Home

Kabinet wil meer statushouders snel aan werk helpen, proef met ‘startbanen’ wordt uitgebreid

Het kabinet wil dat ruim tachtig gemeenten de komende tijd statushouders al tijdens hun inburgering aan werk helpen. Een proef met zogenoemde laagdrempelige ‘startbanen’, wordt in afwachting van een definitieve aanpak flink uitgebreid.

is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over de volksgezondheid.

Ondanks de krapte op de arbeidsmarkt lukt het al jaren moeizaam om asielzoekers met een verblijfsvergunning (statushouders) aan het werk te krijgen. Dat terwijl nieuwkomers juist bewezen baat hebben bij een baan om snel te integreren en de taal te leren.

Drie jaar geleden begon het toenmalige kabinet daarom al met een proef in zeven gemeenten, waaronder Amsterdam, Eindhoven en Rotterdam. Door bijvoorbeeld in asielzoekerscentra statushouders aan mogelijke werkgevers te koppelen moesten zij al tijdens de inburgering aan een baan worden geholpen.

Uit een evaluatie van die proef blijkt dat ten minste 44 procent van de deelnemers daadwerkelijk een baan vond. Dat percentage kan in werkelijkheid hoger liggen, omdat niet van iedereen bekend is of ze aan het werk zijn gegaan. Wel is duidelijk dat 10 procent van de statushouders uitviel.

‘Iedereen keihard nodig’

Minister van Werk en Participatie Thierry Aartsen (VVD) vindt die resultaten reden om de proef nu uit te breiden. ‘Het is écht een gemiste kans als we talent onbenut laten’, aldus Aartsen in een schriftelijke reactie. ‘We hebben iedereen keihard nodig op de arbeidsmarkt. (...) Door te werken bouw je als nieuwkomer bovendien sneller een zelfstandig bestaan op.’

Aartsen wil dat in totaal tachtig gemeenten de komende tijd statushouders aan de zogenoemde ‘startbanen’ helpen. Het gaat dan veelal om laagdrempelig werk dat veelal zonder vooropleiding of uitgebreide kennis van de Nederlandse taal kan worden uitgevoerd. Uit de proef blijkt dat statushouders met name werk vinden in de horeca, catering, bouw, logistiek en techniek.

Maar hoe zij aan werk worden gekoppeld en worden begeleid, kan wel sterk verschillen, zo blijkt ook uit de proef. Afgelopen jaren kregen de deelnemende zeven gemeenten veel vrijheid over de invulling. Sommige werkten met ‘interculturele coaches’ op de werkvloer, andere boden trainingen aan. Ook was deelname in de ene gemeente voor statushouders een verplicht onderdeel van hun inburgeringstraject, terwijl op andere plekken het accepteren van een werkplek vrijwillig was. De gemeenten die zich straks gaan meedoen aan de proef, mogen ook zelf kiezen hoe ze die gaan invullen.

Haken en ogen

De proef laat bovendien zien dat er nog heel wat haken en ogen zitten aan het vinden van het juiste werk voor statushouders. Zij volgen namelijk naast het werk ook een intensief inburgeringstraject, waardoor zij maar een deel van de week kunnen werken. Vaak zijn zij maximaal 24 uur per week beschikbaar. Bovendien is er door taalachterstand of gebrek aan een vooropleiding soms veel begeleiding nodig op de werkvloer.

Dat statushouders maar een beperkt aantal uur kunnen werken, betekent ook dat een financiële prikkel vaak ontbreekt. Het loon is dusdanig laag, dat zij niet uit de bijstand komen. Uit de proef blijkt dat statushouders die aan het werk zijn gegaan dan ook vooral ‘motivatie, zingeving, sociale contacten en het sneller leren van de taal’ als redenen noemen om te werken.

Daarmee lijkt de proef een van de grote obstakels voor het vinden van werk niet weg te nemen. Eerder dit jaar concludeerde de Algemene Rekenkamer al dat statushouders tijdens hun inburgering moeilijk aan het werk komen, onder meer door verplichte taallessen. Een suggestie was daarom om ook taalonderwijs op de werkvloer aan te bieden.

Minister Aartsen werkt de komende tijd aan een ‘brede aanpak’, die hij voor de zomer wil presenteren. Hij kijkt ook naar de resultaten van de proef, maar het is nog niet duidelijk wat hij van de verschillende methoden overneemt.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next