Home

Woorden na het doden van de boodschappers

Gaza Tot de herhaalde verhalen die ons het meest vermoeien, behoren die over pijn. Dit geldt hoogstwaarschijnlijk ook voor de verhalen die ons uit Palestina bereiken. Maar ze móéten verteld blijven worden, schrijft Adania Shibli.

Een gedenkteken voor in Gaza omgekomen kinderen in Parijs, bij de Esplanade des Invalides.

Halverwege de jaren negentig gaf ik naast mijn andere werk ook workshops videomaken aan schoolkinderen. Een van die workshops zou plaatsvinden op een basisschool voor meisjes in de oude stad van Jeruzalem. Er was plek voor twintig deelnemers. Vlak voor het begin van de workshop liet de schoolleiding me weten dat zo’n 130 meisjes zich hadden aangemeld, dus stelde ik voor om ze te vragen om een kort verhaal. De opdracht was om in dit verhaal iets te beschrijven dat ze onderweg naar school hadden meegemaakt. De plaatsen in de workshop zouden worden uitgedeeld op basis van de kwaliteit van de verhalen.

Adania Shibli is een Palestijnse schrijver. Dit artikel is een bewerking van de jaarlijkse PEN-lezing die ze zaterdag 17 april gaf in debatcentrum De Balie. Het artikel is vertaald uit het Engels.

Ik ontving bijna 130 verhalen. Na lezing bleek dat de meeste hetzelfde vertelden. Het ene na het andere verhaal beschreef hoe het meisje dat het verhaal had geschreven ’s ochtends onderweg naar school een oude blinde man had helpen oversteken.

De enige redelijke verklaring leek mij dat één meisje met dit idee was gekomen en de rest haar had nageaapt, of erger nog: dat dit een verhaal was dat hun op school was geleerd door een leraar die leerlingen ze wilde bijbrengen dat ze goed voor mensen in nood moesten zorgen. Met andere woorden, ik besloot dat dit een gemakkelijk clichéverhaal was dat kinderen maar al te graag navertellen.

Uiteindelijk heb ik de meeste meisjes die een dergelijk verhaal hadden geschreven geen plek in de workshop aangeboden. Dat zo’n honderd meisjes met het verhaal over het helpen oversteken van een blinde oude man geen plek in de workshop kregen, leek mij niet onredelijk.

Op een ochtend op weg naar school zag ik een groep van zo’n honderd meisjes gillend en springend rond een oude man met een stok in zijn hand en zijn ogen verscholen achter een donkere bril. Ik bleef staan ​​en volgde met mijn ogen wat er gebeurde.

Het tafereel bevestigde simpelweg dat wat ik als een onorigineel en onoprecht verhaal had afgedaan, in werkelijkheid misschien wel een steeds terugkerende, dagelijkse gebeurtenis was die de meisjes ’s ochtends onderweg naar school meemaakten en die hen diep raakte.

Toen ik die ochtend de schoolmeisjes zag proberen de blinde oude man te helpen, vroeg ik me af of herhaling in een verhaal ons iets kon leren wat we anders niet zouden begrijpen. Dit zou een zoektocht kunnen zijn naar betekenis in een zich herhalend verhaal dat niet door diezelfde herhaling teniet wordt gedaan.

Bovendien: door deze meisjes met hun herhaalde verhaal van de workshop uit te sluiten en hun zo te beletten filmpjes te maken ingegeven door belevingen en gevoeligheden die ze ervoeren in de wereld waarin ze leefden, droeg ik in feite bij aan een beperking van de reikwijdte van de vertelde verhalen en, erger nog, van de reikwijdte van dat wat als origineel en onorigineel, als waarachtig en onwaarachtig wordt beschouwd.

Verhalen over pijn

Ik kom vaak op dit voorval terug als ik weer eens probeer te bedenken hoe te voorkomen dat we ons beperken door de grenzen van dat wat wel en dat wat niet als waardig en betrouwbaar wordt beschouwd, zelfs in fictie. Zulke beperkingen, waaronder het vermogen tot zorgzaamheid en luisteren, leiden soms langzaam maar zeker tot het doden van verhalen en hun vertellers, alleen maar om het vergrijp van de herhaling. We worden moe van de herhaalde verhalen, alvorens we eraan voorbijgaan, ze in twijfel trekken en ze ten slotte niet meer horen. Tot de herhaalde verhalen die ons het meest vermoeien, behoren die over pijn. Dit geldt hoogstwaarschijnlijk ook voor de verhalen die ons nu uit Palestina bereiken. Dat zijn de verhalen die we al tientallen jaren horen, vrijwel zonder variatie, afgezien van het groeiende aantal slachtoffers. Als we op het ogenblik geen verhalen uit Palestina meer horen, ondanks meer dan honderd jaar kolonisatie en onderdrukking, met de laatste jaren nog een versnelling van het vernietigingsproces, dan stoort het ons niet dat we niets horen. Het maakt ons niet ongerust of verbaasd waarom die verhalen zijn verdwenen, al hebben we geen concrete stappen gezien om de omstandigheden die eraan ten grondslag liggen te veranderen.

In zekere zin is de kennis uit Palestina over Palestina inmiddels te vergelijken met het doven van een morgenster, die flikkert totdat je niet meer zeker weet of je hem nog wel ziet, totdat je hem loslaat en uiteindelijk bent vergeten.

Vergeten. Dat was een term die ik vorig jaar las op een reis naar Berlijn. Een passagier las een Duitse krant en bleef even hangen ​​bij een stuk met een foto van een kind dat zich over het lichaam van een dode volwassene boog. Ik had net genoeg tijd om de titel van het stuk te lezen, die in dikke zwarte letters luidde: „Hopeloos en weldra vergeten.” Ik herkende de foto als afkomstig uit Gaza, van een kind dat huilde bij het lijk van zijn vader die op zoek naar voedsel bij een van de Amerikaans-Israëlische hulpposten was doodgeschoten door Israëlische sluipschutters, zoals die in minder dan vijf maanden meer dan 2.600 Palestijnen hadden doodgeschoten. De passagier bladerde snel door naar een volgende pagina, en naar nog een, en naar nog een, totdat hij even bleef kijken naar een advertentiepagina voor fietsen, met daaronder verscholen de pagina met het artikel over Gaza en de titel: „Hopeloos en weldra vergeten.”

Hier rijst een vraag die klinkt als iemands lot: door wie en bij wie zullen ze vergeten worden? Ook al was voorafgaand aan die vraag al een proces van ‘vergeten’ ontstaan, een proces dat woorden al had laten verdwijnen nog voor degenen die ze uitspraken het zwijgen was opgelegd.

Dit vergeten heeft tot gevolg dat we de woorden of zelfs de kreten van anderen niet meer horen, en niet dat die woorden of kreten vervagen. Daar bevinden we ons nu, in processen die ons in staat stellen te vergeten en daarna niet meer te horen. Telkens als slachtoffers niet worden gehoord, laten we hen verzinken in stilte, met hun ervaringen die ons niet meer schokken of beroeren, net als hun nieuws dat niet meer nieuw is – hun nieuws is een herhaling van ouder nieuws, nieuws dat we al gehoord hebben. Gepaard met die ontwijking gaat onverschilligheid.

Zo schept het proces waarmee de verhalen over pijn steeds weer verteld worden, waarmee woorden aan de pijn gegeven worden, afstand tussen de pijn en de waarheid van zijn ontwrichtende taalkundige ervaring. In deze staat van herhaling verliest het luisteren naar verhalen over de pijn ten slotte aan momentum, en dat wat naast deze onverschilligheid aan momentum wint, is het toebrengen van pijn, ook aan hen die ​​deze pijn beslist willen delen, in dit specifieke geval de driehonderd vermoorde journalisten, schrijvers en kunstenaars in Palestina in de afgelopen jaren.

In een boek van Slavoj Žižek stuitte ik eens op een grap die me altijd is bijgebleven. Ik vertel die grap hier na, maar zoals elke verteller zal ik vermoedelijk het verhaal niet precies zoals Žižek vertellen: een jongeman wilde in een land gaan wonen dat onder een autoritair bewind stond. De vader wist dat hij een opstandige jongeman was en was fel tegen het idee, heel bezorgd om de veiligheid van zijn zoon. Maar de zoon wilde per se in dat land gaan wonen en ten slotte gaf de vader toe en stemde in, maar onder één voorwaarde. Mocht hij in de problemen komen, zei hij tegen zijn zoon, dan moest hij hem een ​​brief schrijven zonder in details te treden, want uitgaande brieven werden gecontroleerd. Hij hoefde de brief alleen maar met rode inkt te schrijven en dan zou de vader hem onmiddellijk komen redden. Nadat de zoon met die voorwaarde had ingestemd, vertrok hij naar dat land dat onder een dictatuur gebukt ging. Een maand later kreeg de vader een brief van zijn zoon waarin werd beschreven hoe geweldig het was om daar te zijn, dat de mensen gelukkig waren en het land al het goede in overvloed had, zonder enige beperking van de vrijheid van meningsuiting. Er was alleen geen rode inkt te krijgen.

Zo worden we ook steeds meer beroofd van een taal om te verwoorden, telkens als we niet meer een verhaal mogen horen en een stem mogen beluisteren, terwijl we intussen blijven denken dat we vrijuit alle woorden die we hebben mogen gebruiken, zonder te beseffen welke ervan geheel uit onze woordenschat zijn weggenomen.

Saleh al-Khalidi, een jonge dichter uit Gaza, schrijft:

Zoek me niet in stilte,

ik was de stilte

die je nooit hoorde.

Wat moeten we dan doen met de stilte die we nooit hoorden, vergezeld van een gebrek aan rode inkt en woorden die we nooit zullen horen of kennen? Hoe kunnen wij, schrijvers en lezers, verdergaan na deze dood van woorden?

Als schrijvers is het noodzakelijk dat wij wegen zoeken waardoor we deze taalkundige uitwissing kunnen verduren ​​en niet medeplichtig zijn aan haar voortbestaan, dat we niet de rode inkt voor onze ogen geheel laten verdwijnen.

Het schrijven, vertellen en herhalen van verhalen zou ons kunnen helpen een kans te vinden om stil te staan bij andere mogelijke verhalen, die alleen kunnen ontstaan door de afwezigheid of duisternis zoals die ons al zo lang omringen. Deze mogelijke verhalen kunnen heel goed worden gezocht in de fictie en de verbeelding, waarbij literatuur als leidraad naar een ander soort ethiek kan dienen. De oneindige variaties op de verhalen die geschreven mogen worden, zullen onvermijdelijk plaats bieden aan die welke nooit zullen worden gehoord. Dat is dan een manier om niet te zwichten voor het dictaat van de uitgewiste woorden en het gebrek aan inkt.

Literaire energie en visie

Het bedenken en schrijven van verhalen staat dan ook gelijk aan dat wat John Berger onderscheidt als andere manieren van vertellen. Literatuur is misschien wel de enige vorm die ons over de grenzen laat gaan zoals gesteld door bevestigde nieuwsberichten en historische verhalen waaraan de status van waarheid wordt toegekend. Want welke waarheid schuilt er in het nieuws dat we over Gaza krijgen als Gazaanse boodschappers zijn vermoord, en welke waarheid zal er schuilen in de geschiedenis van Gaza nadat historici daar zijn gedood en archieven, bibliotheken en universiteiten zijn gebombardeerd?

Toch mogen we niet vergeten dat alles wat ons als schrijvers in feite rest in deze morbide tijd, is om te vertellen door middel van literaire energie en visie, en door de taal te onderzoeken en haar open te stellen voor de betekenissen en verhalen waarvan ze wordt beroofd.

We mogen in elk geval niet ons vertrouwen in de literatuur opgeven.

Wie hoogstwaarschijnlijk meer dan klaar zouden zijn voor deze taak, en bereid om deze uit te voeren en zelfs om hetzelfde verhaal zonder aarzeling opnieuw te schrijven, dat zijn de meisjes van die basisschool in Jeruzalem.

Hun volharding om verhalen te vertellen, hoe vaak die ook werden herhaald, zou op dit moment een les en inspiratie voor ons moeten zijn. Zonder angst voor herhaling in het verhaal, en evenzeer aanwezig in hun daden, kunnen deze schoolmeisjes ons goed begeleiden bij het veilig oversteken van de afgrond die zich voor ons heeft geopend, net als ze dat deden voor de blinde oude man. We zouden moeten verlangen dat binnen deze afgrond een literaire verbinding wordt gelegd.

Dit moet wel het minste zijn wat we kunnen doen tegen uitwissing en vernietiging: dat we eisen verhalen te horen, op te schrijven en zo nodig te herhalen, zonder angst voor die herhaling, ook als we geen inkt mogen gebruiken.

Midden-Oosten

Lees meer

Source: NRC

Previous

Next