Tweede Wereldoorlog Auke Kok schreef een nieuwe biografie van NSB-leider Anton Mussert. „Wat me trof was zijn brutaliteit. Hij was voor de duvel niet bang.”
Auke Kok: "Bij non-fictie mag niet alles. Vind ik dan hè. Anders ben je een beetje een charlatan."
Auke Kok behoort tot de top van Nederlandse non-fictieauteurs, maar dat betekent niet dat het schrijven van een biografie van Anton Mussert hem gemakkelijk afging. Integendeel, vertelt hij in een café in Amsterdam. ,,Soms botste ik op de grenzen van mijn mogelijkheden. Ik heb hier alles in gestopt wat ik in me had.”
En toen hij klaar was, kwam zoals altijd de twijfel. Daarom lazen er meer mensen mee, ook buiten de uitgeverij. De eerste was zijn vrouw Dido Michielsen, die zelf ook schrijver is. ,,Als ik dan met angstzweet in mijn werkkamer zit en weet dat zij in de aanpalende woonkamer leest, en ik hoor haar grinniken of instemmend hummen, dan denk ik: oh, het gaat goed. Die onzekerheid blijft.”
,,Ik heb meer geschreven over de oorlog, bijvoorbeeld een boek over verrader Anton van der Waals dat nu dertig jaar in druk is. Zo ken ik mijn naamgenoot René Kok, geen familie overigens, van het NIOD. Die zei: ‘Er staan hier tientallen dozen over Mussert, waar niemand iets mee doet, zonde!’ Er was een biografie van hem, geschreven door Jan Meyers, maar dat boek is meer dan veertig jaar oud. Ik heb dat met plezier gelezen, maar sindsdien heeft de verhalende non-fictie een behoorlijke vlucht gemaakt.
,,Eerst ben ik enkele weken naar het NIOD gegaan om hier en daar een dossier op te vragen. Toen stuitte ik op een briefwisseling tussen Mussert en zijn aanstaande echtgenote.”
‘Boems’ en ‘Dar’ noemen de geliefden elkaar in die brieven, waarin Mussert toont hoe gevoelig en onzeker hij is. Zo reageert hij verontwaardigd als zij verzuimt een brief te adresseren aan de ‘weledelgeboren’ heer Mussert – de juiste titulatuur voor een student aan een hogeschool.
Kok: ,,Mooi materiaal, ik dacht: dit kennen we eigenlijk niet. Want ik was vooral nieuwsgierig naar de mens achter de zwarte legende. Ik wilde weten hoe het zo was gekomen dat iemand met een florerende loopbaan als ingenieur, met hele goede vooruitzichten – hij had zomaar minister van Waterstaat kunnen worden – zo’n fatale afslag nam en ging denken dat hij het land moest redden.”
Auke Kok: Anton Mussert. Reis naar het kwaad. Hollands Diep, 480 blz. € 35,-
,,Het stereotype beeld dat veel mensen van hem hebben. Een opgeblazen mannetje dat eigenlijk weinig voorstelde. Een behoorlijke ingenieur, maar voor de rest nauwelijks positieve connotaties.”
Mussert. Reis naar het kwaad begint op een onverwachte plek, namelijk niet in Nederland, maar in Nederlands-Indië. Of eigenlijk: in een vliegtuig op weg naar Nederlands-Indië. De keuze voor dat vervoermiddel is niet vanzelfsprekend, want vliegen is in 1935 een gevaarlijke bezigheid. Maar een bootreis kost weken en Mussert wil zijn groeiende beweging, die bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten een grote overwinning heeft geboekt, niet te lang alleen laten. Drie dagen voor vertrek is een vliegtuig van de KLM neergestort bij Schiphol. Op de dag van vertrek is een ander toestel van de KLM op de terugweg uit Indië verongelukt. Het vliegtuig van Mussert komt, na talloze tussenstops, boven Birma in noodweer terecht. De gezagvoerder weet het toestel veilig aan de grond te zetten en wil de reis vervolgen per boot. Maar de NSB-leider haalt hem over toch verder te vliegen.
Bij aankomst in Indië wordt Mussert warm onthaald – de NSB is populair in de kolonie. Er wachten hem erehagen, volle zalen, mensen die hem langs de weg toezwaaien met gestrekte arm. Tot tweemaal toe wordt hij ontvangen door ‘landvoogd’ Bonifacius de Jonge, het hoogste gezag.
Na deze flash forward vertelt Auke Kok het verhaal van Mussert chronologisch. In Werkendam, waar hij opgroeit, is zijn vader als leraar een belangrijk man. Maar zelf is ‘Atje’ als kind niet populair. Als de dochter van de notaris, op wie hij verliefd is, hem te opdringerig vindt, moet hij ergens anders in de klas gaan zitten. Op de middelbare school in Gorkum is hij een matige leerling. Na de middelbare school wil Mussert bij de marine, maar hij wordt afgekeurd.
Op advies van zijn vader schrijft hij zich vervolgens in aan de Technische Hogeschool in Delft. Enkele maanden later overlijdt zijn vader, tegen wie hij enorm opkijkt, na een hersenbloeding. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt Mussert gemobiliseerd. Een nierkwaal maakt definitief een einde aan zijn militaire ambities. Tijdens zijn ziekte wordt hij verzorgd door de achttien jaar oudere halfzus van zijn moeder, die verpleegkundige is. Ze worden verliefd op elkaar. Het stel trouwt met dispensatie van koningin Wilhelmina, want formeel is een huwelijk tussen tante en neef verboden.
Mussert blijkt een laatbloeier. Nadat hij cum laude is afgestudeerd, maakt hij als waterstaatsingenieur vlot carrière, eerst in Noord-Holland, daarna in Utrecht. Hij verwerft landelijke bekendheid als gezicht van een campagne tegen een verdrag met België, dat de toegang tot de haven van Antwerpen moet vergemakkelijken. De tegenstanders daarvan vinden dat de regering de belangen van de Rotterdamse haven verkwanselt zonder daar iets voor terug te krijgen. In 1931 richt hij de Nationaal-Socialistische Beweging, de NSB, op. Die lijkt over haar hoogtepunt heen als de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvallen. Door mee te bewegen met de bezetters hoopt Mussert niettemin zijn droom van een Groot-Nederland te verwezenlijken. Ook maakt hij zichzelf wijs dat Hitler hem na de oorlog tot leider van een autonoom Nederland zal benoemen.
,,Dat leek me verrassend. Als je een biografie van Mussert leest dan is het laatste wat je verwacht dat je de tropen ziet. Het is altijd leuk om de lezer te verrassen. Maar ik kwam ook tot de conclusie dat zijn rondreis door Indië, die in eerdere lectuur altijd is behandeld als een intermezzo in zijn leven, veel meer was dan dat. Die reis heeft zijn radicalisering versneld. Kijk, hij was al een voorstander van een Groot-Nederland. Maar daar kon hij het voelen en ruiken. Mensen stonden in rijen van tien voor hem langs de weg, hij keek zijn ogen uit. Zo’n gigantisch eilandenrijk onder de knoet! En wij brengen daar irrigatie. Zo moet het, dacht hij, dit kunnen wij: al die inlanders die werken voor een habbekrats en nog voor je buigen ook. Helemaal top!”
,,Ja, tijdgenoten dachten dat ook. Omdat hij het toch eerder leek te dóen dan ten diepste te voelen. Misschien kwam dat ook door zijn nuchtere ingenieursachtergrond. Hij had een analytische geest, eerder dan een lyrische.”
,,Absoluut. Hij had een enorme geldingsdrang. Afgekeurd voor de marine. Dan volgt hij een officiersopleiding en wordt hij om gezondheidsredenen ontslagen. Een eenzame jongen in een fout bruin pak. Uit dat soort frustraties komen topondernemers en topwetenschappers voort. Ik zal ze verdomme leren, zal hij hebben gedacht. Hij had een tomeloze energie die ergens heen moest. En op een gegeven moment vloeide die helemaal naar de verkeerde kant.”
,,Nee, want ik kan niet in iemands hersenpan kijken. Als je het teveel gaat invullen ben je bezig met fictie. En ik wil verhalende non-fictie schrijven. Dat betekent dat je je verhaal in een literaire vorm giet, met mensen die tot leven komen en een spanningsboog. Maar alles moet herleidbaar zijn naar bronnen. Ik ga niet chic doen over het mengen van vormen. Bij non-fictie mag niet alles. Vind ik dan, hè. Anders ben je een beetje een charlatan. Dan ben je een marktkoopman die zegt: kijk eens dames, een zijden nachtjapon, 100 procent zijde. En dat het dan 90 procent is, maar dat merken die dames toch niet. Dan ben je gewoon mensen aan het belazeren.”
,,Het was mijn streven om steeds zo dicht mogelijk bij hem te blijven. Onderaan mijn beeldscherm had ik een post-it hangen: Blijf bij M., hoofdletter. Ik had eerst nog het idee om hem af te zetten tegen Koos Vorrink, de socialistische voorman. Maar uiteindelijk dacht ik: nee, dan wordt het te intellectueel en te analytisch. Het spannendst is het toch om de lezer te houden bij de persoon van wie hij alleen maar slechte dingen verwacht.”
Auke Kok
,,Ja, dat vragen mensen. Je ontwikkelt als biograaf wel compassie met je onderwerp. Want niemand wordt zo geboren. Je maakt het stap voor stap mee. Die sociaal wat geïsoleerde student die van lieverlee maar de hele dag gaat zitten leren. Een eenzame ziel die zich wil bewijzen. Dat is invoelbaar. Maar het is: willen begrijpen. Wat iets anders is dan: begrip hebben voor.”
,,Nou, ik doe niet mee aan het modieuze gebruik om op alles wat nu gebeurt het f-woord te plakken. Daarmee bagatelliseer je al het vreselijke wat er in de vorige eeuw gebeurde. Het fascisme was echt een revolutionaire ideologie, die bijvoorbeeld een enorme omwenteling voorstond in de economie. Ik ben het eens met de Italiaanse schrijver Scurati, die zegt: wat we zien is niet een terugkeer naar de fascist Mussolini, maar naar de populist Mussolini. Types als Erdogan en Trump zijn wel populisten met autocratische trekken.”
,,Ja, na de oorlog noemde hij zich ‘de leider van het bovengrondse verzet’. Dat is natuurlijk wel een sterk staaltje politieke framing.”
,,Ik denk dat dat bij hem niet zo diep zat als zijn nationalisme en zijn anti-parlementarisme. Het was niet wat hem dreef. Toen ’t Hooge Nest van Roxane van Iperen verscheen, werd wel geschreven dat Mussert vlakbij die villa in het Gooi verbleef. Zo van, nou als hij had geweten dat daar Joden zaten dan had hij ze vast aangegeven. Ik denk het eigenlijk niet. De Joden interesseerden hem niet zoveel. Maar moreel maakt het natuurlijk niet zo veel uit hoe diep iets zit. Hij zei wel steeds akeliger dingen over Joden.”
,,Nou, wat me echt wel trof, was zijn brutaliteit. Hij was voor de duvel niet bang. Daarom begin ik ook als hij trillend en schuddend in die DC2 zit, in een storm. Bijna niemand van enig aanzien vloog naar Nederlands-Indië, want dat was levensgevaarlijk. Maar kijk ook naar hoe hij zich in de provincie Utrecht manifesteerde om hogerop te komen als ingenieur, hoe hij voor zichzelf lobbyde en zijn superieur het leven zuur maakte achter diens rug om. Dat is geen sulletje. Hij is vaak neergezet als een burgermannetje, maar hij was niet bang om af te wijken. Een burgermannetje trouwt niet met zijn tante. Of begint later een affaire met zijn veel jongere achternichtje, zoals Mussert deed.”
,,Ja, ik maak niet per se een beter mens van hem. Maar wel méér mens van hem. Geen bordkartonnen figuur zonder inhoud. En dat mag ook wel, ruim tachtig jaar na de oorlog.”
Auke Kok (Haarlem, 1956) studeerde maatschappijgeschiedenis in Rotterdam en begon zijn loopbaan als journalist bij achtereenvolgens de Haagse Post, HP/De Tijd, Quote en Radio 1. In 2004 vestigde hij zich als zelfstandig journalist en boekenschrijver.
Terugkerende thema’s in zijn werk zijn oorlog, geschiedenis, muziek en sport. Kok schreef onder meer De verrader. Leven en dood van Anton van der Waals, Holleeder. De jonge jaren, 1936. Wij gingen naar Berlijn, en Johan Cruijff. De biografie.