Georg Baselitz, beroemd om zijn ondersteboven geschilderde figuren, is op 88‑jarige leeftijd overleden. De Duitse schilder werd een van de belangrijkste naoorlogse kunstenaars van zijn land. Zijn ruwe, provocerende werk bleef steeds terugkeren naar hetzelfde onderwerp: het beschadigde Duitsland na de Tweede Wereldoorlog.
Hij was de bekendste van de eerste generatie naoorlogse schilders in Duitsland om de eenvoudige reden dat hij alles vanaf eind jaren zestig ondersteboven begon te schilderen. Zijn op-kop-staande adelaars, vrouwen, koppen, stoelen en bomen groeiden in een paar decennia uit hét stijlkenmerk van kunstenaar Georg Baselitz, buiten dan die verdomde Tweede Wereldoorlog die ook maar steeds bleef terugkeren.
Donderdag werd bekend dat Baselitz op 88-jarige leeftijd is overleden. Door zijn bekendheid als ‘Kopfstand Maler’ zou je haast vergeten dat hij zijn carrière begon met een reeks kliederig geschilderde jongelingen in gehavende padvinderskleding, op blote voeten, veelal met open gulp en uithangend lid, dwalend door het Germaanse woud.
Terugkerende titel: Helden. Algehele sfeer: het kapotte naoorlogse Duitsland. Vanwege hun vermeende pornografische stijl werden ze in 1963 uit een expositie verwijderd, wat Baselitz het gevoel gaf dat hij op het juiste spoor zat.
Het zou zomaar kunnen dat het hier om geromantiseerde, jeugdige portretten van de gedesillusioneerde kunstenaar zelf gaat. Baselitz werd in 1938 geboren als Hans-Georg Kern in het Saksische Deutschbaselitz, te midden van ‘eine zerstörte Ordnung’, zoals hij de opkomst van het nazisme typeerde, hoewel je de periode tijdens en na de oorlog evenzeer als ‘verwoest’ kan zien. Ook op persoonlijk gebied: vader Kern was een enthousiast NSDAP-lid en thuis hing tegen de gevel de leuze ‘Ein Volk, ein Reich, ein Führer’.
Na de oorlog lag Duitsland in puin, viel Saksen onder Russisch gezag, werd het oorlogsverleden verzwegen en bleef er voor de jonge Baselitz met artistieke neigingen, na een mislukte academieopleiding in Oost-Berlijn, niets anders over dan om naar het Westen te verhuizen.
Zo geschiedde en er bleek een ongekende, al even ‘verwoestende’ kracht in hem op te wellen, die hij later als meester-provocateur en zelfbenoemde ‘Brutalinski’ tot grote hoogte wist uit te dragen. ‘Ik ben nu eenmaal een weerbarstig type’, zou hij er over zeggen.
Na zijn jonge-helden-serie kwam dus de ondersteboven-schilderijen-serie. Met een iets mildere thematiek van adelaars en mensfiguren, maar op een even woeste manier gepenseeld. Of in grove boomstronken uitgehakt en -gezaagd, waarbij de sporen van een bijl en kettingzaag zichtbaar zijn gebleven.
Het waren de jaren waarin Duitsland, na de Übermensch-esthetiek van de nazi's en de culturele stilte van de jaren vijftig, zichzelf weer aan de eigen haren uit de onzichtbaarheid trok. Was de experimentele kunst onder de nazi’s ‘entartet’, Baselitz en zijn bentgenoten Markus Lüpertz, Jörg Immendorf en A.R. Penck (sommigen ook uit Oost-Duitsland gevlucht) pakten het expressionisme van het vooroorlogse Duitsland weer op. En hoe. Met veel bravoure en weinig subtiliteit.
Er moest wat verwerkt worden: de oorlog, de opkomende burgerlijkheid, het overgewaaide Amerikanisme met zijn hogedienst van het abstract expressionisme. Het Duitse kwartet was een voorbode van de ‘Hunger nach Bilder’ die Europa en deels ook Amerika zou overspoelen met herkenbare schilderijen. In hun kielzog kregen collega-schilders als Anselm Kiefer, Sandro Chia, David Salle en Julian Schnabel alle aandacht. Het was de tijd van de Power Painters, spierballenkunst die op grootformaat canvassen werd uitgesmeerd, waarbij niet op een litertje verf meer of minder werd gekeken.
Het legde Baselitz (die zijn naamsverandering richting geboorteplaats al in 1961 had veranderd) geen windeieren. Door zijn bekendheid en de opkomende kunsteconomie in het Duitse Ruhrgebied, met nieuwe galeries, verzamelaars en musea, verdiende hij kapitalen. Mede dankzij dit turbo-kapitalisme van de bloeiende kunstmarkt kocht hij in 1974 het tachtig kamers tellende Schloss Derneburg, inclusief bedienden, servetten (met geborduurde monogrammen) en honden.
De geëtaleerde rijkdom en het op-zijn-kop-schilderen waren regelmatig aanleiding voor achterdocht en kritiek. Was het geen gimmick? Een truc? En ging het hem niet iets te veel voor de wind, als kunstenaar? Want kunstenaars behoorden toch links en anti-materialistisch te zijn? Baselitz reageerde er even controversieel op als zijn imago al suggereerde: hij was een openlijke kapitalist en liet zich als poserende kasteelheer graag met geschoren schedel en flinke baard fotograferen in zijn immense atelierruimtes.
Baselitz zelf verdedigde zijn ondersteboven schilderen als een louter, maar noodzakelijk artistieke ingreep: door alles op zijn kop te zetten zou de herkenbaarheid minder en de stijl van schilderen meer aandacht krijgen. Wat op zich klopt, maar gezien het belang van zijn onderwerpkeuze vreemd was. Want de oorlog was nooit ver weg – ook in omgekeerde gedaante.
Denk aan een van zijn krachtigste series: de twintig panelen waarop hij met penseel en botte beitel een versplinterde voorstelling gaf van jeugdige meisjesgezichten, en de twee meter hoge, knalgele koppen die hij met een kettingzaag bevrijdde uit kale boomstammen. Titel: Dresdner Frauen, verwijzend naar de Trümmerfrauen die na het vuurbombardement op de stad in 1945 de puin (‘Trümmer’) opruimden.
Toch weer die oorlog. En het kapotte Duitsland. En de lange ontkenning ervan. En de verwerking. Baselitz mag dan zelf met het ondersteboven schilderen zijn imago hebben bepaald, zijn oeuvre omvat veel meer. Het is een verbeelde samenvatting van wat onze oosterburen de afgelopen zeventig jaar aan getob en geploeter over de Tweede Wereldoorlog hebben doorgemaakt.
Stond aan het begin van de grote overzichtstentoonstelling in de Londense Royal Academy of Arts niet een uit hout bevrijde mannenfiguur die op een weinig subtiele manier de Hitlergroet brengt? Kasteelheer, grootverdiener of krachtschilder, het trauma is in Baselitz’ werk nooit ver weg.
Overigens was Nederland er vroeg bij om zijn werk te laten zien, dankzij Rudi Fuchs die al in 1978 een solotentoonstelling van Baselitz organiseert in het Van Abbemuseum in Eindhoven. Tal van Nederlandse musea hebben werk van hem in de collectie.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant