Op de natuurbegraafplaats waar we een kleine twee jaar geleden mijn oom begroeven, stond nu een eenzaam schaap. Een reuzeschaap, dat vanuit de verte makkelijk met een klein kalf kon worden verward. Of misschien leek dat maar zo, doordat alles deze ochtend extra intens binnenkwam – de kleuren, het zonlicht, het besef dat die zandheuvel onder de linde hoorde bij het pasgedolven graf van mijn tante. Naast mijn oom, zoals ze wilde, niet stapelbedsgewijs erboven.
Meer nog dan een tante had ik een vriendin verloren, het missen was al begonnen toen ik haar twee weken geleden voor de laatste keer „houdoe” had horen zeggen. Of ze een zus was geweest van mijn vader of mijn moeder, vroegen mensen meelevend, waarop ik antwoordde „aangetrouwd, maar we hadden een hechte band”. Ik schaamde me voor dat bijzinnetje, alsof aangetrouwd gelijkstond aan lager in rang, aan minder geliefd – en toch voelde die toelichting nodig, in een maatschappij waar biologisch niet alleen als keurmerk voor appels wordt gezien maar ook voor familie.
Een houten hek scheidde het schaap van het grasveld met graven, en toen ik ernaartoe liep kwam zij ook dichterbij. Kop tussen de planken door, voorpoot schrapend over de grond. Intense blik in die horizontale pupil. Wilde ze me aanvallen, omverstoten, troosten? En waarom stond ze alleen? Kon ze niet overweg met andere schapen, waren haar kuddegenoten gestorven?
Toevallig – niet toevallig? – las ik in de week na het overlijden van mijn tante twee boeken over rouw. In het ene, Wolf, schrijft Lara Taveirne over de suïcide van haar broertje in Noord-Zweden. In het andere, De olifant die geen afscheid kon nemen, beschrijft filosoof en bioloog Susana Monsó haar expertisegebied van de vergelijkende thanatologie. Oftewel: het onderzoek naar hoe verschillende diersoorten op de dood reageren.
Monsó schrijft over orka- en chimpanseemoeders die hun gestorven kinderen nog maanden met zich meedragen, over olifanten die slagtanden van overleden soortgenoten verzamelen, over bepaalde Zuid-Amerikaanse zwijnen, de halsbandpekari’s, die hun dode soortgenoten beschermen tegen coyotes. Ze wil achterhalen hoe dieren rouwen zonder ze te vermenselijken.
Dat begrip van de dood geen exclusief menselijke eigenschap is, staat in haar ogen vast. Ja, wij houden dan wel uitvaartdiensten, leggen bloemen op graven, maar complexe begrafenisrituelen zijn niet de enige manier om stil te staan bij verlies. „Een aasgier zou in het begraven of verbranden van onze doden misschien enorme verspilling zien”, aldus Monsó. Toch blijft de vergelijkende thanatologie een ingewikkeld vakgebied, niet alleen omdat wij andere soorten maar deels begrijpen, maar ook omdat rouw binnen een soort al op zoveel verschillende manieren kan worden geuit. Geen mens, geen dier rouwt op dezelfde wijze. Of zoals Taveirne het in Wolf verwoordt: „Missen deden we elk op onze eigen manier.”
Misschien voelde het troostschaap mijn verdriet aan, misschien niet, maar ze liet zich gewillig aaien. Ik vertelde haar hoe iemand als bloedverwant kan aanvoelen zonder bloedverwant te zijn. Hoeveel warmte er kan uitgaan van de ‘kouwe kant’. Allemaal dingen die ik zo graag nog zoveel vaker tegen mijn tante had willen zeggen.
Gemma Venhuizen is biologieredacteur en doet elke woensdag ergens vanuit Nederland verslag