Home

Veel nationale symbolen zijn er bewust ingehamerd, laat Design Museum zien. En dat heeft gewerkt

Nationalistische sympathieën en symbolen lijken altijd te hebben bestaan, maar zijn een relatief nieuwe uitvinding. Het Design Museum zet kleuren, voorwerpen, liedjes en andere zaken die een ‘volk’ verbinden op een rij, én legt uit hoe ze tot stand kwamen. De sleutel: herhalen, herhalen, herhalen.

schrijft voor de Volkskrant over beeldende kunst.

Wat het meest pregnante nationale symbool door de decennia heen is? Zonder iemand te willen kwetsen, misschien toch het hakenkruis. Kalk het op de muur en iedereen weet precies waarvoor het staat: rechts-radicalisme, Duitsland tijdens de jaren 1933-1945, Hitler, de nazi’s, fascisme.

Dat het teken zo’n krachtige verschijning is, heeft het te danken aan de heldere, ondubbelzinnige vormgeving. De eeuwenoude geschiedenis en de wetenschap dat Hitler het oorspronkelijke ontwerp zelf heeft aangepast. En om de bekendheid ervan niet te onderschatten: het ontwerp was in de jaren 1933-1945 door heel Duitsland en daarbuiten veel te zien – héél veel.

Het ontwerp ontbreekt op de tentoonstelling Vorm en vaderland, die op dit moment in het Design Museum te zien is. Wellicht begrijpelijk: het museum in Den Bosch besteedde al eerder aandacht aan de ontwerpkunst uit het Derde Rijk, met uniformen, vaandels, bestek, briefpapier, postzegels waarop het nazikruis stond – tot afgrijzen van velen natuurlijk. Wat niet wegneemt dat velen zich destijds, tijdens de naziperiode, dankzij diezelfde vormgeving voelden opgenomen in een gemeenschap van gelijkgestemden.

Want dat is waar dit soort symbolen voor bedoeld zijn: ter ondersteuning en bevestiging van een collectief, nationaal, patriottisch gevoel. Zoals de Oekraïense drietand, Nederlandse leeuw, het Amerikaanse Vrijheidsbeeld of de Israëlische davidster.

Rechts-extremistische geur

Geen hakenkruis dus, in Den Bosch, maar wel zoveel andere symbolen waarmee de natiestaat (pas op: fonetisch verwant aan ‘nazi-staat’) zich kenbaar wil maken. Plus een overzicht van hoe deze symbolen zijn ontstaan, wat de oorsprong van die natiestaat überhaupt is en hoe wijdverbreid de impact daarvan is geweest – wat de tentoonstelling bijzonder maakt.

En daarbij, het lijkt erop dat dit onderwerp de laatste tijd weer helemaal in de belangstelling staat. Neem de rode Make America Great Again-baseballcap van Donald Trump. Neem de Sint-Jorisvlag (rood kruis op een wit veld) die je tegenwoordig met enige regelmaat in Engeland ziet als uitdrukking van anti-migratiesentimenten. Neem de Arabische zwart-witte keffiyeh waarmee je laat zien dat je de Palestijnse zaak steunt. Maar neem ook het rood-wit-blauw dat Rob Jetten vorig jaar op D66-bijeenkomsten wilde ontdoen van de rechts-extremistische geur.

Symbolen en nationalistische sympathieën, het lijkt alsof ze altijd hebben bestaan. Niet dus, wordt in Den Bosch uitgelegd. De natiestaat zoals we die nu kennen is grotendeels een uitvinding uit de 18de en 19de eeuw. Daarvoor was de wereld ingedeeld in koninkrijken, etnische regio’s, godsdienstige gebieden en geografisch bepaalde oorden, en het begrip ‘nationaal volk’ is een gevolg van oorlogen en politieke en economische beslissingen. Van macht. Gemaakt, bedacht, bevochten en als het aan Trump ligt, indachtig zijn mogelijke annexatie van Groenland, gekocht.

Pragmatische constructie

Voorbeelden genoeg. De manier waarop westerse mogendheden rond 1884 op de Koloniale Conferentie van Berlijn rechte, nieuwe landsgrenzen trokken op het Afrikaanse continent, dwars door bestaande volkeren, stammen en godsdiensten heen. De manier waarop in 1871, na de overwinning op de Fransen, Bismarck, nota bene in Versailles, tientallen koninkrijkjes aaneensmeedde tot één Duits keizerrijk.

Natiestaten met een ‘homogeen’ volk daarbinnen lijken daardoor meer een creatie; eerder een pragmatische constructie dan het gevolg van een natuurlijk proces. En bij zo’n constructie horen, naar het schijnt, symbolen die alle neuzen dezelfde kant op laten wijzen.

Een vlag. Gemunt en papieren geld. Helden. Landschappen. Nationale symbolen zijn er in alle maten en soorten, abstract en figuratief, voor het oog en oor, om naar te kijken of op te eten, aan te trekken of omheen te lopen. Een volkslied. Een overzichtelijke landkaart. Een gebouw. Kleding. Kunst. Taal. En niet onbelangrijk: eten. Kortom, alles wat de bewoners met elkaar verbindt. Waarmee binnenlandse verschillen worden overwonnen, en tegelijkertijd het onderscheid met andere landen wordt vergroot.

Natuurlijk kun je je twijfels hebben, hoe iets tot symbool van een bepaald land is uitgegroeid en of daarmee de volksaard wordt benadrukt. Staat de scheve toren van Pisa symbool voor de Italiaanse architectuur of voor een verzakkende maatschappij? Zijn alle Fransen ingenieur omdat de Eiffeltoren nationaal erfgoed is? Maakt de neogotische architectuur van de Houses of Parliament alle Britten tot personages in een gothic novel? Zouden buitenlanders echt denken dat alle Nederlanders rondlopen op klompen, in wijde Volendamse broeken, een gouden ring in het oor, stenen pijpje in de mond?

Het is duidelijk dat het soms wringt. Neem de beroemde matroesjka-poppetjes. Hoewel altijd bestempeld als typisch ‘Russisch’ en zogenaamd middeleeuws, zijn ze gebaseerd op Japanse gelukspoppen, nagemaakt door het duo Vassily Zviozdochkin (meubelmaker) en Sergey Maliutin (schilder) in 1890, en pas populair geworden toen de vrouw van de opdrachtgever, Savva Mamontov, ze op de Parijse Wereldtentoonstelling in 1900 liet zien.

Iets vergelijkbaar geldt voor de rood-geel-blauwe Rietveld-stoel. Voor buitenlanders emblematisch voor de Hollandse helderheid, efficiëntie en zuinigheid, want opgebouwd uit een paar gekleurde planken. In Nederland eerder bekend als backbone-breker en slechts in weinig huiskamers aanwezig.

Neemt niet weg dat, als je de symbolen maar veel gebruikt en plugt, de kans groter wordt dat mensen zich ermee vereenzelvigen. Dat het begint te leven en het tot ’s lands geestelijke en vooral emotionele DNA gaat behoren. Ter versteviging van het zelfbewustzijn, de eigen identiteit en cultuur – hoe verschrikkelijk die termen tegenwoordig ook klinken.

Dat Rembrandt onze nationale schilder is geworden komt mede doordat zijn Nachtwacht op koekblikken, ansichtkaarten, onderzetters en pannenlappen veelvuldig is afgebeeld. Hetzelfde geldt voor de manier waarop Franco zijn fascistische Spanje in de jaren zestig bij menig Noord-Europese toerist wist aan te prijzen met warme stranden, blauwe luchten, castagnetten en goedkope hotels, onder het mom van ‘España es diferente’.

Propaganda

Het mag plat en clichématig klinken, maar soms is het gewoon zo: om ze tot leven te laten komen en acceptabel te maken, moeten dit soort symbolen erin worden gehamerd, bij herhaling. In tijdschriften. Op affiches. In schoolboeken. De krant. Op tv. De radio. Tegen muren. Op billboards.

Communicatie en overdracht zijn alles. Wie de beste pr heeft, en de media in handen, maakt de meeste kans. Op de achtergrond spelen mechanismen een rol waarbij ideologie, propaganda en commercie hand in hand gaan – alles om producten te verkopen én de belangstelling voor een bepaald land aan te wakkeren. En te onderschrijven.

De eerste McDonald’s in de Sovjet-Unie, in 1990, was meer dan een commerciële zet, het was alsof de Amerikanen eindelijk weer voet op Russische bodem hadden gezet. Rijk de Gooyers reclameslogan ‘Vive la France, vive Paturain’ bevestigde het cliché dat Franse kaas uit, eh, Frankrijk komt.

Een nationaal symbool komt voort uit de identiteit van het land. Veelal is zo’n symbiose op een natuurlijke manier door de jaren heen gegroeid, veelal is die ook kunstmatig in de markt gezet. Zoals het idee dat Italianen altijd aan lange tafels zitten te lunchen – met Bertolli-olijfolie.

Bovendien werkt het ook andersom: dat een bepaald symbool, als een pavloviaanse reactie, vanzelf de identiteit van een land oproept. Zeg ‘tulp’ en iedereen denkt aan Nederland. Bockworst? Duitsland. Het dollarbiljet? Amerika. Een rode zon? Japan. Een zwarte vlag met Arabische tekst? Islamitische Staat.

Eenduidig is de betekenis niet altijd. Sommige symbolen zijn aan verandering onderhevig of hebben sowieso een dubbele betekenis. Was een Cadillac lange tijd een synoniem voor de Amerikaanse welvaart, nu staat de slee voor overtollig benzinegebruik en vervuilende CO2-uitstoot.

Interessant in die zin is de beeltenis van Claudia Schiffer. In Den Bosch hangt een affiche waarop het beroemde model uit de jaren negentig de wereld aanmoedigt in de Duitse economie te investeren. Maar met haar blonde lokken en blauwe ogen vertegenwoordigde ze, voor Benetton-fotograaf Oliviero Toscani, ook het schoonheidsideaal uit nazi-Duitsland en de modewereld die geen oog heeft voor modellen uit andere culturen en landen.

Hoewel de tentoonstelling wil laten zien dat symbolen komen en gaan – het Chinese Rode Boekje; de held Jan van Speijk als toonbeeld van Nederlandse onverzettelijkheid – zijn het veelal toch hardnekkige combinaties en associaties, zonder duidelijke vervaldatum. Frankrijk als het land van de guillotine én Jeanne d’Arc. Zuid-Afrika en de trommelvlies-perforerende vuvuzela van het WK voetbal in 2010.

En ja, inderdaad, dat verdomde hakenkruis.

Was het Duitsland een aantal decennia na WO II gelukt daarvan af te geraken, dan is het nu weer terug en, ondanks het verbod erop, volop in de aandacht dankzij de rechts-radicale achterban van de Alternative für Deutschland-partij. Spijtig inderdaad: het blijkt een krachtig symbool.

Vorm en vaderland. Design Museum, Den Bosch, t/m 20/9.

Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Source: Volkskrant

Previous

Next