Elke keer als die ene foto op internet weer opduikt op mijn scherm, trekt mijn lichaam samen. Mijn eerste reflex is wegkijken, anders word ik er werkelijk misselijk van.
U kent het beeld misschien wel, die foto van Afghaanse schoolkinderen in een klaslokaal op het platteland, een jaar of zeven oud. Ze kijken recht in de lens en houden een rond platbrood omhoog dat ze net hebben gekregen. De foto is oud, misschien van vijftien jaar of langer geleden, vermoedelijk gemaakt door een hulporganisatie of een particulier die wilde bewijzen dat het ingezamelde geld goed terechtkwam. Deze foto is niet uniek; er bestaan talloze varianten van Afghaanse kinderen, van kinderen in Gaza die met lege pannen duwend en schreeuwend in de rij staan, of kinderen waar dan ook ter wereld, afgebeeld in hun meest kwetsbare toestand.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Ik kan het niet helpen, maar als ik echt naar die beelden kijk – dat wil zeggen, als het me niet lukt om snel weg te kijken – denk ik aan mijn eigen kinderen. En ik denk aan de ouders van de kinderen op die foto’s. Hoe is het voor hen om hun kind zo terug te zien? Als ze de ruimte al hebben om zich die vraag überhaupt te stellen.
Wij, de toeschouwers, hebben die ruimte wel. En toch negeren we de regel die we voor onszelf zo vanzelfsprekend vinden: dat je een kind beschermt tegen onbekende blikken die het nog niet kan overzien. Waarom gunnen we deze kinderen de privacy niet die we voor onze eigen kinderen opeisen?
Natuurlijk, de fotografen maken deze beelden niet om te vernederen. Het is een schreeuw om hulp, bedoeld om solidariteit op te wekken en actie af te dwingen. Die hulp is vaak levensreddend. Maar wat mij verontrust, is dat onze morele verantwoordelijkheid blijkbaar niet meer berust op onze verbeelding, ons innerlijke kompas en ons rechtvaardigheidsgevoel, maar dat we deze visuele ‘bewijslast’ van menselijk leed nodig hebben om überhaupt nog iets te voelen.
Dit bombardement aan beelden werkt echter averechts. Om onszelf te beschermen hebben we feitelijk nog maar twee smaken: we kijken te snel weg, of we blijven kijken zonder het echt binnen te laten. We kijken dan verdwaasd en vervreemd, zonder de vergelijking te trekken met onze eigen kinderen, zonder ons te verplaatsen in hun ouders. Het leed van de ander wordt ‘gewoon’. Ze worden een andere soort, ‘niet zoals wij’, niet zoals onze kinderen. En zodra dat gebeurt, sterft de werkelijke solidariteit.
Misschien vindt u dit luxekritiek of spreken vanaf een te hoge toren. Maar als kind van de oorlog weet ik dat uiteindelijk niets waardevoller is dan het behoud van menselijke waardigheid. En wat ik ook weet, is dat de liefde voor je kinderen universeel is en niet afhankelijk van vrede of oorlog, of van welvaart of armoede.
Terugkomend op dat beeld van de Afghaanse kinderen: ik zou willen dat ze in Nederland geboren waren. En geloof me, niet eens vanwege dat stuk brood dat hier voor ieder kind gegarandeerd is, maar omdat hier geen kind wordt gevraagd om met een dankbare blik in de camera te kijken in ruil voor liefdadigheid van een onbekende, waarna het beeld verder wordt verspreid om meer middelen te genereren.
Dat verschil voelde ik het sterkst in de zomer van 2014, bij de terugkeer van de slachtoffers van de MH17-ramp. Ik voelde een diep ontzag voor de zorg en het respect waarmee zij werden behandeld. Niemand zag ook maar een fractie van hun lichamen; ze waren gehuld in een deken van collectieve waardigheid en volledig beschermd tegen nieuwsgierige en verbijsterde blikken, vrij van de noodzaak om medelijden op te wekken.
Zoiets gun je ieder mens. Geografie zou niet mogen bepalen wie zijn kinderen mag afschermen tegen de blikken van de wereld en wie zichzelf in vernederde en mensonwaardige toestand moet tonen om te mogen overleven.
Je hebt geen controle over waar of hoe je sterft. Maar als ik mag kiezen, wil ik sterven in een land als Nederland, of althans in de wetenschap dat ze me met diezelfde stilzwijgende waardigheid komen halen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant