Home

Stéphanie Hoogenberk is onomwonden zichzelf en durft lelijk te zijn in het boek over haar moeders ziekbed

Journalist Stéphanie Hoogenberk is in Wij vinden dat fijn, over het ziekbed van haar moeder, zo uitgesproken eigen. Ze klaagt en veroordeelt, is onverdraagzaam en ziedend. Toch is het niet alleen een klaag-, maar ook zéker een lofzang.

is redacteur van Zondag en televisierecensent van de Volkskrant.

Het is niks voor haar, een moeder verliezen.
Stéphanie Hoogenberk, journalist en maker van de populaire podcast De Shitshow, heeft het altijd meer iets voor anderen gevonden, zo’n dode ouder. ‘Van anderen dacht ik altijd: pijnlijk, maar jij weet hoe je ermee om moet gaan. Daarom komt het op jouw pad. Van mijn ouders weten ze (God of het universum?) dat het niet kan, onze band is te goed.’

Die hogere machten zijn nalatig geweest. De diagnose: uitgezaaide botkanker.

Hoogenberks tweede boek, Wij vinden dat fijn, bevat de dagboeknotities die ze maakte rondom het ziekbed van en tijdens het mantelzorgen voor Mireille, moeder en diva – onverminderd zichzelf, daar brengt het noodlot geen verandering in. ‘Soms irriteert het me dat ze zich blijft ergeren’, schrijft haar dochter. ‘Soms vind ik het grappig hoe ze zich opwindt.’

Over het feit dat onderbuurvrouw Mirjam een minipalmboom in de voortuin heeft staan, bijvoorbeeld: ‘Dat vind ik toch zoiets armoedigs.’ De vrouw is sowieso een bron van ergernis, want ze noemt zichzelf een huismus terwijl ze eens per maand naar Libanon gaat, ‘haar tweede thuis’. Een scherpschutter, die Hoogenberk: ‘minipalmboom’, ‘huismus’, meer heeft ze niet nodig om een heel menstype op te trekken.

Moeder kan heel dwingend zijn, in hoe het hoort, en wie volgens haar klasse heeft, merkt dochter op.

Iets met een appel en een boom.

Moederrampen

In haar eerste, bestseller We hebben het over je gehad, een bundeling met snedige verhalen over Hoogenberks moeite met vriendschappen, troffen we die moeder aan de keukentafel, waar ze voor de ontgroening van haar dochter urenlang vruchtenhagel op kleur sorteerde. Keurige hoopjes roze, geel en oranje, precies zoals de meiden van damesdispuut Sneeuwwitteke het haar kind hadden opgedragen. Zo’n moeder. Hoogenberk treft die warmte ook nu uitstekend, dat Limburgse hartelijke, het eindeloze keuvelen, de zelfspot. Het is zoete inval, daar in Sittard.

Mireille is een vrouw door wie je zelf moeder zou willen worden.
Vijf dagen na het nieuws over de terminale ziekte van haar moeder stopt in Hoogenberks buik een hartje met kloppen. Ramp op ramp.

Hoe blijf je toch doorgaan, vragen mensen aan haar, terwijl Hoogenberk wekelijks van Amsterdam naar het zuiden rijdt om te mantelzorgen. Wat een vraag, vindt ze: ‘Ik kan niet uitleggen waarom, maar ik vond het geen compliment. Ik heb het ook vaak tegen mensen gezegd: knap dat je doorgaat en blijft werken. Nu weet ik dat het geen fijne dingen zijn om te horen. Eigenlijk zeggen mensen: ik had je in bed verwacht.’

Onomwonden zichzelf

Stéphanie Hoogenberks schrijven recenseren voelt als het recenseren van haar persoon, zo uitgesproken eigen zijn haar teksten. Hoogenberk klaagt en veroordeelt, durft lelijk te zijn. Ze is onverdraagzaam, ziedend. Om Ton, de vriend van haar moeder, die weigert de vaatwasser te gebruiken: met de hand afwassen noemt hij gezelliger. Om artsen, vaak zo karakterloos en in haar optiek de meest overschatte beroepsgroep – neem die ene, ‘krankjorum’, waardoor haar moeders euthanasie moest worden verzet, in verband met zijn vrije dag.

Ze is streng tegen vrienden die haar in deze periode van dubbel verlies nét het verkeerde appen. Haar aftakelende, kermende moeder doet haar walgen, die kwetsbaarheid. Smerig, om je moeder zo te moeten zien. Maar het uitspreken, dat doet ze niet.

Bij het lezen van We hebben het over je gehad dacht ik geregeld: je houdt jezelf wel erg buiten schot. Waar er twee vochten, had er daar keer op keer maar één schuld. Nu blijkt het tegengestelde, Hoogenberk is vooral zelf de dupe van haar strengheid – en die vervolgens zo durven te etaleren, kom er maar eens om. ‘Soms is er zo weinig nodig om woedend door het leven te gaan’, schrijft ze. ‘Tegelijkertijd voelde ik me eenzaam.’ Een vriendin vraagt haar hoe dat nou is, er elke keer weer een probleem bij te krijgen.

Anders dan in We hebben het over je gehad, waar de verhalen geconcentreerd waren, lekker vet en vinnig, is dit tweede boek meer aangelengd. Onvermijdelijk, bij een dagboek over een ziekbed, maar als zich kalme momenten aandoen blijkt Hoogenberk toch meer een sensationele verteller dan een groot stilist: dingen zijn vooral ‘fijn’ of ‘niet fijn’. ‘We kletsten met zijn drieën over van alles en nog wat; het was zo ontzettend fijn. Ik voelde me zo gelukkig.’

Hoogenberk moet het in deze memoires eigenlijk vooral hebben van de momenten die op zichzelf staan, de anekdoten: het bezoek van moeder en dochter aan een hotel in Lanaken, waar het personeel elkaar niet kan luchten of zien (‘De ober kwam zich verontschuldigen en zei: ‘Kan gebeuren, mijn collega die de bestelling opnam werkt hier pas drie jaar.’’). Of wanneer dochter moeders laatste wens in vervulling kan laten gaan: roddelen met ene Angèle Driessen, die naar verluidt net zo’n hekel heeft aan een bepaalde familie als zij. ‘Het lijkt me een verdorven plan, maar misschien gelden er op een sterfbed andere normen.’

Klaag- én lofzang

Verheugen, wat doet Hoogenberk dat aanstekelijk. Op dat roddelen bijvoorbeeld, of op om half tien in bed liggen met Winter vol liefde op tv. Verrukt van geluk. Boterhammen met mayonaise en ei eten na een karige, chique lunch. Een lange treinrit in de eerste klas met oortjes in.

En op de nieuwe zwangerschap, na de miskraam. Mireille heeft nog geweten dat ze oma zou worden. Die borsten van haar dochter, kanonnen! ‘‘Ongelofelijk, ik weet niet wat ik zie’, zegt ze steeds. Er is niemand die ik daar zo mee aan het lachen krijg.’

Klaag- én lofzang, Hoogenberk lukt het allebei.

Stéphanie Hoogenberk: Wij vinden dat fijn. Prometheus; 336 pagina’s; € 23,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next