Home

Nee, gen Z’ers zijn niet lui en analfabeet, weet schrijver en docent Martijn Simons. Luister maar naar ze

Die gen Z’ers, die kunnen toch niks meer? Niet spellen en lezen, helemaal niks? Schrijver en docent Martijn Simons hoort deze vooroordelen vaak, maar na een briefwisseling met zijn leerlingen weet hij beter.

Dit is hoe het meestal gaat. Ik sta op een feestje, een avond, ergens, en ik beland in een gesprek, vaak met iemand die ik niet ken, of nauwelijks. Voorzichtig praten we, zoals je doet met iemand die je net hebt ontmoet, aftastend.

Tot dat moment waarop het duidelijk wordt dat ik als leraar Nederlands voor de klas sta, op een middelbare school.

Martijn Simons is schrijver en docent Nederlands. Deze week verscheen Beste meneer Simons – Middelbare scholieren in gesprek met hun ­leraar over wat hen echt bezighoudt.

Een bekentenis die mijn gesprekspartner een vrijbrief geeft om alle voorzichtigheid te laten varen. Om mij eens duidelijk te maken wat er allemaal niet deugt aan het onderwijs, en waar het allemaal fout gaat met ‘de jeugd van tegenwoordig’. Wat volgt is vaak niet eens een gesprek. Ik ben enkel degene die de ideeën van de ander aanhoort.

Het begint altijd met een algemene verzuchting: die gen Z’ers, die kunnen tegenwoordig toch niks meer? Die kunnen niet spellen, toch? Die lezen helemaal niks? Dat moet ik toch ook vinden?

Mwa, denk ik, niet echt, maar dat zeg ik op zo’n moment niet. Ik kan alles weerspreken, uitleggen, echt, het zou me geen enkele moeite kosten, maar ik ben er ooit mee opgehouden. Het haalt toch niets uit. Vermoedelijk praten deze mensen niet of nauwelijks met iemand tussen de 12 en, laten we zeggen, 18 jaar, de eigen kinderen buiten beschouwing gelaten. (Eigen kinderen tellen niet, die vormen een wereld op zich.)

Zulke ontmoetingen zijn, ik overdrijf niet, het vermoeiendste onderdeel van mijn werk.

Klaagzang

Het probleem van praten over onderwijs is dat er in Nederland minstens zoveel onderwijsdeskundigen als bondscoaches zijn. Het verschil is alleen dat je bondscoaches maar eens in de zoveel tijd hoort, tijdens een groot toernooi. Onderwijsdeskundigen zijn er altijd, en overal. Ze doen niet aan off-season.

Waar er ook al zo veel van zijn: pedagogen. Logisch, zou je zeggen, iedereen is jong geweest. En veel mensen hebben kinderen. Voor je het weet, vind je jezelf deskundig omdat je weleens je kind hebt overhoord voor een so’tje Frans, en ga je mee in het clichébeeld dat je zo vaak hoort over gen Z (en alfa): ze weten niks, ze kunnen niks, ze durven niks. Gen Z’ers zouden vooral heel druk zijn met het spelen van Fortnite en het chatten met OnlyFans-modellen.

Wat ze nog aan tijd overhebben, besteden ze aan het onder controle krijgen van hun allesverlammende sociale angst.

Logisch dus dat ze niks anders lezen dan inhouds- en contextloze posts op sociale media, en dat hun rolmodellen overwegend totaal amorele influencers zijn die door niets anders gedreven worden dan het monetizen van wat ze ook maar als hun digitale werkterrein hebben gekozen.

En echt niet dat het alleen maar boomers zijn die dit soort dingen zeggen.

Verder op de bingokaart van dit soort onderonsjes vinden we de klaagzang die zich toespitst op mijn vak, Nederlands: die kinderen hoeven geen boeken meer te lezen, of uitsluitend afgrijselijke klassiekers als Max Havelaar of Eline Vere (‘Weet je wel hoeveel boeken wij moesten lezen?!’), ze kunnen geen fatsoenlijke zin op papier krijgen, laat staan dat ze nog over een leesbaar handschrift beschikken; ze kunnen geen lijdend voorwerp van een bijwoordelijke bepaling onderscheiden, en ze kunnen niet luisteren. Ze, dat is de teneur, degenereren waar je bij staat.

Gemeenschapszin

Het is ruim tien jaar geleden dat ik ben begonnen met lesgeven. Eerst korte tijd op een kunstacademie, maar al vrij snel op middelbare scholen.

Ik schreef al, toen. Romans, af en toe een kort verhaal. Het voelde logisch, onderwijs. Ik ben een slechte thuiszitter. Dat wil zeggen: ik ben er juist erg goed in. Thuis is er altijd genoeg tijd, voor alles. En ik ben niet goed met een overschot aan tijd. Ik werk snel, dat is altijd zo geweest, en ik ben, op een bepaalde manier, ook erg gemakzuchtig.

Met andere woorden: ik heb baat bij weinig tijd. Ik heb nog nooit zo goed gewerkt als tijdens de lockdowns van 2020 en 2021. Ik zat thuis, kon gelukkig nog lesgeven, in het begin online, later godzijdank op school. Maar thuis had ik ook een baby, en die sliep vaak, telkens een uurtje, maximaal twee. Tijdens die uurtjes móést het gebeuren, er was geen tijd om tijd te verlummelen. Baby op bed = meteen schrijven. Dat werkte waanzinnig goed.

Al vrij snel merkte ik dat het een heel goed idee was, een baan buitenshuis. Niet alleen had ik een vast inkomen – best prettig – en geen stress meer, althans niet over mijn inkomen, ook had ik van de ene op de andere dag veel minder tijd om te schrijven, wat voor mij dus heel goed werkt.

En, misschien wel het belangrijkste: ik had ineens mensen om me heen. Collega’s, maar vooral leerlingen. Ik werd onderdeel van een gemeenschap, en daarmee ontstond er vanzelf zoiets als gemeenschapszin. Zonder dat ik het had gemist, of ernaar op zoek was geweest, werd ik me bewust van het belang van het sociale aspect van onderwijs.

Want hoe fijn bleek het niet om jonge mensen om me heen te hebben, en hoe groot was het contrast met de eenzaamheid van het schrijverschap?

Lesgeven. Ik vond het direct leuk, en grappig, en ontwapenend, en aandoenlijk, en soms ook pijnlijk, om met leerlingen te praten. Waar dan ook over. Al gauw merkte ik dat ik de kinderen stiekem leuker vond dan het vak. Natuurlijk hou ik van literatuur, van schrijven, en doen we op school allemaal heel toffe dingen met ons vak (we maken kranten, we doen taalkundig onderzoek, we produceren talkshows), maar uiteindelijk loop ik warmer voor een gesprekje met een 14-jarige dan voor een lesje leesvaardigheid aan een hele klas met 14-jarigen.

Ik weet zeker dat dit niet voor al mijn collega’s geldt, niet in dezelfde mate althans, en dat hoeft ook niet, maar ook zij spreken dagelijks jonge mensen. Onze leerlingen. En die komen overal vandaan. Ze bezitten totaal uiteenlopende achtergronden en interesses, maar hebben ook allemaal iets gemeenschappelijks: het zijn stuk voor stuk pubers op een middelbare school, bezig zichzelf en de wereld om hen heen te ontdekken.

Ik praat met ze, tijdens lessen, in mentorgesprekken, tijdens uitjes, zomaar op de gang, of na het laatste lesuur, als er een paar blijven hangen, of terugkomen. Dan is er even tijd om te praten. Om te klagen, vaak. Dat mag altijd.

Kunnen ze ook heel goed, mijn leerlingen. Over hun eigen wereldproblemen op puberschaal (categorie: ‘Natuurkunde is zó kut, meneer.’), maar net zo goed over ‘grote’ dingen: de wereld. Daar denken ze over na. Klimaat, politiek, oorlog. Hun gedachten gaan verder dan een potje Brawl Stars, geloof het of niet.

Tijdens die gesprekken hoor ik van alles, maar er gaat altijd een bel, er komt een volgende klas, er wacht een collega of een stapel toetsen. Toch hoorde ik zo vaak zulke grappige, ontroerende of bijzondere dingen dat ik eigenlijk had willen kunnen doorvragen, nadenken, en die mogelijkheid ook aan leerlingen wilde bieden. Daarom begon ik met ze te schrijven.

Brieven, dus.

Vragen stellen

Ik zocht leerlingen en legde uit wat ik van plan was. Dat we zouden gaan schrijven, mails uitwisselen. En dat ze mij daarin zouden vertellen over hun leven, de dingen die hen bezighielden, waarover ze nadachten en die ze meemaakten. Ze mochten zelf weten waarover ze zouden schrijven, wat ze me wilden vertellen.

Mijn rol? Vragen stellen, heel veel vragen stellen.

En uiteindelijk zou het allemaal in een boek terechtkomen.

Een jaar lang werd ik op onregelmatige momenten – best vaak ook tijdens lessen, opvallend genoeg – verrast door mailtjes van leerlingen. Sommige van hen kende ik al omdat ik ze in de klas had gehad, andere leerde ik juist kennen door wat ze mij schreven. Meer dan eens zat ik zowat juichend achter mijn beeldscherm, bijvoorbeeld bij een absurdistisch lange opsomming van voetbalstadions of bij een aarzelend geheven vingertje als de alcoholexperimenten van leeftijdsgenoten werden besproken. Op andere momenten raakte ik ontroerd door een opmerking, soms maar een half zinnetje, over een stilgeboren broertje of een overleden ouder.

Elke briefwisseling was persoonlijk. Niet alleen voor hen, zeker ook voor mij. Hoewel ik dus voornamelijk vragen stelde. Maar ik selecteerde, ik probeerde te sturen. De leerlingen bepaalden op welke vragen ze ingingen, en ze konden natuurlijk zelf over elk denkbaar onderwerp beginnen, maar ik liet mijn interesse in hen blijken door wat ik ze vroeg.

Ik kwam erachter dat het iets betekende. Het was de eerste keer dat mijn schrijverschap en mijn leraarschap elkaar zo nadrukkelijk raakten, zonder te botsen. Dat de twee elkaar versterkten.

Een collega Duits op de vorige school waar ik werkte schreef ook, romans, toneel, en ze vertrouwde me eens toe, we stonden in het kopieerhok, ik kom daar altijd graag, het ritmische geluid van zo’n machine heeft iets bijzonder geruststellends… hoe dan ook, we stonden daar, en we vertelden elkaar waar we op dat moment aan werkten, hoe we dat combineerden met lesgeven.

Op zeker moment boog ze een beetje voorover, alsof ze me een geheim wilde toevertrouwen, en zei, over het docentschap: ‘Het moet wel een bijbaantje blijven.’

Ze lachte erbij, ik lachte terug. Het had iets van een samenzwering, maar ook iets van bedrog. Alsof wij tweeën de enigen waren die wisten dat we het onderwijs gebruikten – misbruikten! – voor een hoger doel: de literatuur.

Betekenis

Jarenlang was ik het met haar eens. En eerlijk gezegd vond ik het ook best een prettige taakopvatting. (Al had ik toen nog niet door dat het ook een manier was om niet volledig betrokken te zijn bij de wereld, om afstand te bewaren tot anderen, je juist niet open te stellen.)

Sterker nog: met een beetje kwade wil zou je mijn lespraktijk kunnen zien als een alibi om zonder schuldgevoel een absurde hoeveelheid tijd te besteden aan zoiets ijdels en egomaans als fictie schrijven.

Ik schrijf, uiteindelijk, als je alles afpelt, voor mezelf. Dat betekent niet dat die romans een vacuüm zijn. Ze bestaan in een bredere context, zijn in gesprek met de wereld waarin ze ontstaan en ontlenen daar betekenis aan. Maar ze zijn uiteindelijk het resultaat van een persoonlijke zoektocht, het gaat om iets wat ik belangrijk genoeg vind om me een paar jaar in te verdiepen. Dat is ijdel, en ja, ook hoogmoedig. Natuurlijk is het dat.

Vijftien jaar geleden leek me niks heerlijker dan me de rest van mijn leven uitsluitend aan literatuur te wijden. Maar inmiddels vind ik dat niet meer voldoende. Ik ben meer om me heen gaan kijken, meer gaan zien. Mijn blik is meer naar buiten gericht.

In de briefwisseling met Yasmine, een leerling uit klas 5, zag ik mijn eigen gedachten weerspiegeld. Voor haar is het vanzelfsprekend om niet alleen te proberen een goed mens te zijn voor jezelf. Zij schrijft: ‘Iedereen leidt zijn eigen leven met zijn eigen problemen, emoties en verhalen. Als je dit kan beseffen begrijp je dat, net zoals anderen een invloed op jou hebben, jij ook een invloed op anderen hebt. (…) Ik vind deze aya ook heel mooi: ‘Zeker goede daden wissen slechte daden uit’ (11:114). De islam moedigt moslims altijd aan om het goede te doen, niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen. Ik denk dat het houden aan de standpunten van de islam niet alleen beneficiair is, omdat je dan naar de hemel kan gaan, maar ook omdat je dan een goed persoon bent in de maatschappij.’

Een goed persoon in de maatschappij. Dat wilde ik ook wel zijn.

En dat probeerde ik in de tussentijd ook steeds meer te worden. De ironie is alleen dat ik niet het onderwijs ben ingegaan met wat voor idealistisch motief dan ook (het was slechts een bijbaantje!), maar dat het werk in de loop der jaren veel meer betekenis heeft gekregen.

Het is een manier geworden om me verbonden te weten met de wereld om me heen, om waarde te hebben voor anderen. Om mezelf van waarde te weten.

Perspectief

Een van de dingen die ik leerlingen probeer bij te brengen, is dat literatuur je wereld kan vergroten, dat je er een breder perspectief door kunt krijgen. Op mensen, plaatsen, tijden. Mentaliteiten.

Als je literatuur niet alleen wil waarderen als autonome kunst, maar ook de plek ervan in ons onderwijscurriculum wil rechtvaardigen, is dat waarop je uitkomt. Een goede roman kan je wereldbeeld bepalen. Je mensbeeld. Zo werkte het vroeger voor mezelf, en zo werkt het nu ook voor mijn leerlingen.

Tegenwoordig, zou je enigszins gechargeerd kunnen zeggen, heb ik het schrijven nodig om niet gek te worden, en het lesgeven om gezond te blijven. Het een kan niet zonder het ander, en ik heb het een nodig om het ander succesvol te laten zijn. En omgekeerd, dus.

Onderwijs doet voor mij hetzelfde als een goede roman kan doen. Het verbreedt mijn blikveld. Voorwaarde is wel dat ik me in jonge mensen verdiep. Met ze praat, ze aan het woord laat. Onbevooroordeeld en open.

Wat me niet alleen bij Yasmine, maar bij vrijwel alle jonge schrijvers opviel, is dat ze ongelooflijk veel bleken na te denken over zichzelf, hun omgeving, hun plek in de wereld. Of, in de woorden van Oumaima, tijdens haar verblijf aan een Amerikaanse liberal-arts-universiteit: ‘Hoe the fuck is Oumaima Yahiaoui, die ervan houdt zichzelf te prijzen om haar diverse achtergrond, uiteindelijk toch in een bubbel beland?’

Nu kan ik me veel herinneren van mijn eigen middelbareschooltijd, ook dingen die ik liever zou vergeten (maar voor wie geldt dat niet?), maar niet per se dat ik heel veel nadacht over zaken die verder reikten dan het aanstaande proefwerk geschiedenis of wiskunde.

Deze leerlingen dus wel. Zij waren in staat om niet alleen een zinnige gedachte te hébben – ik bedoel, een helder moment hebben we allemaal weleens – maar om die ook fatsoenlijk op papier te zetten. Dat is moeilijker dan het lijkt, je verkijkt je er zo op.

En het viel dus wel mee hoezeer ze met hun telefoon vergroeid waren, een van de meestgehoorde vooroordelen over deze generatie. Ze hadden in ieder geval tijd genoeg om mij een jaar lang uitgebreid te schrijven. En nu we toch bezig zijn met vooroordelen: ik kwam ze amper tegen in de brieven. Of beter gezegd: voor elk ervan had ik zo een tegenvoorbeeld.

Gen Z’ers lui? Ik dacht direct aan Lizzy, die ergens opsomde wat ze allemaal deed: ‘Ik werkte hard, (…) terwijl ik daarnaast ook veel extra dingen deed. Ik nam vaak deel aan debattoernooien, was tweeënhalf jaar lang hoofdredacteur van de schoolkrant en in de vijfde klas won ik (…) de titel Jonge Denker des Vaderlands.’

Of neem Alara. Haar valt het op hoe snel leeftijdsgenoten worden gelabeld. ‘Doordat tegenwoordig bijna iedereen wel ‘iets’ heeft’, schrijft ze, ‘lijkt het of niemand meer gewoon normaal mag zijn. (…) Iemand die iets negatiefs ervaart, krijgt algauw te horen: jij hebt dit, jij hebt dat. Maar misschien zijn het gewoon menselijke gevoelens?’

Ze voelden in ieder geval heel goed aan wat er nodig was voor een geslaagde briefwisseling. Resultaat: ik was onder de indruk van hun verhalen, en van de onbaatzuchtigheid waarmee ze mij in hun levens toelieten. Enerzijds was dat wellicht het resultaat van de vorm. Een briefwisseling is intiem, altijd persoonlijk, en tegelijkertijd veilig, door de afstand. Aan de andere kant wisten ze kennelijk dat ik wilde luisteren. Dat ik niet alleen maar iets kwam halen, maar dat ik werkelijk belangstelling had, en dat ik moeite wilde doen.

Ik denk dat het daar om gaat. Moeite willen doen. Iedereen heeft een verhaal, je moet het alleen wel willen horen. Want hoe vaak wordt er niet over jongeren gepraat, en hoe weinig komen ze daadwerkelijk zelf aan het woord?

Als we niet bereid zijn naar ze te luisteren, oprechte interesse te tonen, zullen we nooit weten wat zich schuilhoudt achter de vooroordelen die er over ze bestaan. Probeer maar eens. Ze zullen je verrassen.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next