Het publieke debat is een wespennest geworden. Ook daarom is er behoefte aan toneelvoorstellingen waarin de geschiedenis met het heden een wisselwerking aangaat, betoogt Jaïr Stranders, artistiek directeur van Theater Na de Dam – een benadering die tot de klassieke oudheid teruggaat.
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
Als 12-jarige leert zijn oma hem aan de keukentafel een levensles. ‘Ik had het tegenover haar over ‘de moffen’. Ze vertelde toen over een kennis die haar ooit had gezegd dat hij vanwege de oorlog nooit meer Duits wilde spreken. Waarop zij had geantwoord dat hij dan ook van Nederlands moest afzien – er waren immers genoeg Nederlanders geweest die hun Joodse buurman voor een paar daalders hadden verraden. Haar anekdote leerde me dat je mensen nooit mag veroordelen omdat ze tot een bepaalde groep behoren. Iemand kan dan nog altijd goed of fout zijn, beide zijn mogelijk. Stel medemenselijkheid voorop en sluit de ander niet zomaar met je oordelen uit, zo maakte ze me duidelijk.’
Die les, die de 47-jarige Jaïr Stranders eind jaren tachtig leerde, heeft volgens hem nog altijd grote actualiteitswaarde in onze ‘gespannen’ samenleving: ‘We hebben steeds meer moeite om met elkaar in gesprek te blijven. Er wordt over en weer gedemoniseerd, waardoor we elkaar niet meer vinden.’ Als grote boosdoener wijst hij naar de claim op slachtofferschap door diverse groepen: PVV’ers die zich slachtoffers van massa-immigratie en moslims wanen; linkse mensen die al het kwaad zien in kapitalisme, imperialisme en populisme; boeren die wijzen naar milieuactivisten; Joden die achter elke kritiek antisemitisme vermoeden – en de lijst is nog langer. Stranders werkt momenteel aan ‘een boekje’ waarin hij deze ‘morele shitzooi’ wil ontrafelen – ‘een pleidooi voor daderschap’ luidt de werktitel.
Daarnaast is hij, samen met Bo Tarenskeen en Eymert van Manen, medeoprichter en artistiek directeur van Theater Na de Dam, een organisatie die de herdenking van de Tweede Wereldoorlog via theatervoorstellingen vormgeeft. Zestien jaar na de oprichting is Theater Na de Dam verantwoordelijk voor ruim honderdvijftig theatervoorstellingen op en rond 4 mei, variërend van professioneel theater tot jongerenvoorstellingen, waarmee ongeveer veertigduizend mensen worden bereikt. In de ogen van Stranders is theater niet alleen ‘de plek waar de geschiedenis een thuis kan vinden’, maar ook waar ‘via de band van het verleden op het heden kan worden gereflecteerd, bijvoorbeeld op een thema als het uitsluiten van groepen’.
Kernwaarden in het gezin Stranders, dat tijdens Jaïrs jeugd zowel in Israël als in Nederland woonde, waren loyaliteit en medemenselijkheid: ‘Mijn moeder bekommerde zich om alles en iedereen, zozeer dat het soms ten koste van haar eigen gezondheid ging.’ Mede door haar voorbeeld voelt ook hij zich ‘zeer begaan’ met anderen, al voorziet hij dat van een kritische kanttekening: ‘Het is in mijn geval niet alleen maar mooi, het gaat bij mij gepaard met een sterke behoefte aan bevestiging, dat is een rode draad in mijn leven.’ Die behoefte brengt hij in verband met zijn vader, een zakenman ‘die veel waarde hechtte aan presteren op school, maar dat deed ik helemaal niet, ik maakte mijn middelbare school niet af. Later is dat goed gekomen, toen ik een theateropleiding ging doen en vooral toen ik als filosoof afstudeerde.’
Wat bracht u op het spoor van het theater?
‘Ik heb altijd eigenzinnige keuzes gemaakt en ben nooit bang geweest ergens voor te staan. Mijn keuze voor toneel is daarvan een voorbeeld, die maakte me tot een uitzondering op mijn school. Vanaf mijn 14de deed ik elk weekend aan jeugdtheater. Het voelde voor mij logisch om na mijn schooltijd daar mijn heil te zoeken.
‘Een uitzonderingspositie had ik ook door mijn Joodse identiteit, al vanaf de basisschool. Wanneer daar woorden als ‘gas’ of ‘ster’ in de klas vielen, werd er naar mij gekeken. Een onderwijzer noemde mij ‘rubberen kogel’, omdat het Israëlische leger destijds met rubberen kogels op Palestijnen schoot. Dat is me altijd bijgebleven, net als de vertoning van Schindler’s List waar we met de klas naartoe gingen. Nu weten jullie wat mijn familie heeft meegemaakt, dacht ik.’
Tegen het einde van uw theateropleiding gaat u filosofie studeren om u te verdiepen in de grote vragen van het leven. Ziet u een verband tussen die behoefte en uw Joodse identiteit?
‘Jazeker. In het vierde jaar van de theaterschool voelde ik honger naar verdieping in een thema als de menselijke conditie, maar ook in politieke geschiedenis en de verhouding daarvan tot theater. Mijn docent Loek Zonneveld vertelde over het communisme, het nazisme en het naoorlogse theater. Net als veel andere Joden ben ik met een geopolitieke blik opgegroeid. Het is belangrijk de politieke dagkoersen in de wereld te kennen. Als Joden zijn we daarvan te vaak speelbal geweest.
‘Dat ik een andere blik had dan mijn studiegenoten, merkte ik na 11 september (2001, de aanslagen op het World Trade Center in New York, red.). Zij namen in mijn ogen een wat al te gemakkelijk antiwesters standpunt in. Als imperialistische macht konden de VS zo’n aanval wel verwachten, vonden zij. Daarmee ontnamen zij de daders hun verantwoordelijkheid voor het vermoorden van onschuldige burgers. Die reactie, ‘dit kun je verwachten’, hoorde ik ook weer na 7 oktober (2023, de aanval van Hamas op Israël, met 1.200 doden tot gevolg, red.).’
Wat bracht u ertoe u toe te leggen op het herdenken van slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog?
‘Eind jaren negentig maakten toneelteksten over de oorlog, onder meer van Judith Herzberg en Thomas Bernhard, deel uit van mijn theateropvoeding. Ook door mijn eigen familieachtergrond was het een thema. Mijn afstudeervoorstelling ging over de oorlog. Die speelden we in Theater Perdu, waar op een muur een citaat stond van Jacques Presser (historicus, 1899-1970, red.). De taak van de historicus is de doden een stem te geven, zei hij, en wordt hun het spreken belemmerd, dan sterven zij tweemaal. Dat sluit direct aan bij de Joodse traditie, die zegt dat mensen tweemaal sterven: eerst wanneer het hart stopt, daarna wanneer iemands naam niet meer wordt genoemd. Mijn afstuderen was in maart. Loek Zonneveld zei toen: moet je je voorstelling niet ook op 4 mei spelen? Zo is het begonnen.’
Een voorstelling van Theater Na de Dam moet een band hebben met de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog, maar ook betrekking hebben op deze tijd. Waarom?
‘We willen geen reconstructietheater, niet de zoveelste Anne Frank of Soldaat van Oranje. Met de wisselwerking tussen heden en verleden grijpen we terug op een toneeltraditie die via Shakespeare teruggaat tot de klassieke oudheid. Toen al werd aan de hand van de oude verhalen over bijvoorbeeld Oedipus en Antigone commentaar geleverd op actuele maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Dat kaatsen tegen de muur van de geschiedenis levert boeiend theater op, meer dan stukken die met een al te duidelijke boodschap boven op de actualiteit zitten. Die laten weinig ruimte voor reflectie en verbeelding.’
Bij een theaterstuk met acteur Jacob Derwig in 2023 riep een deel van het publiek door zijn tekst heen, toen zijn personage zich als extreemrechts ontpopte. Vond u dat een geslaagde voorstelling?
‘Dat verstoren was natuurlijk niet de bedoeling. Dat stuk was gebaseerd op een glossy van de Wehrmacht uit 1944 waarin een ode aan de Europese cultuur werd gebracht. De teksten in dat blad over het belang van de natuur, kunst en wetenschap zouden zo in verkiezingsprogramma’s van de PvdA of het CDA kunnen staan. Derwig begint met die lofzang op de cultuur, maar gaandeweg verbindt hij daaraan allerlei tradities die ook bescherming verdienen. Zijn teksten worden steeds fouter. Tot het punt dat hij de violist Liza Ferschtman, van wie hij de muziek moet aankondigen, aanspreekt op haar Joodse identiteit. Dan realiseer je je dat je naar een SS’er kijkt die een Jood ondervraagt. Zo wordt het heden akelig dicht bij het verleden gebracht. In dat opzicht vond ik de voorstelling zeer geslaagd. Misschien iets te veel, want je wilt niet dat mensen hem verstoren, wel dat ze nadenken.’
Vanwege de wisselwerking tussen heden en verleden heeft u Theater Na de Dam omschreven als ‘een apk-keuring van de samenleving’. Hoe staan we ervoor?
‘We zitten elkaar in de afgelopen jaren enorm in de haren. Het publieke debat is een wespennest geworden. Ook in dat licht is historische reflectie in voorstellingen belangrijk, want die creëert distantie en daarmee ruimte. Die hebben we nodig, want door polarisatie kunnen we zozeer tegenover elkaar staan dat herdenken uiteindelijk onmogelijk wordt.
‘Daarover ging een van onze meest geslaagde voorstellingen, Schuldig landschap uit 2024. Malou Gorter speelt daarin een politicus uit 2030 die tijdens een parlementaire enquête uitlegt waarom Nederland enkele jaren eerder met herdenken is gestopt. Ze vertelt dat de spanningen in de samenleving te hoog waren opgelopen, herdenken lag te gevoelig. De nationale herdenking was daarom van de baan. Joden kregen het advies achter gesloten deuren te herdenken, dat was beter voor hun veiligheid. We speelden deze voorstelling tijdens de eerste herdenking na 7 oktober, toen velen vreesden dat de dodenherdenking op de Dam zou worden verstoord. Die werkelijkheid werd beschreven door vanuit de toekomst terug te blikken, een geweldige vondst van (toneelschrijver, red.) Nathan Vecht.’
Is Theater Na de Dam niet preken voor eigen parochie? Bereikt u niet vooral mensen die toch al met het onderwerp zijn begaan?
‘Met onze jongerenprojecten trekken we ook een ander publiek. Jongeren interviewen ouderen over hun oorlogsherinneringen en daarmee maken ze dit jaar 55 voorstellingen door heel het land. Vaak zijn het theatrale wandelingen door buurten. Jongeren doen zo kennis op over de geschiedenis van hun eigen stad en voelen zich verantwoordelijk voor het doorvertellen van de verhalen van ouderen. We krijgen ook soms een ander publiek, wanneer de Surinaamse of Indonesische rol bij het verzet wordt belicht. Dan komen die gemeenschappen. Dus dat preken voor eigen parochie valt wel mee.’
U werkt al zestien jaar op het snijpunt van theater en herdenken. Wat houdt u gaande?
‘Het ligt niet in mijn aard op te geven. Ik ben een hoopvol mens en ga door tot de laatste snik. Ik heb kritiek gekregen van extreemlinks, omdat ik me niet scherp genoeg over Gaza zou hebben uitgesproken. En ik heb ervan langs gekregen uit Joodse kringen, omdat ik bij de laatste herdenking van de Februaristaking Jerry Afriyie (mensenrechtenactivist en voorman van Kick Out Zwarte Piet, red.) als spreker had gevraagd vanwege zijn strijd tegen racisme. Die controverses kosten me energie, maar zetten me ook aan door te gaan. Ik ga het debat niet uit de weg.
Mijn hoop is dat we ooit een Nationaal Comité Herdenken krijgen dat zich ontfermt over belangrijke gebeurtenissen in ons verleden die herdenking verdienen, denk aan de Holocaust, de afschaffing van de slavernij, Srebrenica, de eerste immigratiegolf. Met zo’n comité maak je als land duidelijk: dit is belangrijk om te doen. Ook stelt het je in staat betrokkenheid uit te drukken met andere gemeenschappen dan die waartoe je zelf behoort. Dat is een vorm van solidariteit die ons land hard nodig heeft.’
Het Ideaal
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Boektip: Amor fati van Abel Herzberg.
‘Dit boek vormt voor mij een onmisbaar moreel kompas. Herzberg analyseert het kwaad in concentratiekamp Bergen-Belsen. Hij ontleedt de gewetenloosheid van de daders en de ‘besmettelijkheid’ van hun wreedheid. Om menselijkheid te beschermen, moeten we begrijpen hoe daderschap ontstaat. Dit inzicht daagt me uit mijn idealen vorm te geven.’
Source: Volkskrant