Schrijver en podcastmaker Stéphanie Hoogenberk was zwanger terwijl haar moeder dodelijk ziek was. Ze schreef er een boek over: Wij vinden dat fijn. Net als in haar boek over vriendschap spaart ze niemand, ook zichzelf niet. „Ik heb me heel schuldig gevoeld dat ik me zo ergerde aan mijn moeders gekerm en haar lijden aan het eind.”
De moeder van Stéphanie Hoogenberk (40), schrijver en podcastmaker, overleed op 6 februari 2025. Uitgezaaide bot- en longkanker. De dochter van Stéphanie Hoogenberk, Lore, werd geboren op 11 mei 2025. Moederdag. Over de maanden waarin de dood over nieuw leven kwam te liggen – ze kreeg daags na haar moeders diagnose ook een miskraam – schreef ze Wij vinden dat fijn, een dagboekachtig verslag over het naderende verlies. Mee naar dokters en specialisten, op maandag en dinsdag naar Sittard om voor haar moeder te zorgen, nog een laatste weekend samen weg. Lachen (veel) en huilen (nog meer).
De gewone sterf- en rouwdingen, maar dan bekeken en beschreven op z’n Hoogenberks. Akelig precies beent ze menselijke interactie uit. Dat deed ze met haar vriendschappen in haar eerste boek We hebben het over je gehad, en zo doet ze het in haar vrijwel wekelijkse podcast De Shitshow met Janneke van der Horst. Elke ontmoeting, elk gesprek, elk appje kan studiemateriaal zijn. Bedoelen mensen wat ze zeggen, of bedoelen ze iets anders te zeggen? Wanneer haar moeder net is overleden, stuurt een kennis een appje: „Ik hoorde van je moeder, wat verdrietig, but you can do it!!” Vrienden zeiden dat ze áltijd een beroep op hen mocht doen, en dan doet ze dat, geven ze – met een smoes – niet thuis. Hoe kán dat?
Van het spuien van verbazing en verbijstering heeft ze haar beroep gemaakt. Vaak kan ze zelf lachen om haar ergernis en irritatie, soms overheerst de teleurstelling. Haar moeders huisarts vindt ze een slappeling, de oncoloog onbeschoft, drie van de vijf verloskundigen vindt ze niet erg aardig, sowieso vallen veel dokters tegen.
Haar inner circle komt ook aan de beurt. Minutieus schrijft ze over wat tantes, nichtjes, haar vader, zijn vriendin en haar eigen vriendinnen doen en zeggen, broers en zussen heeft ze niet. Ze zoomt in op Ton, de mantelzorgende vriend van haar moeder. Op de verre vriendinnen van haar moeder die er als de kippen bij zijn om op ziekenbezoek te komen. Op de mensen van wie ze haar huis kocht in Amsterdam-West – ze wisten dat ze hoogzwanger was én een dode moeder had, namen niet alleen de gordijnen mee, maar ook de rails waaraan ze hingen.
Dat kun je kleinzerig van haar vinden, kleinzielig zelfs. Maar ze slaat zichzelf niet over, ook haar eigen gevoelens en gevoelentjes ontrafelt ze en dát levert iets op waar andere mensen wat aan kunnen hebben. Hoe moet je je tijdens een sterfbed verhouden tot de vriend van je moeder? Kun je én vreselijk veel van je moeder houden én je ergeren aan haar lijdensweg? Waarom zegt iedereen dat haar moeder zo vredig is gestorven, terwijl zij het allesbehalve vredig vond? En de onderliggende vraag van dit intieme dagboek-boek: hoe word je moeder als de jouwe je heeft verlaten?
We zitten nog geen vijf minuten op het terras bij Café Cook, vlak bij haar huis in Amsterdam-West – we hebben al behandeld dat Den Haag een koude stad is, dat ze allergisch is voor haarverf, dat mannen die ze in de Shitshow-podcast beledigt soms heel kinderachtig reageren, en dat ze tijdens haar eerste zwangerschap pánisch was voor uitlaatgassen – of zij zegt, zachtjes maar hoorbaar, dat ze nú al overprikkeld is. De komende drie uur en een kwartier wordt het niet veel rustiger. Klinkt aanstellerig, zegt ze, wijzend op haar hoofd. „Al die gedáchtes die daar maar de hele dag doorheen gaan.”
Tot twee weken geleden schreef ze nog aan haar boek. „Het is allemaal nog heel vers,” zegt ze. Ze zet, preventief, haar zonnebril op. „Ik ben een snelle huiler.”
„Het is persoonlijk, maar niet particulier. Ik had geen zin om er ‘roman’ op te plakken, want dan heeft het minder waarde. Niet veel mensen zullen dit zo durven op te schrijven – soms denk ik: ben ík nou gek dat ik het wél doe…”
„Nee?”
„Ik heb me heel schuldig gevoeld dat ik me zo ergerde aan haar gekerm en haar lijden aan het eind. Je zo slecht voelen over jezelf, dat wil je niet. Dus op een keer, toen ik weer op de terugweg was van Sittard naar Amsterdam, dacht ik: dat ga ik bespreken met mijn vriend of dat een raar gevoel is. Hij is de liefste, de zachtste persoon die ik ken, heel tolerant. En hij zei dat hij met zijn moeder precies hetzelfde had gehad. Een kind wil een ouder niet zien lijden, zei hij, een ouder die zwakte toont, daar verzet een kind zich tegen. En dan is zo’n gevoel voor mij genormaliseerd. Dat zijn de allerleukste momenten in mijn relatie, en ook met vriendinnen: dat iemand precies hetzelfde heeft als jij. Het maakt zoveel minder eenzaam als je weet dat je niet de enige bent met zo’n afschuwelijke gedachte. Ik schrijf het op, omdat ik vind dat we het erover moeten hebben.”
Ze wilde graag twee dagen per week voor haar moeder zorgen, haar moeder vond één wel genoeg. Ze gaat mee naar doktersafspraken, dringt aan op een andere huisarts, een ander ziekenhuis, een betere behandeling. Haar moeder en vriend Ton lijken haar af te remmen.
„De generatie van mijn moeder is gewoon veel te bescheiden tegenover artsen, daar erger ik me groen en geel aan. Van de ene op de andere dag kon mijn moeder niks meer eten of drinken. Ze werd steeds magerder en het leek erop alsof ze daaraan zou gaan sterven. We wisten nog maar net dat ze bot- en longkanker had, hè, er was nog geen definitieve diagnose, geen behandelplan, niks. De huisarts zei: ‘U bent ernstig verzwakt, vervélend.’ Mijn moeder en Ton vonden hem een prima huisarts en ze hádden al flink op deuren lopen bonzen, zeiden ze, om hulp te vragen. Ik mee naar het ziekenhuis, naar die arts.” Ze doet alsof ze op een beeldscherm kijkt. „‘Mevrouw heeft een ontstoken talgkliertje, daarom zakt het eten niet.’ Ik voelde dat het niet klopte wat hij zei, dus ik stelde nog een vraag en daarop reageerde hij ronduit onbeschoft.”
„Denk je dat hij tegen mijn moeders vriend zou hebben gezegd: ‘Je hebt niet goed geluisterd.’ Al hád ik niet goed geluisterd dan nog had hij niet zo hoeven reageren. Mijn moeder en Ton vonden die arts ook weer ‘zo’n aardige man’, maar ik stond erop dat mijn moeder een second opinion kreeg bij een andere arts en díé heeft een uur voor ons uitgetrokken en wist meteen: dat niet meer eten komt door de oxycodon. Een bekende bijwerking van die pijnstilling. Ze kon beter kindermorfinepleisters plakken, de dag erop at ze weer biefstuk.”
„Nee, absoluut niet. We hebben nog negen kwalitatieve maanden gehad.”
„Ze voelde zich goed, ze is nog negen kilo aangekomen, we hebben gewandeld, gesprekken gevoerd. We hebben echt zo’n fijne, leuke tijd gehad. Tuurlijk, je hebt die aftakeling aan het einde, maar het is een immens verschil of je binnen één maand afscheid moet nemen, of negen maanden hebt.”
Haar zonnebril gaat weer op. „Ton was er nog maar zes jaar, ik zag hem niet als stiefvader, maar echt als vriend van mijn moeder, ze woonden niet samen. In zo’n ziekteproces moet je je tot elkaar zien te verhouden, elkaar niet voor de voeten lopen. Dat was nieuw.”
„Ik was blij met die regie. Anders had ik een jaar in Sittard kunnen gaan wonen, en ik vond het al best somber als ik daar een of twee dagen was. Ik dacht dat hij ook wel ferm zou spreken tegen de artsen, maar ik kwam erachter dat dat niet zo was. Ik moest me er wel tegenaan bemoeien, maar ook beleefd blijven. Mijn moeder werd volledig afhankelijk van hem. Ze zei ook steeds dat het zo zielig was voor Ton dat hij straks alleen kwam te zitten. En dan zei ik: ‘Mama, voor mij is het ook erg, je weet toch dat dit voor mij het ergst denkbare is?’”
„Nee.”
„Ik heb geen idee.” Na haar moeders dood hebben ze elkaar nauwelijks nog gesproken, zegt ze. Meer wil ze er niet over kwijt. Hij vond het niet fijn dat ze over haar moeder schreef in columns voor NRC en De Limburger. Zij denkt dat haar moeder het wél leuk vond. „Ze stuurde me appjes door van vriendinnen die haar in die stukjes herkenden. Soms zei ze wel: ‘Je hebt me wel weer lekker geportretteerd, zeg.’ Maar daar maakte ze ook een beetje theater van.”
„Janneke [van der Horst] en ik waren net begonnen elkaar mails te schrijven en dan zouden we wel zien of dat iets kon worden. We waren een maand bezig, we hadden er plezier in, ik schreef al een paar keer dat ik me zorgen maakte over mijn moeder die minder eetlust had. Ik was altijd bang, ze had al twee keer borstkanker gehad. Toen kreeg ze de diagnose en ik kon alleen nog maar in bed liggen, dus ik zei tegen Janneke: ik stop even met die mails. Maar toen gingen we die artsenmolen in, de ziekenhuisbezoeken, en dat was allemaal zo traumatisch dat ik dacht: ik ga het toch opschrijven, ik ga alles documenteren. Janneke heeft een keer in de podcast gezegd dat ze in een wetenschappelijk artikel had gelezen dat dagboekschrijven heel belangrijk is om mentaal rein te blijven. Vooral voor vrouwen schijnt het helend te zijn. Ik ging schrijven, mails, aan Janneke. Bijna dwangmatig, drie, vier keer in de week. Alsof ik mijn trauma bij haar over de schutting gooide. Hier, voor jou. Later kwam er ruimte voor lichtheid. De bezoekjes van vriendinnen aan mijn moeder, de dorpse gesprekjes, de gesprekken met mijn vader, hij is ook altijd een goed iemand om te beschrijven. In het begin schreef ik alles op mijn laptop, met komma’s en punten, later typte ik alles op mijn iPhone. Schrijven, schrijven, schrijven. Ik zou het iedereen aanraden, een dagboek bijhouden en nog beter, het aan iemand schrijven die erop reageert. Het heeft de helft van het verdriet gescheeld.”
„Ik heb er vorm aan kunnen geven en ik vind het fijn om mensen te laten lezen wie ik mis. De dood van een ouder is altijd een grote dood, ook als er geen goede band was. Ik had eigenlijk nog nooit echt een boek gelezen over de dood van een moeder als de band wél goed was. En ik wil de band met mijn moeder omschrijven als heel goed.”
„Ik heb lang best wel kattig gedaan tegen mijn moeder. Iedereen zei: je hebt zo’n lieve moeder en dan dacht ik: ja, ik weet het. Ik wist niet waar dat gedrag vandaan kwam. In therapie kwam ik erachter dat ze ook iets onbehoorlijks deed, namelijk toch heel erg op mij leunen. Mijn ouders scheidden toen ik 22 was. Ik was al uit huis en het was geen verrassing, maar toch vond ik die scheiding een van de grootste dieptepunten in mijn leven. We belden elke dag en dan hoorde ik dat ze down was en dat verdroeg ik niet. Ik studeerde in Amsterdam, ik struggelde, ik wilde ook een relatie, maar nog belangrijker vond ik het dat zij een nieuwe relatie kreeg. Een kind wil dat z’n ouders gelukkig zijn, die loyaliteit zit zo diep. Het is handig als iemand van buitenaf dan zegt dat een moeder haar geluk niet van jou mag laten afhangen.”
„Ik denk dat hij dat intuïtief goed aanvoelde. Ik had er geen ruimte voor, het hele idee van zo’n prille relatie en dat iemand je dan kan verlaten terwijl jij net verliefd aan het worden bent. Ik dacht ook echt dat het niet voor mij was weggelegd, de ouders van een jeugdvriendin hadden ooit tegen me gezegd dat mannen niet houden van verwende meisjes zoals ik, dominante types. En ik had dus ook nog mijn moeder die, wat is het, tien jaar lang alleen was. Die zondagen alleen waren echt wel zwaar voor haar. Mijn vader had snel een nieuwe partner, daar hoefde ik me geen zorgen over te maken, zo zag ik het echt.”
„Van mijn therapeut mocht ik nog maar één keer per week een kwartier bellen met mijn moeder. In het begin deed ze een beetje spottend, zo van: ‘O fijn, we mogen weer bellen.’ Maar het heeft geholpen. En het gekke is, toen de wederzijdse afhankelijkheid doorbroken was en onze band normaliseerde, kreeg zij een vriend.”
Stralend: „Tinder.” Hij heeft al een dochter van 18, zij woont bij hen en slaapt in het tuinhuisje.
Na twee uur op het terras begint de zon te branden. Ze smeert haar gezicht grondig in met zonnebrand. Daarna kiest ze – hardop – een broodje van de menukaart. „Ik neem de tosti met pastrami, of nee, de avocado – die is heel lekker, krijg je ook heel lekker brood bij, maar die pak ik altijd, dus ik neem de aubergine. En de hibiscuslimonade, die moet je nemen.” Als de broodjes komen, deelt ze de messen en vorken uit en verdeelt het brood.
„Dat ging eigenlijk best soepel. Ik had me zo goed voorbereid, ik had al van vrienden gehoord hoe verschrikkelijk zwaar het is, een baby. Mijn kraamtijd was een roze wolk. Het scheelt misschien dat ik al wat ouder was, 39, en wat het ook is, als je zo’n belangrijk iemand als je moeder verloren hebt, kun je al die liefde op de baby richten. Maar zelfs als alles goed gaat en je hebt een vriend die veel doet en je voelt je goed, dan toch voel je iets van eenzaamheid. Als ik alleen met haar in de wandelwagen over straat liep… Janneke zei dat zij dat ook had. Ik denk dat elke prille moeder een bepaald soort eenzaamheid voelt.”
„O, nee, nee. Maar ze was zeker komen kramen, daar zou ze van genoten hebben. Mijn dochter is een kopie van haar. We waren bij het consultatiebureau, daar werkt de broer van een tante en hij zei: ‘Stef, pre-cies je moeder.’ Ze zou het heerlijk hebben gevonden en ik zou haar elke dag hebben gebeld.”
„Ja, ja, geweldig was dat. Ik was er zelf nooit opgekomen, maar de dag voor de crematie van mijn moeder wilde ik een massage. Heel Sittard afgebeld, nergens een zwangerschapsmassage te krijgen. Er was nog één plekje in Roermond, twintig minuten rijden verderop, op de ochtend voor de crematie. Ik erheen, want ik stond strak van de spanning. Mooi wit huis aan het water, knotwilgen in de tuin, een wit Maria-kapelletje. Zo’n fijne plek. Die massage was heerlijk, fijne vrouw. Na afloop vraagt ze: ‘Hoe is je moeder gestorven?’ Ik zeg: ‘Euthanasie, en het was zo afschuwelijk.’ Zij had haar moeder verloren toen ze net zo oud was als ik, ook euthanasie en ze had precies dezelfde ervaring. Haar broer en zus waren er ook bij geweest en die hadden het wel prachtig gevonden. Daar was ik zo blij om, want ik dacht dat ik me er zo alleen bij had gevoeld omdat ik enig kind ben, maar daar lag het dus niet aan.”
„O ja, die masseuse was zelf ook doula en ze kende een goeie in Amsterdam.”
„Weet ik niet. Ik had nu zo’n behoefte aan een zacht iemand aan mijn bed en zij was geweldig. Ze heeft foto’s gemaakt, dat wilde ik niet, want ik had geen zin in bloederige taferelen, maar ze heeft toch een fotoboek gemaakt en ik ben daar zo blij mee. Zij heeft ook de matrescence gezien bij mij, dat is de overgang van vrouw naar moeder, die schijn je in iemands blik te kunnen zien.”
„Je denkt, iemand krijgt een injectie en doet rustig zijn ogen dicht. Zo werkt het dus niet. Ze maakte een soort stikgeluid. Daarna heb ik nog aan die arts gevraagd of ze nou gestikt was. Nee, nee, zei hij, een reutelende ademhaling kan er soms bij horen. Dat had hij dan van tevoren moeten zeggen. Iedereen die erbij was in de kamer zat toch weer soort van te jokken. Ze zeiden dat het zo mooi was. Zo vredig was ze gegaan. Zo’n mooi einde. Zelfs mijn vriend deed eraan mee. Op de terugweg in de auto vroeg ik: vond je het nou echt mooi? Je mag het eerlijk zeggen. Nou, zei hij, het was wel even akelig. Hè, hè, zie je wel. Het is zo eenzaam als je denkt dat je de enige bent met zo’n ervaring.”Naast onze tafel zijn drie jonge vrouwen komen zitten. Twee hebben een slapende baby op hun buik gebonden, één wiegt een wandelwagen. „Een clubje”, zegt Stéphanie Hoogenberk. „Ik heb geen clubje.” Ze heeft ook geen appgroepje, zegt ze. „Maar dat wil ik wel. Ik heb heel veel zin om over babydingen te praten met andere moeders.”