Home

Het geniale ‘Transcriptie’ toont: telefoonverslaving is nieuw, de oerangst die eronder zit niet

Sinds zijn debuut in 2011 is elke nieuwe roman van Ben Lerner een literaire happening. Terecht, blijkt ook weer uit Transcriptie, dat niet alleen gaat over onze intieme relatie met technologie, maar ook over aanwezige en afwezige vaders.

is schrijver en redacteur van katern Zondag

Stel je een moment voor dat je de telefoon van een geliefde, een vriend, een vreemde in je hand hebt. Voelt het aanraken van dat din„ laat staan het ontgrendelen ervan niet op z’n minst een beetje grensoverschrijdend?

Alsof je een deel van de bezitter beroert, niet lichamelijk, maar misschien nog wel intiemer, een stuk van diens geest.

Transcriptie, de nieuwe roman van de Amerikaanse schrijver Ben Lerner (1979), begint ermee dat de verteller (45) zijn telefoon in een hotel in een volle wasbak laat vallen: kapot. Het gemis is meteen zo aanmerkelijk dat het apparaat aanvoelt als een lijk – ontzield.

‘Ik wilde – ik moest – mijn berichten en mijn mail checken, swipen en scrollen en fotograferen, bewerken en filteren en archiveren, mijn locatie delen etc., zodat ik niet alleen, niet helemaal, op de plek zou zijn waar ik was; al sinds in elk geval 2008 was het voor mij te veel, of te weinig, om op de plek te zijn waar ik was.’

Die plek is in dit geval de universiteitsstad Providence, waar hij heeft gestudeerd en die hij nu bezoekt voor een interview met zijn 90-jarige mentor Thomas, onderzoeker, filmmaker en allround genie.

Zijn overleden telefoon heeft de verteller nodig om het interview op te nemen. Paniek.

Tijd om langs de Apple Store te gaan is er niet; hij wordt verwacht in het met kunst gevulde huis van Thomas. Daar aangekomen besluit hij om onduidelijke redenen niet te vermelden wat er met zijn telefoon is gebeurd. Hij legt het kapotte apparaat neer, zodat zijn mentor ten onrechte denkt dat het gesprek wordt opgenomen.

De oude man steekt van wal. Zijn toehoorder zal het moeten hebben van een stuk van zijn geest dat inmiddels grotendeels is uitbesteed aan de technologie: zijn herinnering.

Sprookjeswensen

De eerste ‘cultuurhandelingen’ van de mens, schreef Sigmund Freud in Het onbehagen in de cultuur (1930), ‘waren het gebruik van werktuigen, de beteugeling van vuur en de bouw van woningen’.

Werktuigen, kan daaraan worden toegevoegd, waarmee we onze menselijke manco’s corrigeren en onze ‘sprookjeswensen’ in vervulling laten gaan.

Freud: ‘Met een telefoon hoort [de mens] geluiden uit verten die zelfs het sprookje als onhaalbaar zou respecteren; het schrift is oorspronkelijk de taal van de afwezige, het woonhuis een substituut voor de moederschoot, het eerste en waarschijnlijk nog steeds verlangde onderkomen, waarin hij veilig was en zich prettig voelde.’

De taal van de afwezige. Dat vat wel zo’n beetje de thematiek van Lerners roman. Technologie functioneert in dit compacte werk als middel om aan- en afwezigheid mee te reguleren, net als het schrift, net als taal.

De telefoon, met zijn eindeloze afleidingen, haalt je uit het heden wanneer dat je overweldigt of verveelt, en transporteert je naar daar waar je gemist wordt – ‘te veel, of te weinig’.

Dat ik het me permitteer om Freud te citeren heeft ermee te maken dat Transcriptie behalve een boek over technologie een boek is over vaders, aanwezige en afwezige vaders. Lerner laat zien hoe de intimiteit met technologie kan dienen als substituut voor het soort bescherming dat in freudiaanse zin met de vader wordt geassocieerd.

De verteller zelf is zo’n vader van het fanatiek aanwezige soort. Iedere avond moet er gefacetimed worden met zijn dochter. Wanneer zijn telefoon sneuvelt is zijn eerste zorg dat goedenachtgesprek.

Dat het kind tijdens dit belletje nauwelijks opkijkt van het potje Fruit Ninja op haar iPad roept de vraag op wie er gediend is met deze compulsie: het meisje of haar bezorgde vader?

De oude Thomas, daarentegen, een man die door zijn eigen zoon wordt omschreven als ‘een kruising tussen Wonka en Bergman’, is van de oude stempel met andere prioriteiten. Hij is vaderlijk tegen zijn oud-leerling – zo vaderlijk zelfs dat hij hem in verwarring aanziet voor zijn zoon – maar zijn ware nageslacht kampt nog altijd met de gevolgen van wat we tegenwoordig emotionele onbeschikbaarheid noemen.

Daddy issues.

Experimenten

Sinds zijn debuut in 2011 is elke nieuwe Ben Lerner het soort literaire happening waar critici en schrijvers naar uitkijken. Of je van zijn autofictionele werk houdt of niet, je kunt moeilijk heen om de relevantie van de vragen die hij stelt en de experimenten die hij doet. In zijn boeken staat, los van de thematiek, ook altijd de vorm op het spel. Wat kan, wat moet, de roman in deze tijd zijn?

Dat eerste boek, Leaving the Atocha Station, vertoonde al een obsessie met authenticiteit. Het stelde de vraag of je met een door popcultuur en media overontwikkeld zelfbewustzijn nog op een oprechte manier van kunst kunt genieten; de verteller ziet een bezoeker in een museum huilen bij een schilderij en is diep jaloers dat hij niet op die manier geraakt kan zijn.

En nog steeds onderzoekt Lerner hoe de pure ervaring gemedieerd wordt door taal, media en technologie. Maar inmiddels lijkt hij zich er bij te hebben neergelegd dat die begeerde authenticiteit een onmogelijkheid is, ook in de communicatie met anderen.

Tussen spreker en toehoorder staan, als het al geen schermen of opnameapparaten zijn, altijd interpretaties, spraakverwarringen en valse herinneringen in, die de boodschap vervormen.

Bij het verstrooide genie Thomas komt daarbij dat wat hij uitkraamt nauwelijks geschikt blijkt voor een hedendaags tijdschriftinterview, dat biografische letterlijkheid vereist, herkenbare middelmatigheid. In flarden spreidt de mentor zijn encyclopedische kennis tentoon – over alles van grottenkunst uit Patagonië tot het obscure vakgebied van de psychoakoestiek – maar aan simpele feiten over zijn leven komt de interviewer nauwelijks. Thomas’ geheugen lijkt hem bovendien in de steek te laten.

Hoe we de werkelijkheid waarnemen en herinneren is voortdurend aan allerlei invloeden onderhevig, wil Lerner opnieuw benadrukken. Kleine, maar ook grote invloeden. In al zijn boeken laat hij wereldschokkende gebeurtenissen de toch wat cerebrale vragen waarmee zijn tobberige hoofdpersonen rondlopen onder spanning zetten: de aanslagen in Madrid, de orkaan Sandy, de politieke aardverschuivingen rondom Donald Trump.

In Transcriptie is het de pandemie die de band tussen de mens en zijn scherm in versnelling nog inniger maakte.

Lerner is lang niet de enige die in een roman terugblikt op die anomalie van de geschiedenis, maar de scène in dit boek waarin een zoon alleen via een iPad aanwezig kan zijn bij zijn stervende vader in het ziekenhuis, gaf mij verreweg de meest verpletterende herbeleving van dit collectieve trauma.

Een soort prothesegod

‘De mens is om zo te zeggen een soort prothesegod geworden’, zei Freud dus al in 1930, ‘heel groots als hij al zijn hulporganen aandoet, maar ze zijn niet met hem vergroeid en bezorgen hem soms nog veel last.’

Die almacht zou met technologische vooruitgang alleen maar toenemen, voorspelde hij, maar we moeten ‘niet vergeten dat de huidige mens zich niet gelukkig voelt in zijn goddelijkheid’.

Dat culturele onbehagen wordt in Transcriptie belichaamd door twee kleine meisjes. Waar de dochter van de verteller bang is om naar school te gaan, is de dochter van Thomas’ zoon Max – de man die in het derde deel plotseling aan het woord komt – bang om te eten. Waarom is een mysterie.

Beide vaders overwegen de mogelijkheid dat de kinderen het gewicht van de brandende wereld op hun schoudertjes dragen en daarop reageren met een soort heilige weigering. Maar Max en zijn vrouw zoeken toch hun toevlucht in de schijnveilige acroniemen van de psychiatrie. Emmie lijdt aan ‘failure to thrive’ (FTT) door ARFID, een eetstoornis waarbij je voedsel mijdt met een bepaalde structuur, kleur, geur of smaak .

‘Het acroniem’, zegt Max, in zo’n typische, taalfilosofische Lerner-observatie, ‘is net een code die de alfa naar het numerieke vertaalt; getallen zijn objectief, juist, en opeens is het wetenschap! Het maakt niet uit dat ARFID een aanduiding is voor hetzelfde raadsel, een verpakking van de onwetendheid (…)’.

Dat raadsel, dat gebrek aan kennis, is onverdragelijk voor de hyperaanwezige, moderne ouder die Max is. Emmies toestand wordt een obsessie, nog eens verzwaard door vaders schuldgevoel: ‘Die schaamte is niet te beschrijven. Het is één ding dat je je kinderen niet kunt bieden wat ze nodig hebben omdat je onder meedogenloze materiële omstandigheden leeft, omdat je arm bent of hebt moeten vluchten, omdat je stad is platgebombardeerd; het is iets heel anders om alle mogelijke privileges te hebben (…) en fucking biologische bessen en grasgevoerd rundvlees te kunnen kopen en te zien dat je kind zich uithongert’.

Zoveel aanwezigheid, zoveel ouderlijke betrokkenheid, dat is nogal wat voor een 8-jarige om getuige van te zijn.

Zonder te veel te spoilen: de oplossing voor Emmies probleem komt uit een onverwachte hoek, waarmee Lerner het voorspelbare debat over jongeren en technologie zowaar van een originele kanttekening voorziet – het kan wel!

Angst voor de toekomst

De verleiding is momenteel groot, ook in de literatuur, om dystopisch over technologie te schrijven. De al te menselijke angst voor de toekomst die daaruit spreekt lijkt Lerner te hebben willen bezweren. Hij diept het heden uit door te onderzoeken hoe onze geest nu al is vergroeid met onze digitale protheses.

Vergroeid is trouwens het verkeerde woord, we zijn geen cyborgs. Zodra de telefoon sneuvelt, valt de hoofdpersoon terug op zijn zintuigen: ‘Ik had een ongewone ervaring van aanwezigheid – ik was me meer bewust van het silicaat dat in het asfalt glinsterde, de kleine knoppen van de takken en hun schaduwen op de stoep – maar ik liep ook mijn verleden in omdat dit landschap was vergeven van de vormende herinneringen (…)’

Transcriptie leest meer als een verzoening met, dan een veroordeling van de kunstmatige manieren waarop we ons bewustzijn verlengen en verleggen. Lerner maakt geruststellend inzichtelijk dat de verlangens die we najagen en de ontsnappingspogingen die we doen via onze schermen nog altijd zijn te herleiden tot dezelfde oersoep die Freud aanroerde.

Geen techbro gaat de wereld van daddy issues genezen. De technologie biedt afleiding, troost, een fopspeen. En in gunstige gevallen de afstand om te kunnen zeggen wat je in fysieke aanwezigheid niet durft te zeggen; zoals de zoon, die zijn stervende vader via die armetierige iPad eindelijk de waarheid vertelt. Zijn waarheid.

Authenticiteit, het vervagende onderscheid tussen echt en artificieel, is bij de volwassen geworden Lerner minder een probleem dan een gegeven. De verteller herinnert zich dat hij tijdens een bezoek aan een museum ooit getroffen werd door een vitrinekast vol volmaakte, glazen replica’s van bloemen. Vlinderorchideeën, perenbloesems, geblazen, gevormd, geschilderd en onmogelijk teer.

‘Ik zag de bloemen het ene moment als organisch en het volgende als kunstmatig, een soort eend-konijn-illusie (…) tussen natuur en cultuur, het gegevene en het geconstrueerde. En ik nam (…) dit nieuwe scharnier in mijn manier van kijken mee uit het museum.’

Zo wordt hij zich ‘voor het eerst bewust van deze stille maar cruciale techniek, ergens tussen een kinderspel, een cognitief-gedragstherapeutische oefening en een religie. Uiteindelijk zou ik het ‘fictie’ noemen’.

Ben Lerner: Transcriptie. Uit het Engels vertaald door Arthur Wevers. Atlas Contact; 160 pagina’s; € 19,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next