René ten Bos In Solidariteit schrijft René ten Bos dat solidariteit een hoerawoord is geworden, terwijl de betekenis van het woord in de praktijk minder eenduidig blijkt.
Een Inuit gemeenschap, chromolithografie uit 1886.
In Solidariteit van René ten Bos, laat solidariteit zich misschien nog wel het beste definiëren door wat het niet is of, beter gezegd, door zijn vijand namelijk eenzaamheid. Die tegenhanger verklaart meteen de charme van solidariteit, want wie verlangt er nu naar eenzaamheid? Het is dan ook niet gek dat ‘bijna’ iedereen er in positieve termen over spreekt. Solidariteit is, in de woorden van ten Bos, een ‘hoerawoord’ geworden.
Maar is dat terecht? Wie probeert te achterhalen wat er precies met solidariteit wordt bedoeld, komt erachter dat er geen eenduidige definitie blijkt te bestaan, aldus Ten Bos. Je kunt zeggen „wie zich bekommert om solidariteit, bekommert zich om gemeenschappelijkheid”. Prima, stelt Ten Bos, maar „niemand (…) kan uitleggen hoe je solidariteit organiseert of institutionaliseert”. Ooit was het woord bedoeld om vriendschapsbanden tussen de elite onderling in stand te houden (denk aan ridders en musketiers), maar wanneer zo’n groep complexer wordt, zoals in onze democratische samenleving, is deze broederlijke definitie, die staat voor een ongecompliceerde vorm van gemeenschappelijkheid, niet genoeg. Het is onmogelijk om vriendschap te voelen voor de gehele samenleving.
René ten Bos: Solidariteit. Een kleine filosofie. Boom, 160 blz. €20,00
Toch is het in een democratie essentieel solidair te zijn: wil deze stabiel zijn, dan is het zaak dat de meeste mensen het goed hebben. Het is dus deels uit eigenbelang dat het welzijn van anderen gewaarborgd wordt. Het geheel is hierbij „nauw verbonden met de eenling”. Om dit geheel beter te laten functioneren worden bijvoorbeeld regels ingesteld zoals het heffen van belasting die uiteindelijk het individu ten goede komen. Op deze manier, stelt Ten Bos, wordt solidariteit verbonden aan het recht.
Dit levert tegelijkertijd een probleem op, deze vorm van juridisering loopt steevast uit op een mislukking: „Solidariteit verdampt op het moment dat je die probeert aan te pakken of te organiseren”, schrijft Ten Bos. Een poging om solidariteit vast te leggen zou het begrip ontdoen van wat ook inherent aan solidariteit verbonden is, namelijk het (morele) gevoel. Net zoals solidariteit in een democratie niet gereduceerd kan tot vriendschappelijke gevoelens of tot zoiets als altruïsme, kan het ook niet gereduceerd worden tot het per definitie ongevoelige recht. Het bevindt zich daar ergens daartussenin. En juist in de ongrijpbaarheid van solidariteit ligt ook de (aantrekkings)kracht.
Die aantrekkingskracht kunnen we begrijpen als een verlangen naar een samenleving waarin vanzelfsprekende solidariteit bestaat. Één die niet vast gelegd hoeft te worden in koele wetten. Volgens ten Bos wordt vaak gedacht dat deze vorm al bestond in oude gemeenschappen. Zo ontstaat er, zoals bij de Duitse socioloog Tönnies, een beeld van ideale gemeenschappen waarin solidariteit zegevierde, maar deze hebben volgens Ten Bos überhaupt nooit bestaan. „Zouden leden van die oorspronkelijke gemeenschap ooit zelf gedacht hebben dat ze in een ‘gemeenschap’ leven?” vraagt hij zich af. Nee, luidt zijn antwoord. Het idee van zo’n ‘oorspronkelijke gemeenschap’ is niet meer dan een fantasie, iets wat verheerlijk wordt zodat we ernaar kunnen (terug)verlangen.
Wat schort er dan aan die moderne tijd? Volgens Ten Bos verlangen we misschien wel naar een solidaire gemeenschap, maar zijn we ons niet bewust van de verregaande manieren waarop we van elkaar afhankelijk zijn. De moderne, individualistische mens wil de wereld en zijn natuur vooral controleren. Volgens ten Bos laat de Inuit-gemeenschap in het noorden van Alaska meer ruimte voor werkelijke solidariteit aangezien zij menen dat alles met elkaar in verbinding staat. Niet alleen dieren en bomen, maar ook eventueel buitenaards leven. Hij stelt dat dit idee van „kosmische solidariteit” voor ons ‘verstandige’ mensen lastig te bevatten is, buitenaards leven vinden we zelfs lachwekkend. Zelf lijkt hij sympathie te hebben voor de Inuit. Zij hebben in zijn ogen „misschien meer sjoege van interdependentie” dan wij. Tegelijkertijd vormen de Inuit juist zo’n soort ‘gemeenschap’ die je zou kunnen idealiseren. Aan dit soort punten gaat hij soms wat snel voorbij.
Niettemin is de kern van zijn boek belangrijk; de ‘glibberigheid’ van solidariteit wordt door veel mensen („bestuurders, managers, politici of ambtenaren”) al te makkelijk over het hoofd gezien. Hij heeft gelijk als hij stelt dat het woord al te vanzelfsprekend en gemakzuchtig wordt gebruikt en wijst er terecht op dat in dit woord een „ongekende morele kracht” schuilt. Een consequentie van die morele kracht is het gevaar dat solidariteit gereduceerd wordt tot een politiek marketingconcept: als je ons kiest sta je „aan de goede kant van een nogal denkbeeldige scheidslijn tussen goed en kwaad”. Zo wordt solidariteit inderdaad niet meer dan een leeg hoerawoord.
Toch blijven belangrijke vragen onderbelicht. Bijvoorbeeld de vraag, met wie ben je solidair en met wie niet? En is solidariteit met de mensen in je directe omgeving, de mensen met jouw ideeën en voorkeuren, wel solidariteit, of geldt dat als eigenbelang? Wanneer gezocht wordt naar een oplossing voor het probleem van solidariteit moeten deze vragen niet over het hoofd gezien worden.