Home

Werken aan de weg met gevaar voor eigen leven: ‘We zijn blij als het bij opgestoken middelvingers blijft’

Weginspecteur Roland van Lokven ziet steeds vaker: automobilisten die afzettingen negeren en op volle snelheid voorbijrazen. En vooral de jonge generatie vertrouwt meer op hun navigatie dan op de gele borden. ‘Ze denken: als Google zegt dat ik er doorheen kan, kan ik er dus doorheen.’

is regioverslaggever Zuid-Nederland van de Volkskrant.

Vanuit zijn knalgele pick-uptruck ziet weginspecteur Roland van Lokven bij zijn schouw van de provinciale weg tussen Den Bosch en Helmond een meterslang spoor door de berm lopen. Een vrachtwagen die om onbekende reden naast de weg terechtkwam, heeft dat daar pal naast het asfalt getrokken. ‘Veel te diep: 20 centimeter’, zegt Van Lokven (49), ‘dat is gevaarlijk als een personenauto de berm raakt. Dieper dan 10 centimeter vinden wij calamiteitwaardig.’

Om de schade vast te stellen, herstel in gang te zetten en aldus de potentiële calamiteit te voorkomen, heeft de weginspecteur van de provincie Noord-Brabant kortstondig een gevaarlijke situatie moeten creëren op de N279 ter hoogte van Schijndel en Heeswijk-Dinther. Dat gevaar komt niet door het handelen van Van Lokven. Het zijn de auto’s en vrachtwagens die zich nauwelijks iets aantrekken van alle veiligheidsmaatregelen die hij neemt.

‘Altijd de voorwielen gedraaid’

En dat zijn er nogal wat, ook al duurt zijn stop op deze 80-kilometerweg hooguit een kwartier. Eerst zet hij zijn auto schuin op de rechterrijstrook om die af te sluiten. ‘Altijd de voorwielen gedraaid naar de kant waar het verkeer niet is’, doceert de even goedmoedige als kordate Van Lokven. ‘Dan doen we nu de DRIP omhoog.’ Daarop schuift vanuit de laadbak langzaam het dynamisch route-informatiepaneel naar boven met op het scherm een pijl naar links en een driehoekig waarschuwingsbord.

Dan stapt de weginspecteur behoedzaam uit en pakt hij een stapel van zes rood-wit reflecterende pylonnen, de onderste op een plateau met wieltjes. Terwijl hij achteruitloopt – ‘altijd je gezicht naar het verkeer houden’ – zet hij de kegels op gelijke afstand op de middenstreep. Ze moeten voorkomen dat het verkeer ter hoogte van de plek die Van Lokven wil inspecteren alweer op de rechterstrook zit.

De scheefstaande niet te missen gele auto, het waarschuwingsscherm, de kegels, de weginspecteur in zijn fluorescerende jas: niets lijkt voor de rakelings passerende automobilisten en vrachtwagenchauffeurs reden ook maar iets aan hun rijgedrag te veranderen. Op volle snelheid voegt een bestelbus op het laatste moment in op de linkerstrook. Zijn jas, bepaald niet lichtgewicht, beweegt mee met de wervelwind als vrachtwagens op minder dan een meter voorbijrijden. Ze remmen niet af.

Het is een keuze, legt hij uit. ‘Als ik met de kegels de vrije baan smaller maak, is het voor mij veiliger, want dan moet iedereen afremmen. Maar daardoor ontstaat verderop een file en als een automobilist daar niet tijdig op anticipeert, krijg je misschien wel een kop-staartaanrijding.’

‘Oren en ogen van de snelweg’

Weginspecteurs zorgen ervoor dat op snel- en provinciale wegen het verkeer veilig kan doorstromen. Rijkswaterstaat heeft er driehonderd in dienst: ‘onze oren en ogen van de snelweg’. In Noord-Brabant houden vijftien weginspecteurs 550 kilometer N-wegen in de gaten. ‘Alleen mannen’, zegt Van Lokven. ‘Ik kan me voorstellen dat dat komt omdat vrouwen het niet prettig vinden in hun eentje een nachtdienst te draaien.’

Grofweg heeft een weginspecteur twee taken. Hij schouwt ‘zijn’ wegen voortdurend op veiligheid – ‘gaten in het asfalt, losliggende voorwerpen, werkende verlichting en markeringen’ – en hij handelt incidenten af. ‘Dat laatste is onze kerntaak.’ Van een heftige kettingbotsing met slachtoffers, een afgevallen lading en blikschade tot een pechgeval, alles moet zo vlot mogelijk worden afgehandeld. Weginspecteurs werken nauw samen met aannemers in de wegenbouw die alle wegwerkzaamheden uitvoeren.

Uitgerekend de weggebruiker voor wie al die inspecteurs en wegwerkers zo hard werken, maken dat dat werk steeds zwaarder en gevaarlijker is geworden. De lontjes zijn vooral sinds corona korter geworden. ‘De laatste vijf jaar is het agressieve weggedrag van automobilisten explosief toegenomen’, zegt Van Lokven – de glimlach is van zijn gezicht verdwenen. In plaats van complimenten krijgt hij opgestoken middelvingers. ‘Soms zijn we blij als het daarbij blijft en we niet van de sokken zijn gereden.’

De Brabantse vervoersgedeputeerde Stijn Smeulders luidt de noodklok. ‘Er is veel te veel agressie tegen onze mensen op de weg, fysiek en verbaal.’ Gevolg: levensgevaarlijke situaties. ‘Vorig jaar werden drie van onze inspecteurs aangereden in één week tijd, dit jaar hebben we als provincie ook alweer twee keer aangifte moeten doen. Het is te gek voor woorden.’

‘Regels niet voor hen’

‘Het is een landelijk probleem, weet ik van onze collega’s van Rijkswaterstaat’, zegt Van Lokven, ‘zij werken dan ook nog eens op wegen met hogere snelheden.’ In zowel 2024 als 2025 werd er zestien keer op een auto van een weginspecteur van Rijkswaterstaat ingereden, na de eerste twee maanden van dit jaar stond de teller op vier.

Ook het aantal aanrijdingen met voertuigen die bedoeld zijn om het verkeer veilig langs een ongeluk op de snelweg te leiden, neemt gestaag toe. Vorig jaar knalden 38 auto’s op zo’n botsabsorber of pijlwagen.

Volgens Marjan Hagenzieker, hoogleraar verkeersveiligheid aan de TU Delft, is wangedrag van automobilisten van alle tijden. ‘Twintig, dertig jaar geleden werden ook al veel akelige ongevallen gerapporteerd rondom wegwerkzaamheden; automobilisten die zich niet aan de lagere snelheidslimiet hielden of op het allerlaatste moment vlakbij een afzetting willen invoegen. Het is klassiek dat er altijd mensen zijn die denken dat de regels er niet voor hen zijn.’

Het is niet vreemd dat weginspecteurs evenwel ervaren dat de onveiligheid de laatste jaren toeneemt. Het is immers drukker geworden en het aantal wegwerkzaamheden is daardoor sterk toegenomen, stelt Frank Thomassen, omgevingsmanager bij KWS, een van de vaste onderhoudsaannemers van Rijkswaterstaat. ‘Voor veel van deze werkzaamheden zijn wegafsluitingen nodig om veilig te kunnen werken. Dat doen we zoveel mogelijk in nachten en weekenden, waardoor je dan van de ene in de andere afsluiting verzeild kunt raken. Tegelijk doen we steeds meer om onze werkplek veilig te maken.’

In dat laatste schuilt een paradox. Veiligheid kan hem zitten in nog wat extra gele borden om weggebruikers tijdig te waarschuwen. ‘Maar om zo’n bord in de berm te plaatsen, moeten we kort op de vluchtstrook staan of zelfs een rijstrook afzetten.’ Zo’n snelle actie, een kwetsbaar moment, komt vaak voor, legt Thomassen uit. Even moeten weggebruikers dan omgaan met een verandering en kunnen ze ‘de gekste dingen gaan doen’.

‘Gekke dingen’

Wat is gek? De Arbeidsinspectie, die onder meer toeziet op de veiligheid van wegwerkers, somde dat op in 2008, in een brochure over arbeidsrisico’s in de wegenbouw. ‘Weggebruikers overtreden niet alleen snelheidsmaatregelen of negeren wegafzettingen, ze verplaatsen ook wegafzettingen, maken allerlei boze gebaren en schelden tegen medewerkers. Soms wordt zelfs met voorwerpen gegooid of worden materialen vernield.’

De veiligheidsrisico’s zijn volgens Thomassen het grootst bij het op- en afbouwen van verkeersmaatregelen, een wegafsluiting of -omleiding. Dan immers verandert een normale situatie in een uitzonderlijke en daar gaat niet elke weggebruiker even soepel mee om.

Wat op dat moment van de waarheid de veiligheid van wegwerkers niet bevordert, is dat vooral de jonge generatie eerder op hun navigatie vertrouwt dan op de gele borden. Alles om de verwachte aankomsttijd maar niet te laten oplopen. ‘Ze denken: als Google zegt dat ik er doorheen kan, kan ik er dus doorheen.’ Gevaarlijk als daardoor auto’s op afgesloten wegvakken komen, waar wegwerkers en weginspecteurs veilig menen te werken.

‘Wij mensen’, zegt hoogleraar Hagenzieker, ‘kunnen ons op zich goed aanpassen, maar wegwerkzaamheden blijven uitzonderingssituaties. Ze zijn nét te zeldzaam en steeds een beetje anders waardoor mensen voortdurend opnieuw moeten leren ermee om te gaan.’

‘Agressie doet iets met collega’s’

Sinds een jaar of acht kennen ze in Brabant het COT, het collegiaal opvang team, bestaande uit weginspecteur Van Lokven en twee collega’s. ‘We doen de eerste opvang voor mensen die iets hebben meegemaakt. Dat kan een heftig ongeluk zijn, waarbij een collega bij zijn taak om de weg vrij te maken geconfronteerd wordt met dodelijk verminkte slachtoffers. Maar ook agressie doet iets met collega’s, die met de beste bedoelingen iets voor de medemens willen betekenen.’

Die medemens, de weggebruiker, maakt het vak van weginspecteur steeds wat zwaarder. ‘Het zijn niet alleen jongelui of ouderen, ook vrachtwagenchauffeurs, buschauffeurs, buitenlandse chauffeurs, iedereen. Er zit geen trend in.’

Hun gedrag is hetzelfde, zeker als ze niet kunnen zien wat er verderop aan de hand is. ‘Waarom is de weg afgesloten? Ik zie helemaal niks, ik ga toch proberen verder te komen. Maar wij staan daar om hulpdiensten door te laten, of een aannemer die de weg moet herstellen. Wij verwachten geen ander verkeer en denken vrij te kunnen werken. En dan opeens komt er toch iemand aangesneld.’

De verklaring? Mensen bouwen geen marge in om van A naar B te komen, zegt Van Lokven terwijl hij precies de maximumsnelheid rijdt – ‘we hebben een voorbeeldfunctie’. Ondanks een doorgetrokken streep haalt een automobilist, als om te illustreren wat hij vertelt, eerst zijn gele pick-up in en daarna een vrachtwagen. ‘Ze bouwen geen tijd in voor een calamiteit of omleiding en dat leidt tot frustratie, agressie en uiteindelijk gevaar.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next