ritme aan de grens. Zo’n twintig procent van Senegals export is voor Mali bestemd, vooral brandstof. Andersom komt zo’n zestig procent van wat Mali importeert binnen in de haven van Dakar en wordt vanuit daar met vrachtwagens naar Bamako gebracht. Het gros via de tweebaansweg die langs Kidira leidt. Daar, tussen de laagbouw en kleine gat-in-de-muur-boetiekjes, hoor en zie je dat de zorgen toenemen.

Gallo Ndiaye, vakbondsman voor vrachtwagenchauffeurs, op de parkeerplaats in Kidira.

Senegalese mannen repareren de banden van een vrachtwagen.

Show of force

Neem de extra zandzakken die na de aanval vorige zomer rondom de post van de grenspolitie zijn geplaatst. Het bij de brug geparkeerde pantservoertuig waarnaast soldaten zitten, evenals de rode baretten van de Groupe d’Action Rapide de Serveillance et d’Intervention (GARSI), een elite-eenheid gefinancierd door de Europese Unie die de grenzen helpt bewaken. Aan Senegals zijde is tot nu toe niets gebeurd, vertelt een agent. „We doen er alles aan dat zo te houden.”

Zo heeft de opmars van de jihadisten geleid tot een gestage militarisering van Senegals oostgrens. In 2022 werd in Goudiri, op een klein uur rijden van Kidira, een van de grootste militaire bases van het land geopend, met radars en een landingsbaan voor helikopters en drones. Afgelopen augustus kwam daar in Tambacounda een nieuwe onderzoeksbrigade bij. En in april drie nieuwe posten voor GARSI-eenheden, deze vooral in de grensregio waar goudmijnen zitten.

In een show of force organiseerde het leger afgelopen december een grootschalige militaire oefening, Boundou 2025, in  het oosten. Ook president Bassirou Diomaye Faye was daarbij aanwezig.

Voor nu is Senegals strategie meer preventief dan operationeel, zegt Bah Traoré Legrand, veiligheidsanalist bij de denktank Wathi in Dakar. „Het epicentrum van de jihadisten zit in Mali nog altijd in het centrum en het noorden, zelfs al breidden ze zich de afgelopen jaren naar het westen uit.” Zo nam het aantal aanvallen en ontvoeringen rondom de sleutelstad Kayes toe. Waaronder de aanslag op Diboli in juli, en simultaan op vijf andere plekken.

Die westwaartse verschuiving heeft er ook voor gezorgd dat Senegal meer toenadering zoekt tot het regime in Bamako, waarmee de relatie sinds een staatsgreep in 2021 is bekoeld. Senegals minister van Defensie Birame Diop reisde vorig jaar meermaals naar Bamako. In februari van dat jaar kondigden de buurlanden ook gezamenlijke grenspatrouilles aan. De eerste vond nog diezelfde maand plaats rond Diboli.

Symbolische patrouilles

Onlangs tijdens een grote regionale veiligheidstop in Senegal haalde president Faye deze patrouilles aan als voorbeeld van een „strategische samenwerking” die volgens hem verder moet worden uitgebreid. Maar NRC hoort van verschillende bronnen dat de patrouilles vooral symbolisch waren en uiteindelijk slechts enkele keren plaatsvonden.

„Niemand was er echt blij mee”, zegt een Senegalese veiligheidsfunctionaris aan de grens (zijn naam en exacte rol zijn bij de redactie bekend). De grensbewoners vreesden dat de patrouilles tot wraakacties zouden leiden – iets waar JNIM in een audiobericht dat op sociale media rondging mee zou hebben gedreigd. Hij snapt hun vrees, zegt de functionaris. Nu hebben de jihadisten het nog niet op hen gemunt. Maar dat kan zo omslaan.

De functionaris vertelt hoe hij en zijn collega’s investeren in inlichtingen, onder meer door steeds weer langs te gaan bij dorpen aan de grens. „Iedereen heeft onze nummers en weet hoe ze ons snel kunnen bereiken al ze iets verdachts zien.” Dat het bij hun buren zo kon misgaan, noemt hij een „falen” van precies dit aspect. „De jihadisten bewogen zich in konvooien op motoren en pick-up trucks naar Bamako en toch werden ze verrast. Hoe kan dat?”

Mogelijk dat mensen geen alarm durfden te slaan uit angst voor represailles, beantwoordt de functionaris zijn eigen vraag. Maar toch. Hij zegt zelf met regelmaat informatie uit Mali te ontvangen, maar niet van zijn Malinese collega’s. „Zo’n soort samenwerking is er niet.”

Vrachtwagens en motoren bij de brug over de Falémé-rivier, de grens tussen Senegal en Mali.

Daarvoor kijkt Mali naar zijn buren Burkina Faso en Niger, die voor dezelfde dreiging staan en waar gelijkgestemde militaire regimes aan de macht zijn, zegt analist Legrand. Daarbij speelt volgens hem ook mee dat sommigen in Mali hadden verwacht dat Senegals huidige leiders net als zij op radicale wijze zouden breken met Frankrijk, wat niet gebeurde.

Mali’s junta beschuldigt de oud-kolonisator met regelmaat ervan de jihadisten en Toeareg-separatisten in hun land te steunen (daarvan is geen bewijs).

Desalniettemin is er wel enige samenwerking tussen Senegal en Mali. Zo vond afgelopen januari in Senegal nog een gezamenlijke training plaats met legerofficieren uit Mali en Mauritanië. Een van Mali’s deelnemers zou kolonel Moussa Ouattara zijn geweest. Hij kwam vorige week om bij een aanval van JNIM-strijders op een legerbasis in het centrale Sévaré.

Poreuze grens

Hoewel Senegal nog geen doelwit lijkt, zijn er wel signalen die wijzen op pogingen tot infiltreren. Zo werden in 2021 in Kidira vier mannen opgepakt wegens vermoedens dat ze banden hadden met een aan JNIM gelieerde groep. Recenter werd in Tambacounda een Malinees aangehouden die in Whatsappgroepen terreur zou hebben verheerlijkt. Vooral in de regio rond Senegals artisanale goudmijnen blijven de grenzen volgens analist Legrand poreus.

In een cours van Bélé, een dorpje op enkele kilometers van Kidira, betrekt het zo even nog vrolijke gezicht van Khady Gindo (45). Hier zijn de dorpelingen al tijden alert, vertelt het raadslid als ze naar de situatie in Mali wordt gevraagd. Vooral na de aanslag in Diboli. „Mensen waren daar echt van geschrokken.” Terstond werd een commission de surveillance opgericht die sindsdien onder meer iedere vreemde die zich in Bélé meldt op diens papieren komt controleren.

Te meer omdat Bélé wordt geplaagd door veediefstallen. Onduidelijk is wie daarachter zitten, al is een lijn met de jihadisten aan de overzijde van de grens niet geheel uitgesloten: één van de manieren waarop de groepen zichzelf financieren, is door het stelen van vee.

Raadslid Khady Gindo in het dorp Bélé.

Een man rust uit in de tuin van Khady Gindo in Bélé, vijftien kilometer van Kidira.

Toegang tot het dorp Bélé.

Bagoury Nadio, winkelier uit Diboli, de eerste stad aan de Malinese kant van de grens, in Kidira,

Ze is dan ook blij met de komst van meer soldaten en gendarmes naar hun regio, zegt Guindo die onder een afdakje de schaduw heeft opgezocht. Regelmatig komen rode baretten van de GARSI-eenheid hier langs op patrouille, vertelt ze. Soms blijven ze zelfs slapen in het dorp. Ze voelt zich er iets veiliger door. „Maar het is niet genoeg.”

Zeker nu, na de grootste aanvallen die Mali in jaren zag. Ook in Kidira volgen inwoners via sociale media hoe het Malinese leger bijgestaan door Russische huurlingen inmiddels uit een deel van het noorden is verdreven en hoe de hoofdstad door de jihadisten wordt omsingeld. Het liefst blijft hij aan deze kant van de grens, zegt een man uit Diboli die hier een winkeltje heeft en iedere dag de brug oversteekt. „Hier voelt het veiliger.”

Gevaar

Op het parkeerterrein aan de rand van het grensstadje probeert Mamadou Diarra (25) op zijn beurt zijn bezorgde ouders en vrouw gerust te stellen. Ze wonen in Bamako, vertelt de chauffeur, die in zijn cabine op papieren wacht. „Ze zijn behoorlijk van slag.” Niet in de laatste plaats omdat hij op het punt staat terug te keren. „Ze zijn bang dat het niet veilig is”, zegt Diarra. Toegegeven, zelf weet hij het ook niet zeker.

De jonge vrachtwagenchauffeur heeft ze inmiddels vaak genoeg gezien, met hun geweren in de hand langs de kant van de weg. Tot nu toe hebben ze hem steeds laten gaan, zegt Diarra. „Maar je weet nooit wat hun intenties zijn.” Als NRC Diarra twee dagen later een ingesproken bericht stuurt, staat zijn wagen met honderden anderen stil in Diboli. Net na het oversteken werd hij door een kennis gewaarschuwd, vertelt Diarra. Een vrachtwagenchauffeur was aangevallen.

„Il y a trop de danger”, zegt hij. Het is te gevaarlijk.

Mamadou Diarra, vrachtwagenchauffeur uit Mali, wachtend aan de grens in Kidira.

Een bord markeert de grens tussen Senegal en Mali, op de brug over de Falémé-rivier.

Afrika

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next