De 22-jarige Nelio Biedermann schreef met het gehypete ‘Lázár’ een indrukwekkende familieroman over een Hongaarse adellijke familie in de eerste helft van de vorige eeuw. Maar is hij daarmee, zoals wordt beweerd, een Wunderkind?
is recensent voor de Volkskrant, gespecialiseerd in poëzie en Duitstalige literatuur.
Een nieuwe Thomas Mann! Eind vorig jaar dachten de Duitsers een nieuwe Tovenaar te hebben ontdekt.
Nelio Biedermann, 22 jaar oud en op zijn 16de begonnen met schrijven, bracht met Lázár een ware, volgens sommigen wat ouderwetse maar fantastische familiegeschiedenis uit. Het is zijn tweede roman. En met de hand geschreven.
Kranten repten van een nieuwe Buddenbrooks, de magistrale familieroman die Mann in 1901 publiceerde. Het woord Wunderkind was niet van de lucht. Maar Biedermann zelf wil daar niets van weten. In het leven komen de dingen je heus niet zomaar aanwaaien, meent hij.
Ook niet bij iemand als Beethoven, zei Biedermann tegenover de Süddeutsche Zeitung, ‘die is heus niet ter wereld gekomen, achter de piano gekropen en meteen geweldig gaan spelen. Zoiets vraagt veel werk.’
Inmiddels verschijnt het boek in twintig talen. Ook nu in het Nederlands.
Lázár verhaalt over het lot van Biedermanns familie van vaders zijde. Dat verhaal werd de auteur, die overigens in een middenklassegezin in Zürich opgroeide, een doodgewoon leven leidde en nu germanistiek en film studeert, door zijn grootmoeder verteld.
De familie Von Lázár, een Hongaarse familie van adel, leeft in een kasteel aan de rand van een nogal spookachtig, met donkere mythen overladen woud. De roman opent met de geboorte van Lajos, ‘het doorzichtige kind met waterblauwe ogen’.
Hij zou de zoon van baron Sándor en diens vrouw Mária moeten zijn. Maar al vroeg in de roman blijkt dat de zaken anders liggen en dat Lajos’ moeder een oogje had laten vallen op een van de stalknechten. Lajos blijkt het kind van die buitenechtelijke relatie, een familiegeheim dat wordt verzwegen en bijdraagt aan de toch al instabiele verhoudingen binnen het gezin.
Sándor zelf is emotioneel onstabiel en raakt steeds verder verstrikt in alcohol en destructieve affaires, terwijl Mária en de rest van de familie gevangen zitten in stilte en ontkenning. Het leven van de Lázárs wordt getekend door vervreemding, psychische problemen en een groeiend gevoel van verval.
Biedermann vertelt het smeuïg. Je kunt je afvragen hoe dat voor de jonge auteur geweest moet zijn: het fantaseren over de voorkeuren en het seksleven van zijn grootouders. Afgaand op zijn beschrijvingen heeft hij zich er behoorlijk in vermeid.
Over een periode die loopt van ruwweg 1900 tot en met de opstand van 1956 volgen we Sándor en Mária, Lajos en zijn zus Ilona en uiteindelijk ook de twee kinderen van Lajos zelf: Pista en Eva.
In die periode is de lezer niet alleen getuige van de grote Europese omwentelingen, het einde van de 19de eeuw, het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, het interbellum, de opkomst van de nazi’s en de ellende van de Tweede Wereldoorlog, maar eerst en vooral van het verval van deze familie.
De grote gebeurtenissen vormen het decor, maar het verhaal zit dicht op de huid van de personages. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog blijkt Europa voor Lajos ‘niet meer dan een woord’. Een Hongaarse adellijke familie in het hart van Europa en de zoon heeft geen benul van wat Europa inhoudt?
Soms zit de vertelling de geloofwaardigheid in de weg. Maar vaker nog wil je doorlezen. Er is iets in deze roman, in het ritme van de korte hoofdstukken wellicht, dat het geheel een enorme vaart geeft.
Wel merk je algauw dat de vergelijking met de grote Mann tamelijk overdreven is. Daarvoor ontbreekt simpelweg de filosofische diepgang. Filosofische uitweidingen zijn sowieso dungezaaid in deze roman, en waar de verteller al iets van zijn denken onthult, is het niet bijster indrukwekkend.
Neem wat hij schrijft over de schrijver en de angst voor het geluk: ‘Schrijven betekent conserveren, vasthouden, ordenen, maar het geluk gaat taal uit de weg, weet te ontkomen aan de woorden, verschuilt zich in de onbestendigheid en gaat in rook op als je het probeert te verklaren.’
Buiten dat het bijna vier keer hetzelfde zegt, denk je als lezer toch ook een beetje: goh. Of: waar heb ik dit eerder gelezen? Márai? Zeker niet, daarvoor is zijn stijl juist weer te weinig ingetogen. Joseph Roth? Ook niet, daarvoor is zijn stijl te nadrukkelijk, soms bijna gewild literair.
Misschien is dit juist tekenend voor wat Biedermann doet: het feit dat hij deze associaties oproept, ondanks hun verschillen, zegt veel over het verteltalent van deze jonge auteur. Want tegenover dit alles stelt Biedermann een enorme verteldrift. Hij heeft veel gevoel voor atmosfeer, en jaagt zijn personages door de generaties.
En er zijn zinnen te over die diepe indruk maken. De opening is werkelijk schitterend en regelmatig wil je een heerlijk ritmisch uitgesponnen zin aanstrepen. Dat maakt bovendien dat je de overdaad soms wat makkelijker slikt.
En ook dat je de clichés soms met een glimlach laat passeren: natuurlijk pleegt de vader van Lajos overspel en natuurlijk weet zijn moeder dat, ‘maar de waarheid interesseerde haar niet’; natuurlijk zien de jongemannen op de kostschool ‘in alles een aanleiding voor een duel’; natuurlijk scheren de hoge hoeden van ‘de zwartgeklede koetsiers’ rakelings langs boomtakken; natuurlijk is Wenen een stad vol ‘decadentie’ een stad met een ‘dubbele moraal’ en een ‘eindeloze reeks bals’.
Nee, een Buddenbrooks is dit niet. En dat hoeft ook niet. Lázár is een indrukwekkende familieroman die je misschien meer wil lezen voor de vertellust dan voor de historische diepgang. Het is een boek als een heerlijke film. En laat nou net dat gaan gebeuren. Tom Tykwer, regisseur van onder andere Babylon Berlin, heeft de filmrechten bemachtigd.
En de familie Von Lázár? Die leeft dus nog wel even voort.
Nelio Biedermann: Lázár. Uit het Duits vertaald door Kris Lauwerys en Isabelle Schoepen. Atlas Contact; 336 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant