Home

Deze jonge Zwitser schreef een roman die zich kan meten met de grote werken uit de wereldliteratuur

Nelio Biedermann Nelio Biedermann publiceerde een ambitieuze roman over de ondergang van een Hongaarse adellijke familie, waarin hij veelvuldig naar de wereldliteratuur verwijst. De piepjonge schrijver wordt een literaire erfgenaam genoemd van Thomas Mann en dat blijkt nog enigszins waar te zijn ook.

Het Gödöllö-kasteel in Midden-Hongarije.

Op het eerste gezicht lijkt het een hype. Een schrijver van 22 jaar oud, die met een roman van ruim 300 bladzijden komt over de tragische lotgevallen van meerdere generaties van een Hongaarse adellijke familie. Een boek waarin de halve geschiedenis van Europa in de 20ste eeuw voorbijkomt, culminerend in de onderdrukking van de Hongaarse Opstand van 1956. Die schrijver wordt door zijn aanpak en thematiek ook nog eens een literaire erfgenaam genoemd van Thomas Mann en Joseph Roth, wier epische werken Buddenbrooks en Radetzkymarsch hun gelijke in Lázár zouden vinden. Het Oostenrijks literaire zwaargewicht Daniel Kehlmann geeft nog een toefje op de feesttaart door te schrijven: „Een echt grote schrijver betreedt hiermee het toneel, die volledig in het bezit is van zijn capaciteiten.”

Nelio Biedermann: Lázár.(Lázár) Vert. Kris Lauwerys & Isabelle Schoepen. Atlas Contact, 334 blz. € 24,99

Het klinkt allemaal ongelooflijk en toch is het enigszins waar. Want de Zwitserse schrijver Nelio Biedermann heeft met Lázár een Buddenbrooks Light geschreven, al kan hij natuurlijk nergens wedijveren met Manns meesterlijke gevoel voor ironie. In zijn aanpak en stijl zou je Biedermann hoogstens een leerling van Thomas Mann kunnen noemen, vooral waar het zijn nauwkeurige beschrijvingen van de goudomrande serviezen en interieurs of de zelfbespiegelingen van zijn personages betreft. Als een van die laatsten, een priester die zich tegen de nazi’s verzet, een bewonderaar van Marcel Proust blijkt te zijn, herken je ineens ook het begin van À la recherche du temps perdu in de passage waarin de jongste telg van de Lázárs, Pista, de slaap niet kan vatten van erotische opwinding. En dan besef je dat Proust Biedermanns tweede grote voorbeeld is.

Verder speelt Biedermann regelmatig met verwijzingen naar de wereldliteratuur. Behalve Mann, Roth en Proust, komen ook E.T.A. Hoffmann, Arthur Schnitzler, Gottfried Benn, Ödon von Horváth, Carl Zuckmayer, Franz Kafka, Nikolaj Gogol, James Joyce, Simone de Beauvoir, Sándor Márai, Robert Musil en Virginia Woolf voorbij. Hij gebruikt hen als een knipoog naar zijn literaire helden, terwijl hij soms ook zichzelf als ‘de schrijver’ een paar keer in het verhaal wurmt.

Hetzelfde spel speelt Biedermann met de geschiedenis. Zo voert hij een niet-bestaande zoon van Bismarcks Joodse bankier Gerson von Bleichröder op, die hij laat trouwen met de zuster van zijn hoofdpersonage Lajos von Lázár. Deze Kurt von Bleichröder is een pacifist en staat model voor de geassimileerde Duitse Jood die het Derde Rijk ontvlucht en naar Amerika emigreert.

Em dan is er de figuur van Stalin. Aan het einde van Lázár zoekt de dictator in zijn laatste uren wanhopig naar zijn exemplaar van Gogols Dode zielen, zijn lievelingsboek. Het is precies het spel met de werkelijkheid dat ook zijn bewonderaar Daniel Kehlmann zo goed beheerst, zoals bleek uit diens laatste roman Lichtspiel, over de filmregisseur G.W. Pabst in het Derde Rijk.

Toch schrijft Biedermann (Zürich, 2003) geen vernieuwende literatuur. Maar daar verschijnt tegenwoordig al genoeg van, zou je denken. Nee, Lázár is eerder een vroeg 20ste-eeuwse roman met speelse 21ste-eeuwse elementen en een behoorlijke zweem van nostalgie. Bovendien onderscheidt het boek zich van het werk van Biedermanns grote voorbeelden door zowel de soms onaffe verhaallijnen als de wat te gewilde seksscènes die je bij Mann en Roth nooit zult tegenkomen, maar die duidelijk zijn ontsproten aan het fantasierijke brein van een 21ste-eeuwse, naar erotische variaties smachtende jongeling . Niet voor niets wordt in Duitsland door Tom Tykwer (van de tv-serie Babylon Berlin) al aan een boekverfilming gewerkt.

Eigen familiegeschiedenis

Lázár, dat gebaseerd is op de geschiedenis van Biedermanns Hongaarse grootouders, leest als een klassieke roman met een spannend verhaal. Dat komt mede doordat het zich afspeelt tegen een woelige historische achtergrond en is geschreven in een rijke taal met lange zinnen, die door Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen in fraai Nederlands is omgezet. En daarbij heeft Lázár soms ook iets magisch-realistisch, zo spookachtig zijn sommige gebeurtenissen die erin worden beschreven.

Het verhaal begint met de geboorte van Lajos von Lázár, ergens aan het einde van de 19de eeuw, met de archaïsche zin: „Aan de rand van het donkere bos lag nog de sneeuw van de vervlogen eeuw, toen Lajos von Lázár, het doorzichtige kind met de waterblauwe ogen, voor het eerst de man zag die hij tot na diens dood voor zijn vader zou houden.” Die vader is Sándor von Lázár, een baron die op een afgelegen kasteel in Hongarije woont, dat dan nog deel uitmaakt van het Habsburgse Rijk. Meteen besef je dat dat bos een duistere functie heeft en Lajos een kind van een ander is. Om alles nog intrigerender te maken laat Biedermann Sándor op diezelfde eerste bladzijde door angst bevangen worden. Het heeft, zoals je algauw leest, alles te maken met dat bos, dat, zoals je even later te weten komt, „zijn vader had opgeslokt, zijn moeder had gedood en zijn broer tot waanzin had gedreven.”

Die dreigende krankzinnigheid ligt het hele boek door bij vrijwel iedereen op de loer en wordt verbeeld door Sándors oudere broer Imre. Na een akelige ervaring in het bos wordt hij krankzinnig en brengt hij vrijwel de rest van zijn leven door in een blauwe kamer in het kasteel. Wat er in het bos precies is gebeurd, blijft een mysterie.

Wel wordt al snel duidelijk dat die gekte zijn oorsprong vindt in de verveling van het dagelijkse leven op dat afgelegen kasteel. Ook Sándors vrouw Mária lijdt eronder. Dat blijkt als zij zich aan het begin van de roman met het scheermes van haar man dagelijks verwondingen aan haar armen toebrengt, om te beseffen dat ze nog leeft. Het noodlot kondigt zich daarmee al meteen aan.

Sándor, die zijn waardigheid vooral aan zijn landheerlijke status ontleent, probeert zijn verveling tegen te gaan door zich in het nabije stadje Pécs met vaste regelmaat in de armen van een bloedmooie, hartstochtelijke maîtresse te storten. Maar ook hem zal die lustbevrediging niet van de ondergang redden. Want uiteindelijk weet niemand in dit boek hoe te leven. En dat is misschien wel de wezenlijkste boodschap die Biedermann voor zijn lezers heeft.

Psychiater

De psychologie van Biedermanns personages past bij die van hun tijd, al geeft hij ze soms iets extra’s mee. Bijvoorbeeld als hij Lajos von Lázár, die zich na de dood van zijn vader in 1919 als een dynamische opvolger manifesteert, naar een psychiater stuurt, een leerling van Freud. Daar spreekt hij zijn twijfels uit over zijn mannelijkheid en het stilgevallen seksleven met zijn vrouw Lilly na de geboorte van hun eerste kind. Biedermann grijpt hier een beetje al te gretig terug op zijn favorieten uit de wereldliteratuur. Want als Lajos de psychiater vertelt dat zijn gemankeerde mannelijkheid mogelijk te herleiden is op een vernederende ervaring met een kaars in zijn kostschooljaren, weet je dat die ontleend is aan de kostschoolroman Die Verwirrungen des Zöglings Törless van Robert Musil. En was die kwestie met die kaars al op het flauwe af, dat psychiaterbezoek had voor mijn part weggelaten mogen worden.

Als in 1944 het Rode Leger de nazi’s heeft verslagen, komt Biedermann bij de kern van wat hij wil vertellen. Hij treedt daarmee in de sporen van Joseph Roths Radetzkymarsch door Lajos’ inmiddels volwassen zoon Pista te laten mijmeren over zijn fascinatie met de dood. En dan lees je: „Hij was altijd al door de dood omgeven geweest. Enerzijds de concrete dood, waar zijn grootouders ten prooi aan waren gevallen en waar het zwijgen over werd bewaard, en anderzijds de abstracte dood, die lag in de ondergang van de monarchie, de neergang van de aristocratie en de teloorgang van de traditionele wereld waarop hun wereld berustte.”

De verveling van Sándor en zijn vrouw zet zich voort bij hun zoon Lajos, die na een aanvankelijke levenslustige start vol industriële ondernemingszin, grote diners en jachtpartijen ook door dat donkere bos lijkt te worden opgezogen. De enige die er, weliswaar door de nazi’s gedwongen, aan ontsnapt is Lilly, die kort na de Anschluss samen met haar Joodse man en kinderen naar Zwitserland weet te ontkomen.

Collaboratie

In de Tweede Wereldoorlog is het gedaan met het archaïsche Hongarije van machtige landheren, jachtpartijen, grote diners en horigheid. Het land collaboreert met de nazi’s, voornamelijk uit angst voor de Sovjet-Unie, die sinds Stalins bezetting van het oostelijke deel van Polen aan Hongarije grenst. Als reserveofficier van het Hongaarse leger wordt Lajos, die aanvankelijk bewondering voor Hitler koesterde, door de Duitsers belast met de organisatie van het leeghalen van het Joodse getto van Pécs. Het bezorgt hem in 1944, zodra hij eindelijk beseft wat er met de weggevoerde Joden is gebeurd, een knagend schuldgevoel. Hij heeft zich bewust blind gehouden voor het kwaad van de nazi’s en verwijt zichzelf geen moed te hebben getoond. En dat allemaal om zijn bezittingen te kunnen redden.

Als in 1948 Moskou in Hongarije een communistisch regime aan de macht brengt, is de onteigening van de adel een feit. Lajos zakt in de volgende jaren steeds verder weg in dezelfde lethargie die ook zijn vader gijzelde. Aanvankelijk wordt hij met zijn vrouw en kinderen, net als alle andere aristocraten, naar het platteland verbannen. Daar slagen zijn twee kinderen, Pista en Eva, er in om als volwaardige mensen in het nieuwe Hongarije op te gaan. De nog piepjonge Eva ontdekt haar seksualiteit en geniet niet alleen van haar nieuwe leven als boerenarbeidster, maar ook van de vrijpartijen in het hooi met de mooie Milan.

Op zijn beurt leeft Pista op nadat Chroesjtsjov in 1956 de misdaden van Stalin heeft geopenbaard en er een politieke dooi aanbreekt. Maar ook deze opleving is van korte duur en eindigt met de Hongaarse Opstand.

Biedermann vertelt zijn verhaal met verve en laat het, op een paar onafgewerkte verhaallijnen na, nergens verslappen. En als de tergende sloomheid van zijn personages alsnog de overhand lijkt te krijgen, verzint hij een truc. Zo springt hij dan door de tijd aan de hand van een reeks losstaande alinea’s waarin hij de historische gebeurtenissen kort samenvat. Het verhaal, dat elders Sándor Márai-achtige overpeinzende trekken bevat, krijgt op zo’n moment een forse duw voorwaarts, om vervolgens weer in die typische Habsburgse traagheid te vervallen die zijn personages naar hun ondergang voert. En daar is het Biedermann tenslotte om te doen. Voor een man van inmiddels 23 jaar is zoiets meer dan veelbelovend. Ik zie nu al uit naar zijn volgende boek.

Boekrecensies fictie

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next