Tweede Wereldoorlog Opstappen, redden wat er te redden valt, of simpelweg kiezen voor eigen lijfsbehoud – tijdens de Duitse bezetting moesten burgemeesters een fundamentele keuze maken. Politicoloog Hans Anker reconstrueert gedetailleerd en overtuigend de casus van een dorpsburgemeester in Zeeland.
Het gezin Kleppe van links naar rechts: echtgenote Anna Elisabeth (Betsy), dochter Maria Akke (Ria), burgemeester Hanton Pieter Kleppe
Een meeloper, een karakterloze man die als burgemeester niet in staat was geweest om de Duitse bezetter het hoofd te bieden. De rechter oordeelde hard over Hanton Kleppe, burgemeester in oorlogstijd in de Zeeuwse gemeente Sint Philipsland. Zelf deed hij er na de bevrijding alles aan om zijn naam te zuiveren en zijn oneervolle ontslag van april 1946 aan te vechten. Hij procedeerde, lobbyde bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, zocht naar ontlastende getuigenverklaringen. Maar uiteindelijk viel op 14 september 1950 het definitieve oordeel: een geldboete en oneervol ontslag. Volgens de rechter was hij geen hardnekkig collaborateur geweest, of een jodenjager. Hij had vooral geen ruggengraat getoond.
Hans Anker: Burgemeester in oorlogstijd. De strijd in de naoorlogse tribunalen. Cossee, 400 blz. € 35,-
Kleppe is de hoofdpersoon in het boek Burgemeester in oorlogstijd van politicoloog Hans Anker. De bijl viel voor hem in november 1944 toen hij in zijn burgemeestersvilla een brief op de deurmat vond van de Commissaris van de Koningin, Quarles van Ufford: „U dient de uitvoering van uw ambt te staken, in afwachting van definitieve maatregelen op basis van nader onderzoek”.
Kleppe was niet de enige die na de bevrijding zo’n brief kreeg. Minstens 400 burgemeeesters werden opgepakt en strafrechtelijk vervolgd omdat ze lid waren van de NSB. Zeeland telde vlak voor de bezetting 106 burgemeesters. 51 collega’s van Kleppe bleken na de oorlog van onbesproken gedrag te zijn. 15 burgemeesters kregen een berisping, 14 verloren hun ambt, 6 daarvan kregen te horen dat ze op oneervolle wijze uit hun functie werden ontheven. Kleppe bevond zich dus in bedenkelijk, select gezelschap.
Anker volgt Kleppe op de voet als die zich in december 1944 moet verantwoorden voor de politieke zuiveringscommissie-Portheine. Dat is de commissie die adviseerde over het lot van ‘foute’ burgemeesters, maar ook dat van ambtenaren, journalisten, academici of kunstenaars in Zeeland. Hij lijkt er zelf bij te zijn geweest in de vervolgprocedures of als Kleppe zich daarna nogmaals moet verantwoorden bij zittingen van de Bijzondere Rechtspleging. Of, zoals Anker het in zijn verantwoording verwoordt: „Ik heb geprobeerd om zo goed mogelijk in de huid van mijn karakters te kruipen en hun zo realistisch mogelijke woorden in de mond te leggen.”
Van één speler in de zaak-Kleppe moet dat voor hem makkelijk zijn geweest: de piepjonge, 22-jarige adjunct-commies, Adri Anker die in 1942 zijn opwachting maakte in het stadhuis van Sint Philipsland. Adri Anker, de vader van de auteur, maakte Kleppe van dichtbij mee. Zijn zoon zou jaren later, na diens overlijden, in zijn nalatenschap een oude groengekleurde schooltas met daarin een enveloppe tegenkomen. ‘Geval Kleppe’, las hij op de enveloppe met daarin een schrijven van zijn vader aan de Commissaris van de Koningin te Middelburg „betreffende de houding van den Weledel Gestrenge Heer H.P. Kleppe, tijdens de Duitse bezetting. (..) Namens het personeel der gemeente Sint Philipsland.” De jonge ambtenaar doet uit de doeken hoe Kleppe het plaatselijke verzet dwarsboomde, hoe hij met de Duitsers heulde en hoe hij weigerde om namen te verwijderen van een lijst van mannen van vijftien jaar en ouder die verplicht tewerk gesteld moesten worden in Duitsland. Zijn eigen ambtenaren hadden hem die mogelijkheid aangereikt, maar Kleppe durfde dat niet aan. „Daar waag ik me niet aan. Ik wil niet in (het strafkamp) Vught komen. Nog liever zie ik half Flipland (Sint Philipsland, red.) in Vught”, zo citeerde Anker. Die enveloppe was het begin van Hans Ankers zoektocht naar de val van burgemeester Kleppe.
Anker weet in zijn goed en geloofwaardig geschreven reconstructie ook de politieke en maatschappelijke context te bieden van het debat over goed-of-fout in de oorlog en het dilemma waar burgemeesters voor stonden: opstappen, redden wat er te redden valt, of gewoon voor eigen lijfsbehoud te gaan. Want een blauwdruk voor hoe te handelen in oorlogstijd had de regering voor vertrek naar Londen niet achtergelaten. Er was alleen een circulaire uit maart 1938, maar die bood weinig concrete handvaten. Het schrijven was ook nog eens uiterst vertrouwelijk verstuurd. Met als belangrijkste boodschap: „bestuurders blijven bij een vijandelijke inval op hun post en houden het bestuur draaiende.” Hoe? Daar gaf die circulaire geen antwoord op. Behalve dan de waarschuwing dat bestuurders niet mochten meewerken aan maatregelen waardoor inwoners betrokken konden raken „bij oorlogsverrichtingen tegen Nederland”. Eigenlijk, zo interpreteerden veel burgemeesters die circulaire, moesten ze het zelf maar uitzoeken. Dat deed Kleppe ook. De circulaire verdween in een kluis, hij zou zijn wethouders erover informeren als het ooit zover zou komen.
Maar zover zou het nooit komen. Want nog geen half jaar na de Februaristaking in Amsterdam, stuurde de hoogste vertegenwoordiger van het nazi-regime in Nederland, Arthur Seyss-Inquart, een verordening rond waarin die wethouders simpelweg werden weggestreept. Ook op lokaal niveau werd het ‘Führerprinzip’ ingevoerd, de burgemeester bestuurde vanaf dat moment in zijn eentje de gemeente, wethouders waren gedegradeerd tot medewerkers. De verkeersborden in Sint Philipsland met de tekst ‘Zum Rathaus’ werden vervangen door borden met het opschrift ‘Zum Bürgemeister’.
Net als zijn collega’s elders in het land, stond Kleppe er op het stadhuis alleen voor, terwijl Seyss-Inquart steeds meer toewerkte naar nazificatie van bestuurlijk Nederland. Vooroorlogse burgemeesters, zoals Kleppe, moesten daaraan meewerken of plaats te maken voor een NSB-burgemeester. Of dat verschil zou hebben uitgemaakt? Volgens Anker hadden de meeste burgemeesters de radicaliteit van de Duitsers onderschat. En toen ze die wél zagen, was het te laat.
Het definitieve oordeel over Kleppe viel in september 1950, toen rechter Van Bisselinck in Den Haag zijn eindoordeel uitsprak. Van foute ideologische gezindheid, nationaalsocialistisch of fascistisch, de belangrijkste hoofdaanklacht, sprak hij hem vrij. Maar hulpverlening aan de vijand werd Kleppe wel aangerekend. En een zwakke rug uit lijfsbehoud. De uitspraak „liever de halve bevolking van zijn gemeente naar het strafkamp Vught dan ikzelf”, uit de brief van die jonge ambtenaar Anker, nam de rechter over: „het leek de burgemeester er alles aan gelegen om het eigen vege lijf te redden”. Kleppe kwam er qua strafmaat redelijk uit, internering of andere sancties, bleven hem bespaard. De rechter hield het op een gedeeltelijke verbeurdverklaring van zijn vermogen: 1200 gulden (6300 euro).
Hoe fout is fout, is de vraag die als een rode draad door de reconstructie loopt. Anker verbaast zich over de hardheid van zijn vaders brief aan de Commissaris van de Koningin. Een jonge ambtenaar, nauwelijks 24 jaar oud, „maar de levenservaring spat er vanaf”. Maar Anker citeert in zijn epiloog ook oud-minister van Binnenlandse Zaken (in ballingschap), Jaap Burger, die het in 1944 voor Radio Oranje had over „het vinden van hen die ‘fout’ zijn geweest, niet om het vinden van begane fouten”. Het leven laat zich zelden vangen in enkel goed óf fout, had Anker van zijn vader geleerd. En Kleppe was niet de enige vooroorlogse burgemeester met zwakke knieën: „Zoveel burgemeesters met een ruggengraat waren er niet, ze werden voor de oorlog ook niet geselecteerd op moed of heldendom.”