Home

Het was fijn om plannen te hebben. Nog fijner was de wetenschap dat er niets van terecht zou komen

Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.

Omdat de rest van het gezin overzees vertoeft, had ik voor het eerst in jaren weer eens een volledig vrije keuze bij het inrichten van mijn Koningsdag. De laatste keer dat dat het geval was heette het nog Koninginnedag. Ik leefde voor die Koninginnedagen, keek er reikhalzend naar uit, begon een week van tevoren junkfood te microdosen zodat op de dag zelf mijn maag alles aankon wat ik op straat kocht. Het eerste biertje in een bleek zonnetje. Het tweede biertje in een bleek zonnetje. Het achtste biertje in een bleek zonnetje. Zonnebril op, zonnebril af. Klein opstootje dat eindigt in een broederlijke omhelzing. Dansen. Handjes in de lucht. Turkse pizza. Et cetera.

Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Dus toen Koningsdag dit jaar in zicht kwam, begon ik ruim van tevoren plannen uit te zetten. Ik gooide hengels uit, in verschillende richtingen, bij verschillende groepen. Uiteindelijk had ik ruim keuze. Ik kon terecht bij een vriend op de NDSM-werf in Amsterdam; ergens anders in Amsterdam moest een vriend plaatjes draaien; ik wist dat ik kon aansluiten bij een vriendin als ik daar zin in zou hebben, een andere vriend zou ‘rond het middaguur’ laveloos op de Grote Markt in Haarlem liggen en mijn gezelschap zeker waarderen.

Het was fijn om plannen te hebben. Nog fijner was de wetenschap dat er niets van terecht zou komen. In de dagen voorafgaand aan Koningsdag verheugde – nee, het was verkneukelen – ik me bij de gedachte thuis te blijven, de gordijnen te sluiten en veel te vroeg op de dag te beginnen aan een uitputtende Netflixmarathon. Niemand zou me missen en ik zou niemand missen.

Toch besloot ik even te gaan kijken, in de buurt. Wellicht zou het Koningsdaggevoel vanzelf komen. Dat gebeurde ook. Helaas kwam het in de vorm van een haast onbedwingbare woede toen ik op het terras van mijn favoriete café een volwassen man zag zitten met op zijn hoofd een ludieke hoge hoed, in oranje.

Ik had me er al bij neergelegd dat ik te oud was geworden, dit niet meer aankon en was weer onderweg naar huis, toen ik een appje kreeg: ‘We zitten in onze straat dingen te verkopen. Maar er heeft nog niemand iets gekocht. Kom je een wijntje drinken?’ Dat wijntje hoefde ik niet – ik ging vandaag niet drinken en zeker niet roken – maar ik ging wel even langs. Ze hadden een geweldige uitstalling, met precies genoeg boeken over Adolf Hitler, fraaie ongedragen hippe kleding en zeker twee hanglampen die ze eigenlijk liever niet wilden verkopen.

‘Ik ga niet drinken hoor’, kondigde ik manhaftig aan nadat ik mijn fiets had neergezet. Er werd begripvol geknikt. Waarschijnlijk in de overtuiging dat ik over een paar minuten toch wel overstag zou gaan. En zo geschiedde.

Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next