Home

Een fles werkt gulzigheid in de hand

Peter Buwalda is schrijver en columnist van de Volkskrant

Het is nooit goed, ik weet het. En als het wel goed is, heb ik niet gekeken, zoals naar PSG – Bayern München, halve finale Champions League van afgelopen dinsdag, volgens sommigen de beste voetbalwedstrijd aller tijden. Doe effe normaal zeg, er zijn mensen die een boek proberen te lezen. Ze weten op de een of andere manier dat ik niet gekeken heb, anders zouden ze niet zo overdrijven.

Gelukkig lag ik heerlijk te lezen, Faulkner, Sanctuary. Beste roman aller tijden, ga ik toch ook niet beweren? Nee, ik had de geitenkaas de geitenkaas gelaten, 5-4, dat is geen professionele uitslag, twee schiettenten voor de prijs van één. En als ik eens een keertje wel kijk, staat er een ex-voetballer uit te leggen dat je de nul moet houden. Echte topploegen houden de nul.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

‘Ben je chagrijnig?’

‘Laten we vanavond PSG – Bayern München kijken.’

‘Is die niet al geweest?’

‘Nee, hoor.’

Wat ik ook niet geslaagd vond aan die wedstrijd was dat ik wel heel veel pinda’s heb gegeten. Voetbalpinda’s – maar zonder voetbal. Het is niet de bedoeling, zeker niet tijdens het lezen. Voor mijzelf niet, als ik die teugel loslaat, kunnen ze me over twee maanden met een hijskraan (dak eraf) van het bankstel takelen, maar ook niet voor Faulkner, qua vette vingertjes.

Ik schijn anal (anaal, vertaling PB) te zijn als het op vingers en boeken aankomt, een asperger, een psychopaat, ik heb het allemaal mogen vernemen. Die Sanctuary bijvoorbeeld is een pronkstuk, te weten een Penguin Pocket uit 1953 die wonderlijk genoeg het Groningse studentencorps heeft overleefd. Er staan fraaie, ronde stempels in, ‘Leeszaal van het Groninger Studenten Corps’, groene inkt, en voorin zit een gebriefhoofd, uitvouwbaar papiertje. ‘Dit boek is uitgeleend op’:

‘19-10-54’

‘18-12-55’

Mooi, kan ik van genieten, ik mag hopen dat die twee corpsballen zonder plakkerige pindahandjes te werk zijn gegaan, pas een beetje op.

Ik begon kalm, bijna stiekem. Tot mijn spijt was er die ochtend een gek plastic flesje vol met pinda’s opgedoken dat ik ooit eens na een lezing had gekregen. ‘Wil je dit bewaren?’ Toch wel.

Nu, uren later, stond ik ineens in de keuken dat flesje te zoeken! Even proeven kon geen kwaad. Ik draaide de schroefdop eraf en schudde vier, vijf pinda’s in mijn handpalm. Ze hadden een specifiek smaakje, ze smaakten naar meer.

De pindamix in het merkwaardige flesje, dat beter paste bij sinaasappelsap of bronwater, was gehaaid. Om de vijf gewone zoute pinda’s bezat er eentje een gepaneerd jasje: een ongegeerde borrelnoot, hoeven we niet omheen te draaien. Die combinatie van pikant bedekt en naakt heeft me waarschijnlijk opgebroken.

Daar lag ik, op de bank in klassieke voetbalhouding, voor de zekerheid even zonder mijn fraaie Faulkner, naar de televisie te staren, een zwarte rechthoek (Malevich) waarop, of waarachter, of eigenlijk waarín, zonder dat ik er erg in had, de beste voetbalwedstrijd ooit te zien was, met op mijn borst een bakje pinda’s dat ik, het gekke flesje binnen handbereik, voortdurend, als een ijverige ober, bij bleef schenken.

Iets was er aan het misgaan. Ik las Faulkner noch keek PSG – Bayern. Ik lag alleen maar pinda’s tot pap te malen. De fles moest leeg, zoveel was me duidelijk. Op het etiket, zag ik nu pas, stond: ‘Eine dieke dankewaal veur dich!’ Kijk aan, een Limburgs pindachateau, je zult het meemaken. Een nadeel van een fles, merkte ik nog voor de bodem in zicht kwam, is dat je hem aan de mond kunt zetten. Wat ik toen maar gedaan heb.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next