Ontbossing Wereldwijd stranden pogingen om bossen te herstellen, met schadelijke gevolgen voor de biodiversiteit en het klimaat. Eén van de grootste herstelprogramma’s ter wereld had zelfs een averechts effect, blijkt uit onderzoek van NRC en Lighthouse Reports.
Parkwachters beplanten eind 2021 een kaal gebied van het Masungi reservaat in de omgeving van Manila. Het natuurgebied en de personen op de foto komen niet in dit artikel voor.
Een dicht bladerdek, dat is wat een satelliet op 8 december 2016 fotografeert, enkele kilometers ten westen van het Filippijnse dorpje Santa Teresa. Op de foto staan lichtgrijze wolkjes scherp afgetekend tegen het donkere bos daaronder. Het uitgestrekte groene landschap wordt alleen onderbroken door het bruine water van een snel slingerende rivier.
Maar ruim drie jaar later is alles anders. Begin 2020 passeert de satelliet hetzelfde gebied en maakt opnieuw een foto, dit keer op een onbewolkte dag. Waar eerst bomen stonden, zijn nu meerdere kale vlaktes. In de bruine aarde staan lange strepen die lijken op bandensporen, daaromheen liggen velden van talloze kleine groene stipjes, in nette rijen naast elkaar: de aanplant van jonge boompjes. Alleen de nabijgelegen rivier volgt nog hetzelfde slingerende pad.
Wat bracht deze ingrijpende verandering op gang? In 2018 is dit gebied geselecteerd voor het National Greening Program (NGP), een programma voor bosherstel. Maar het tegenovergestelde gebeurt, tonen satellietbeelden van dat jaar. Het oorspronkelijke bos wordt gekapt.
De omtrek van het NGP-gebied is in bovenstaande foto weergegeven met een witte lijn
De groene stipjes die daarna verschijnen zijn de eerste tekenen van een vers aangelegde cacaoplantage. Als die in de jaren daarna verder groeien, blijven grote kale vlakken bestaan. Het gebied wordt nooit meer zo groen als het was voordat de ‘vergroening’ moest beginnen.
Dat lijkt paradoxaal, maar gebeurde de afgelopen vijftien jaar keer op keer, in alle uithoeken van de Filippijnen. Het NGP, één van de grootste programma’s voor herbebossing ter wereld, heeft ontbossing verder aangejaagd. Dat blijkt uit onderzoek van de journalistieke onderzoeksorganisatie Lighthouse Reports in samenwerking met NRC.
We verzamelden kaartgegevens van alle 133.000 Filippijnse gebieden die voor het NGP zijn geselecteerd en combineerden die met gedetailleerde satellietgegevens over bosverlies van de afgelopen vijfentwintig jaar. Uit die analyse blijkt een duidelijk patroon: in het jaar dat een gebied wordt geselecteerd voor herbebossing, is de ontbossing keer op keer het allergrootst.
De kaalslag is een direct gevolg van het programma, blijkt bovendien uit overheidsdocumenten en interviews met betrokkenen, en is niet uniek voor de Filippijnen. Wereldwijd, van Madagaskar tot Finland, hebben maatregelen voor natuurbescherming onbedoelde, averechtse effecten.
Nationale overheden blijven ondertussen vertrouwen op herbebossing als instrument om de effecten van hun fossiele uitstoot te dempen. Als hun plannen niet worden gerealiseerd, kunnen internationale klimaatafspraken op losse schroeven komen te staan. Dan zal de aarde nog verder opwarmen dan de modellen nu al laten zien.
„Soms lijken we te vergeten”, zegt een Amerikaanse voice-over in de officiële campagnevideo van het NGP, „hoe belangrijk de bossen zijn voor ons land.” Donkere bossen trekken aan de camera voorbij, een spectaculaire zonsopkomst rijst achter de bergen. Ricardo Calderon, topambtenaar van het ministerie van Milieu, benadrukt even later hoe groot de opgave is. Het bladerdek op de Filippijnen is sterk gekrompen, zegt hij terwijl de filmmuziek blijft spelen, van 67 procent in de jaren vijftig, naar 23 procent nu. „Dit moet worden hersteld.”
Het is een ambitieus doel, waarmee het NGP vijftien jaar geleden van start gaat: anderhalf miljard nieuwe bomen op anderhalf miljoen hectare grond. Boerencoöperaties en inheemse gemeenschappen zullen de boompjes tegen betaling opkweken, planten en verzorgen. Het is het „vlaggenschip” van de Filippijnse milieubescherming en wordt internationaal gezien als voorbeeld, vanwege de manier waarop het klimaatverandering en armoede tegelijkertijd moet bestrijden.
In de jaren daarna groeit de doelstelling van het ambitieuze programma van 1,5 miljoen naar 7,1 miljoen hectare, een gebied groter dan Nederland en België samen. Het NGP draagt al bij aan „een verbetering van cruciale habitats”, schrijft de regering in 2017 in een nationaal plan, „waardoor het uitsterven van bedreigde flora en fauna een halt is toegeroepen.”
Niet veel later ontstaan de eerste barsten in het Filippijnse succesverhaal. Door de haast waarmee het programma is uitgerold, sterft een groot deel van de geplante boompjes. Tegelijkertijd krimpt het budget dat de regering voor het programma vrijmaakt, naar minder dan een derde van het oorspronkelijke bedrag. Stilletjes verdwijnt de vaart uit het vlaggenschip van het Filippijnse natuurbeheer.
Waar ging het mis? Niet alleen bij de stervende aanplant, blijkt uit de data-analyse van Lighthouse Reports die is uitgewerkt door NRC. De grootste schade is meestal al aangericht voordat er ook maar één zaailing is geplant.
Het jaar dat een gebied voor herbebossing wordt geselecteerd, bereikt de ontbossing een absolute piek, blijkt als we alle NGP-gebieden bij elkaar optellen. Dat jaar is het bosverlies gemiddeld 85 procent hoger dan in de zes jaar die daaraan voorafgingen. Het jaar daarop daalt de ontbossing direct weer met 27 procent, en vlakt daarna verder af tot het oorspronkelijke niveau.
Neem bijvoorbeeld de bijna zesduizend gebieden die in 2014 zijn geselecteerd voor het NGP. In die gebieden bereikt de ontbossing datzelfde jaar een piek: in 2014 verdwijnt ruim twee keer zo veel bos als gemiddeld in de afgelopen 25 jaar.
Deels is dat te verklaren. Het jaar 2014 is ook in de rest van de Filippijnen een jaar met relatief veel ontbossing. Maar als we daarvoor corrigeren, vindt nog steeds verreweg de meeste ontbossing in het selectiejaar plaats. Dat geldt ook voor de gebieden die in de daaropvolgende zeven jaar worden aangewezen. Telkens is de ontbossing het grootste in het jaar dat de herbebossing juist zou moeten beginnen.
Het is een opvallend patroon, dat toch nog nergens anders is beschreven. Geen van de officiële evaluaties en kritische rapporten over het NGP beschrijft het plotselinge bosverlies dat uit de cijfers blijkt.
Een verklaring blijft dan ook uit, totdat geograaf Jorge Llopis van de universiteit van Barcelona de resultaten onder ogen krijgt. „Dit lijkt sterk op dat wat ik zelf onderzoek”, zegt hij via een videoverbinding. „Het lijkt erop dat het programma ontbossing op de een of andere manier beloont”
Llopis werkte dertien jaar op Madagaskar, waar hij met name onderzoek deed naar het landgebruik bij beschermde tropische bossen. Toen hij de historische ontbossing rondom twee natuurgebieden in het noorden van het Afrikaanse eiland met satellietgegevens in kaart bracht, viel hem iets op. De meeste bomen verdwenen vlak voordat het gebied officieel de beschermde status kreeg.
„Dat was een verrassing”, zegt Llopis. „Eerst dacht ik dat het een fout in de data was. Ik heb de analyse drie, vier keer opnieuw gedaan om het zeker te weten. Maar die piek bleef elke keer verschijnen.”
Bosbescherming had hier mogelijk een averechts effect, concludeerde Llopis. Op Madagaskar zijn lokale gemeenschappen sterk afhankelijk van het bos voor hun levensonderhoud, legt hij uit. „En ze weten wat bosbescherming inhoudt: vanaf een bepaald moment in de toekomst kunnen ze de bossen niet meer kappen of op dezelfde manier gebruiken.” Dat kan een sterke motivatie zijn om het snel te kappen, voordat het zover is.
Llopis keerde later terug naar de dorpen rondom het natuurgebied op Madagaskar, met de grafieken uitgeprint op grote posters. De toename van ontbossing die uit die grafieken bleek, verraste de inwoners niet. „Wat verwacht je dan dat we doen”, zeiden de inwoners volgens Llopis. „Je weet toch hoe belangrijk het voor ons is om dat gebied te kunnen gebruiken?”
Hij besloot op zoek te gaan naar meer voorbeelden van natuurmaatregelen die een averechts effect hebben. Drie jaar geleden vond hij, na een systematische zoektocht, zo’n tweehonderd wetenschappelijke artikelen die iets dergelijks beschreven. „Maar de wetenschap heeft het verband tussen al die verschillende gevallen nog niet gelegd.”
Eén van de best onderzochte voorbeelden die Llopis tegenkwam, is de Endangered Species Act. Die Amerikaanse wetgeving, ingevoerd in 1973, is in feite een lange lijst van soorten planten en dieren die in hun voortbestaan zijn bedreigd en daarom wettelijk worden beschermd. De roodkopspecht stond bijvoorbeeld vanaf het begin op die lijst, waardoor ook het leefgebied van de vogel werd beschermd.
„Stel je voor: je bent eigenaar van duizend hectare land en tweehonderd hectare daarvan is het leefgebied van die vogel”, zegt Llopis. „Dan weet je, zodra die op de lijst komt, dat je dat nooit meer kan kappen en het land niet meer kan ontwikkelen.”
Dat stelt de eigenaar voor een dilemma. „Als je een natuurliefhebber bent, zal je misschien denken: wat een privilege dat ik het leefgebied van deze vogel op mijn land heb. Maar zo niet, dan zorg je ervoor dat dat leefgebied zo snel mogelijk van je land verdwijnt.” Dat laatste gebeurde met het leefgebied van de roodkopspecht, blijkt uit onderzoek.
Een milieubeschermer slaapt naast een groot aantal in beslag genomen kettingzagen op Palawan.
Zo kan milieubescherming leiden tot ontbossing. Llopis kwam hetzelfde fenomeen daarna op meer plekken tegen, van gecertificeerde palmolieplantages in Indonesië, tot een Natura 2000-gebied in Finland.
„Eén van de opvallende dingen”, zegt Llopis, „is hoe uiteenlopend de maatregelen zijn die dit soort gedrag kunnen veroorzaken.” De precieze omstandigheden verschillen, maar het resultaat is elke keer hetzelfde: goedbedoelde beleidsmaatregelen belonen het verkeerde gedrag.
Terwijl sommige programma’s ontbossing aanjagen omdat ze gemeenschappen de mogelijkheid ontnemen om van hun land te leven, kampen andere juist met het tegenovergestelde probleem: gemeenschappen zien zich gedwongen het bos te kappen, om te kunnen profiteren van de voordelen die het programma hun biedt. „Dat laatste”, zegt Llopis, „lijkt ook het geval in de Filippijnen.”
Teofilo Tredez, Filippijns natuuractivist en zelfstandig milieuhandhaver, zag met eigen ogen hoe financiële prikkels het NGP ondermijnden. Namens de PNNI, een verband van verschillende lokale milieuorganisaties, werkt hij op het eiland Palawan, een van de meest afgelegen gebieden in het land. Het langgerekte eiland staat bekend als ‘the last frontier’, vanwege de haast ongerepte natuur die in de rest van het land al grotendeels is verdwenen.
Tredez struint de uitgestrekte bossen af op zoek naar mannen met kettingzagen. Als hij iemand op heterdaad betrapt, zonder de juiste vergunningen, neemt hij de kettingzaag in beslag. De Filippijnse wet staat zo’n ‘burgerarrest’ toe. Ook het NGP kent Tredez bijzonder goed. Op Palawan hield hij enkele jaren toezicht op het nationale programma, in opdracht van de lokale overheid. Vorig jaar sprak hij met de Filippijnse nieuwswebsite DavaoToday, die de gespreksverslagen deelde met Lighthouse Reports en NRC.
„De nadelen van het NGP wegen zwaarder dan de voordelen”, zegt Tredez in het verslag. Lokale overheden wijzen regelmatig gebieden aan voor beplanting, terwijl daar al bossen staan. „Ze oefenen druk uit om te planten, ook al is het gebied daarvoor niet geschikt.”
Inheemse gemeenschappen en boerencoöperaties die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het programma, kiezen vervolgens eieren voor hun geld. „Die gemeenschappen zijn geneigd om het geld aan te nemen, de bossen te kappen en nieuwe aan te planten.”
Dat overheden ongeschikte gebieden aanwijzen voor herbebossing, was zeven jaar geleden ook al op te maken uit een rapport van de nationale rekenkamer. Dat werd toen eveneens toegeschreven aan de torenhoge ambities van het programma. Daardoor hadden lokale overheden „niet de capaciteit hadden om gestelde targets te halen”, en werden gebieden aangewezen „zonder de benodigde inspecties, plattegronden en planning”.
„Lokale overheden hebben geprobeerd het ministerie duidelijk te maken dat de doelstellingen hun capaciteit ver te boven gaan”, schreef de rekenkamer. „Maar er werd geen gehoor gegeven aan hun bezwaren. Dus hadden ze geen andere keuze dan de orders op te volgen.” Dat die gehoorzaamheid ten koste ging van bestaande bosgebieden, wordt in het rapport van ruim honderd pagina’s niet opgemerkt.
Tredez zag met eigen ogen hoe bosgebied keer op keer moest plaatsmaken voor kokos-, rubber- of palmolieplantages. In plaats van een biodivers bos met inheemse bomen, bracht het programma vaak plantages, met een monocultuur van exotische gewassen, vertelt hij de verslaggever van DavaoToday. „In Del Monte werd het bos verwoest, het land afgepakt van de inheemse bevolking en werden bananenbomen geplant.”
In slechts een kwart van het aangewezen gebied worden bossen aangeplant zonder enige commerciële functie, blijkt uit de administratie van het programma. Verder zijn het productiebossen, vaak commerciële plantages voor cacao, rubber of hout, die het landschap overnemen.
De Filippijnse regering gaf zelf toestemming voor die productiebossen. Het programma voor herbebossing moest immers ook armoede bestrijden. De opbrengsten uit gewassen zoals cacao, rubber en hout zouden lokale gemeenschappen bovendien motiveren om het bos te blijven beheren.
De grootste Filippijnse exporteurs van die gewassen leveren (via tussenpartijen) aan Europese afnemers, blijkt uit douanegegevens van Import Genius en bedrijfsverklaringen. Dat betekent dat grondstoffen uit ontboste gebieden mogelijk terechtkomen in chocoladerepen, autobanden en bouwmaterialen die door Europese consumenten worden gekocht. Op dit moment is dat niet verboden: Europese wetgeving die een verbod regelt wordt pas later later dit jaar van kracht.
Om plaats te maken voor de plantages, worden vaak zogenoemde ‘secundaire bossen’ gekapt, blijkt uit het verhaal van Tredez. Dat zijn bossen die op natuurlijke wijze zijn teruggegroeid, nadat het gebied eerder door mensen is gekapt of ontgonnen. Dat maakt het kappen van zulke bossen niet minder erg. Het is volgens Filippijnse wetgeving en internationale richtlijnen evengoed verboden. Secundaire bossen hebben minder ecologische waarde dan onaangetaste oerbossen, maar zijn nog altijd veel beter voor de biodiversiteit en voor het klimaat dan de uniforme plantages die er door het NGP voor in de plaats komen.
Maar soms gaat zelfs ongerept oerwoud tegen de vlakte, zegt Tredez. „Een gebied met oerbos werd geselecteerd voor NGP. Om het budget te claimen, verwoestten ze dat bos en plantten fruitbomen en bamboe daarvoor in de plaats.”
Een deel van een bos is gekapt om ruimte te maken voor een plantage op Palawan.
NRC heeft het Filippijnse ministerie van milieu gevraagd om een reactie, maar dat had na vier weken en een verstreken deadline nog niet inhoudelijk gereageerd. Vorig jaar gaf hetzelfde ministerie wel antwoorden aan DavaoToday, die ze deelde met Lighthouse Reports en NRC. Daarin wil het ministerie niet expliciet erkennen dat bossen zijn gekapt om ruimte te maken voor het NGP.
Geconfronteerd met verhalen over gekapte bossen, noemen ze aanvankelijk alleen de „voorbereidende werkzaamheden” die het programma formeel toestaat, „zoals het wegborstelen van gras en onkruid, het wieden rond de planten en het graven van plantgaten”. Dat zijn kleine ingrepen, die satellieten niet als ontbossing registreren en de piek in onze data dus ook niet kunnen verklaren.
Maar verderop in hetzelfde antwoord zegt het ministerie dat „partners” er soms voor hebben gekozen om „bepaalde delen van het gebied vrij te maken van vegetatie, als die bestaat uit invasieve soorten, met name in gebieden met aangetaste vegetatie.” Dat er bossen zijn gekapt, in strijd met Filippijnse wetgeving, zegt het ministerie niet.
Het NGP gaat ondertussen door, zij het met een steeds kleiner budget. De ambitie om een gebied zo groot als Nederland en België te bebossen, is formeel nooit bijgesteld.
Ook in de rest van de wereld blijven overheden vertrouwen op herbebossing om de gevolgen van klimaatverandering te verzachten, blijkt afgelopen november tijdens de klimaatconferentie in het Braziliaanse Belém. Bij aanvang van het congres erkent VN-baas António Guterres dat het met bestaande plannen niet zal lukken om de aarde onder 1,5 graden Celsius opwarming te houden. Een dag later presenteren onderzoekers van de Melbourne Universiteit een rapport, waaruit blijkt dat de herbebossingsplannen die deelnemende landen hebben ingediend volkomen „onrealistisch” zijn.
Opgeteld zouden de geplande bossen, bedoeld als compensatie voor toekomstige CO2-uitstoot, een gebied moeten beslaan zo groot als het Australisch continent. Dat is onhaalbaar, concluderen de onderzoekers. Daarmee zijn de vooruitzichten voor het klimaat nog slechter dan uit de officiële scenario’s blijkt.
De satellietgegevens over ontbossing die in dit onderzoek zijn gebruikt komen van de Amerikaanse universiteit van Maryland, die wereldwijd voor elk vierkant van dertig bij dertig meter in kaart bracht of alle bomen hoger dan vijf meter zijn verdwenen. Dat verlies is niet altijd permanent, soms groeien op dezelfde plek bomen terug.
Daarnaast stelt de Filippijnse overheid kaartgegevens beschikbaar van alle ruim 133.000 gebieden die de afgelopen vijftien jaar zijn geselecteerd voor het NGP. De gegevens over ontbossing zijn met de geselecteerde NGP-gebieden gecombineerd, om vast te stellen welk effect het programma had op het bestaande bos. Bossen die door brand werden verwoest zijn uitgesloten van de analyse.
Dit artikel is het nieuwste resultaat uit een langer lopend onderzoek van Lighthouse Reports naar bosbescherming in Zuidoost-Azië. Naast NRC werkte ook de Filippijnse nieuwswebsite DavaoToday daaraan mee.
Met medewerking van: Eva Constantaras, Margot Gibbs, Viktoriia Maksymova, Thin Lei Win, Paul Soriano en Karlijn Kuijpers. Onderzoek voor dit artikel werd ondersteund door het Journalismfund Europe.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin