Het vertrek van de Verenigde Arabische Emiraten uit Opec is een zware klap voor het oliekartel. Welke rol speelt deze organisatie op het wereldtoneel en wat betekent het voor de olieprijs nu een van de belangrijkste leden is vertrokken?
is economieredacteur van de Volkskrant.
Lekker rolschaatsen op de snelweg. In 1973 deden kinderen het, op de zondagen dat autorijden verboden was. Nooit was de macht van de Organisatie van olie-exporterende landen, kortweg Opec, zichtbaarder.
De Arabische landen die Opec domineerden, hadden de export naar onder andere Nederland stilgelegd uit protest tegen steun aan Israël tijdens de Jom Kipoeroorlog. Nederland belandde in een oliecrisis en wilde kostbare brandstof besparen.
De situatie was zo ongekend dat toenmalig premier Joop den Uyl voorzag dat Nederlanders moesten overstappen ‘op een levensgedrag met een zuiniger gebruik van grondstoffen en energie’. Een voorspelling die overigens niet uitkwam.
Vandaag de dag is de invloed van het kartel flink geslonken. Zijn aandeel in de wereldwijde olieproductie is sinds de jaren zeventig gedaald van meer dan de helft tot ongeveer een derde. Een aantal landen, waaronder Indonesië en Qatar, zegde de afgelopen jaren het lidmaatschap op uit onenigheid over de productiebeperkingen waarmee het kartel zijn macht over de olieprijs uitoefent.
Deze week kondigde een van de belangrijkste leden, de Verenigde Arabische Emiraten (VAE), zijn vertrek aan. Het begin van het einde van het samenwerkingsverband, voorzien sommige energieanalisten. ‘Saoedi-Arabië zal moeite hebben om de rest van Opec bijeen te houden’, aldus Saul Kavonic van het Australische onderzoeks- en adviesbureau MST Financial tegen de Financial Times. ‘Andere leden, waaronder Venezuela, zouden snel kunnen volgen.’
Concrete signalen daarvoor zijn er niet. De Iraakse regering heeft al gezegd dat ze gewoon lid wil blijven. Persbureau Reuters meldt op basis van vijf anonieme bronnen uit de organisatie dat zij geen verdere vertrekkers verwachten. Maar dat de invloed van de organisatie slinkt, daarover is iedereen het eens.
Opec werd in 1960 in Bagdad opgericht door Iran, Irak, Koeweit, Saoedi-Arabië en Venezuela, om de macht van een ander kartel te breken. Op dat moment domineerden zeven grote westerse oliemaatschappijen met de bijnaam ‘de Zeven Zusters’ de oliemarkt.
Doordat deze bedrijven samenwerkten en zich niet tegen elkaar lieten uitspelen, konden ze grote druk uitoefenen op individuele staten, waaronder de Arabische. Die hadden weinig te zeggen over hun eigen olievoorraden en de prijs waarvoor de olie werd verkocht. Door zelf nauw samen te werken en eigen, nationale oliemaatschappijen op te richten, wilden ze hun controle over hun olie versterken.
Daarin zijn ze geslaagd, maakte het olie-embargo van de Opec-leden in 1973 wel duidelijk. ‘Vandaag de dag hebben staatsbedrijven de meerderheid van de olieproductie in handen’, zegt Hans van Cleef, energieanalist bij onderzoeksbureau EqoLibrium. ‘In die zin is de macht van commerciële partijen gedecimeerd.’
Opecs missie is de olieprijs hoog genoeg te houden om flink te verdienen, maar niet zo hoog dat afnemers op zoek gaan naar alternatieven. Hiervoor maken de leden afspraken over het open- of juist dichtdraaien van de oliekraan. Saoedi-Arabië is daarbij verreweg de belangrijkste speler.
‘Ze proberen de olieprijs zo te sturen dat die voor zowel producenten als consumenten gunstig is’, zegt Van Cleef. Maar zulke concentratie van marktmacht kent ook keerzijden. Het olie-embargo van 1973 is een extreem voorbeeld, iets vergelijkbaars is nooit meer gebeurd. Herhaaldelijk begon het kartel daarnaast prijzenoorlogen als er concurrentie de kop opstak, zegt Van Cleef, door de oliekraan open te zetten.
Het heeft de opkomst van schalieolie uit de VS in de afgelopen tien jaar niet kunnen voorkomen. Daardoor kalfde het marktaandeel van Opec verder af, nadat het in de jaren tachtig al flink wat had verloren aan Noordzee-olie.
Opec blijft volgens Van Cleef invloedrijk, maar moet wel harder in de eigen productie snijden om de prijs te beïnvloeden. Dat terwijl het juist verleidelijk is om lekker veel olie te blijven verkopen. Menig Opec-lid heeft in het verleden dan ook productieafspraken gebroken.
De oprichting van Opec+ in 2016, een breder samenwerkingsverband waaraan ook Rusland deelneemt, heeft volgens Van Cleef geen grote verschuiving veroorzaakt. ‘Vier jaar later was Opec alweer in conflict met Rusland, dat de olieproductie wilde verhogen. Het groepje dat zich daadwerkelijk aan productiebeperkingen wil houden, wordt nu wel heel klein.’
Dat geldt des te meer nu de Verenigde Arabische Emiraten vertrekken omdat ze meer olie willen kunnen oppompen. Na Saoedi-Arabië waren de VAE het Opec-lid met de meeste capaciteit om de productie snel op te schalen. Andere grote producenten, zoals Iran en Irak, zitten aan hun maximum.
‘Op de langere termijn verzwakt dit Opec structureel’, aldus analist Jorge Leon van energieonderzoeksbureau Rystad tegen Reuters. Saoedi-Arabië moet de regulering van olieprijzen door Opec nu grotendeels in zijn eentje dragen, en Leon vraagt zich af of dat houdbaar is.
Naar verwachting leidt het vertrek van de VAE tot lagere olieprijzen en meer prijsschommelingen. Al moet dat effect ook niet worden overschat, zegt Van Cleef, aangezien de VAE ‘slechts’ een paar procent van de wereldwijde olieproductie voor hun rekening nemen.
Voorlopig wordt ieder denkbaar prijseffect volledig overschaduwd door de gevolgen van de blokkade van de Straat van Hormuz. Een schok waarbij Opec machteloos aan de zijlijn staat.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant