Roanne van Voorst In Het zuchten van bomen beschrijft Roanne van Voorst het leven van twee gezinnen en één stervende boom. De roman is subtiel, vol lichte tonen, wijsheid, humor en berusting. Toch ontbreekt ook betrokkenheid bij de problematiek rond milieu en klimaat niet.
'Welke boom ben jij?' Beeld uit de serie Habitat(ten) van fotograaf Janine Schrijver waarbij ze mensen uitnodigt zich te verbinden met de natuur en zichzelf.
Roanne van Voorst: Het zuchten van bomen. Nijgh & Van Ditmar, 144 blz. € 17,99
„Dit keer begon het met een zacht, aanhoudend gekraak”, zo vangt de roman Het zuchten van bomen van toekomstantropoloog en schrijver Roanne van Voorst aan, waarin ze een van haar hoofdpersonages geboren laat worden. Met een kleine schok barstte iets open, „en zo begon de beukenboom te groeien”. We lezen hoe een zaadje openbreekt en er een klein plantje uit de aarde piept, dat langzaam maar zeker uitgroeit tot de beukenboom naast een huis in het bos. Het alwetende perspectief verschuift naar de boom, die horend waarneemt hoe het huis bewoond raakt door een boswachter en een biologe. Via „de doffe klappen van autoportieren, het kraken van de voordeur, het gekletter van metaal, het gerinkel van bestek tegen porselein” doen mensen langzaam hun intrede in het verhaal.
Het stel krijgt een dochter, die liefdevol opgroeit, maar ook eenzaam is. Vriendschappen zijn moeilijk („ze werd niet echt gepest, wel vaak vergeten of genegeerd”) en zo ontstaat er een bijzondere band tussen haar en de beukenboom, gebaseerd op een gelijkenis die Van Voorst prachtig formuleert: „Haar vader had haar eens verteld over wat de ‘verlegen kronen’ van bomen wordt genoemd: hoe bomen met hun takken net niet tegen elkaar aan groeien, zodat ieder genoeg licht vangt. Ze vond dat een mooi idee – dat afstand ook een vorm van nabijheid kon zijn, dat bomen elkaar ruimte gunden zonder zich van elkaar af te keren.” De dochter klimt in de takken en op een dag lukt het haar om contact te maken – wat niet veel mensen kunnen omdat ze niet opmerkzaam zijn en te snel afgeleid: „Toen hij haar adem hoorde stokken begreep de boom dat het hem was gelukt. Heel even had ze hem kunnen verstaan: haar bewustzijn expandeerde omdat zij lang genoeg bewegingsloos was gebleven, zoals ook het gehoor van blinde mensen beter is dan dat van hen die kunnen zien.”
Het zuchten van bomen bestaat uit vier delen, die de levensloop van de beukenboom (van zaadje tot zaagsel) en de dochter (van meisje tot moeder) volgen. Als kind van ouders die de natuur beschermen en bestuderen, wendt zij zich uiteindelijk tot de psyche van de mens. Ze woont met haar gezin in een appartementencomplex in de stad en werkt als psycholoog – met vroege ochtendsessies online, want alleen dan hebben mensen tijd. Je leest voortdurend herkenbare kleine botsingen tussen idealen en werkelijkheid. Zo is er even geen tijd voor het ecoprogramma van de vaatwasmachine, komt ze te weinig buiten en vindt ze het eigenlijk saai om mee te gaan in het kinderspel van haar zoons. Er is een menselijke onrust in het ritme van het moderne leven, waarin alles telkens in ontwikkeling is of zou moeten zijn: „Met haar zoontjes op school, op zwemles, op tennis, aan het spelen bij vriendjes, en zonder cliënten die haar dag in hokjes van vijfentwintig minuten opdeelden, werd de dag grenzeloos lang, en die grenzeloosheid legde haar lam.”
De thematiek lijkt in de richting te wijzen van ecoliteratuur of klimaatfictie, dat vaak ook staat voor ecokritiek. Maar hoewel er in deze roman wat kleine kritische noten vallen (zoals dat mensen moeilijk contact maken met bomen, of in het activisme van de vader die strijdt voor behoud van het bos), wordt de problematische kloof tussen mens en natuur hier opvallend behapbaar gehouden, door het niet per se over de mensheid te hebben, maar over twee gezinnen. Niet over een stervende aarde, maar één stervende boom. Bovendien is aan dat sterven niets zieligs: de boom kent geen pijn en heeft enkel een sluimerend bewustzijn dat op een geheel eigen tempo bestaat, een energie die zich toevallig in die nerven heeft gevestigd en daarna ‘door’ gaat in een cyclisch proces van reïncarnatie. De pijn die je eraan toekent, komt van de mens en de auteur lijkt te denken: dat mag de lezer zelf wel of niet doen.
De parallel met de natuur, waar alles geworteld en verbonden is, wordt bijzonder krachtig verwerkt in deze roman: we bestaan dankzij het contact met elkaar, net als bomen. De sensatie van ontworteling lees je terug in de tegenstelling tussen stad en bos, in de rol van een dochter die moeder wordt, in het afscheid van een ouderlijk huis, in het leven zonder vader, in de eenzaamheid van een hectisch gezinsleven. En natuurlijk: in de verwijdering van de geliefde beukenboom, die dankzij een benoeming tot mooiste boom een beschermde status krijgt en uiteindelijk niet gekapt wordt, wanneer de rest van het bos er wel aan moet geloven om ruimte te maken voor woningen. De boom wordt verplaatst naar een botanische tuin, waar hij langzaam tot stilstand komt: „Hij was als een knikkebollende bejaarde in een verpleeghuis, en niemand die hem uit zijn gedut kon wekken, want de exotische bomen die zijn nieuwe buren waren communiceerden in een dialect dat hij niet begreep.”
Dit alles wordt zo zorgvuldig en relativerend opgetekend, dat het troostrijk werkt: de natuur kent geen pijn, is niet sentimenteel of melancholisch, het gaat eenvoudigweg door: „Zelfs na de kap bleef er in hun stammen een wereld aanwezig, een plek waar kleine wezens zich nestelden en nieuwe vormen van leven konden groeien.” De melancholie (en de pijn) zit in de mens, die veranderingen moeizamer ondergaat, zoals wanneer het ouderlijk huis en het bos zijn verdwenen en de dingen in een ander daglicht worden gezet: „Ze ging op een houten klapstoel zitten die ze in haar ouderlijk huis altijd charmant had gevonden, maar hier, in het witte licht van de plafondlamp in de keuken, vielen haar de lichtgekleurde krassen aan de rand van het zitoppervlak op, de beschadiging in een poot.”
Er zijn kleine ontwikkelingen die het lot van de moeder en de boom bepalen; van grote, stuwende gebeurtenissen is in deze roman geen sprake. Er zit een fijne subtiliteit in het natuurlijke beloop van de dingen, er wordt (prachtige) taal gegeven aan leven dat zich langzaam en zonder excessen ontplooit. Ze ambieert een praktijk waarin ze wandelingen maakt met cliënten en een coöperatieve moestuin voor oververmoeide mensen opzet, maar waarom gaat ze dat niet doen? „Of misschien was het zo: ze wilde al die dingen willen, en vervolgens probeerde ze maandenlang in zichzelf te ontdekken waarom ze desondanks geen enkele actie ondernam om ze waar te maken.” Haar ratio dicteert plannen die goed voor haar zouden zijn, maar haar lijf, het onderbewuste of de natuur, hoe je het noemen wil, kiest óók een richting: als een wil buiten de hare om, wortelt ze opnieuw in het gezin door weer zwanger te raken, dit keer van een dochtertje.
Het zuchten van bomen is in alles subtiel, het bevat lichte tonen wijsheid, humor en berusting. „Het enige punt van het leven is om alles te doorleven”, stelt de moeder aan het einde van de roman, als ze ernstig ziek in haar appartement ligt en haar dochter (met haar dochtertje) bij haar waakt. De reddingspogingen in de botanische tuin mochten niet baten, de beukenboom leeft door op andere wijze, in een nieuwe vorm: hij is verworden tot het bed waar de dochter op slaapt. De twee zijn eindelijk opnieuw dichtbij elkaar, „Hij trok zijn randen stevig naar elkaar toe, maakte zijn midden zo zacht als hem lukte, en bedacht dat dit misschien geluk was: te doen waarvoor je bent gemaakt.”
Deze roman zoekt het gezelschap op van ecoliteratuur die de natuur een stem geven, zoals Wormmaan (2021) van Mariken Heitman, Zee nu (2022) van Eva Meijer of In gesprek met de Noordzee (2025) van Arita Baaijens. Ze vallen op door hun filosofische onderzoek naar ecologische rouw. Wat de auteurs van deze boeken gemeenschappelijk lijken te hebben, is de overtuiging dat de natuur op een bepaalde manier verloren gaat als je er een mens tegenover zet die een landschap beschouwt, omdat deze blik het reduceert tot omgeving: iets dat zich buiten het denkende hoofd, het levende zelf als centrale plek bevindt, terwijl de mens onderdeel uitmaakt van die natuur. Je zou de mens niet moeten isoleren, maar een werkelijkheid moeten tonen waarin de samenhang duidelijk wordt: narratieven waarin water, dieren of bomen optreden als personages en blijken te kunnen denken. Literatuur is perfect voor het realiseren van dergelijke imaginaire ontmoetingen. Het creëert unieke, levendige voorstellingen die de feiten (denk aan een klimaatrapport) invoelbaar maken. Je kunt het zien als het show, don’t tell-principe. Het risico van deze verhalen is een dwingende, onheilspellende toon: een verhaal dat in dienst komt te staan van een pleidooi, terwijl de kracht nu juist kan zijn om tot een nederige houding tot de natuur uit te nodigen in plaats van af te dwingen.
En dat is precies wat Roanne van Voorst zo goed lukt: dit bescheiden boek geeft ruimte aan de lezer en laat op originele wijze zien hoe de mens oefent in loslaten. De roman biedt de ervaring van vertragen, door de schoonheid van normaal leven in een fascinerend licht te zetten en onzichtbare verbintenissen bloot te leggen. Van Voorst toont de mens, in al zijn gestuntel, voortdurend liefdevol. De taal fascineert door rake typeringen, de vloeiende perspectiefverschuivingen tussen de beukenboom en de dochter en de inventieve, zintuigelijke beschrijvingen (lees hier bijvoorbeeld hoe de boom de mens ervaart: „De menselijke waterwezens produceerden een scheller geluid dan de kabbelende rivier die vlak achter het bos stroomde; ze klonken onregelmatiger dan het ruisen van de zee, dat ver weg maar altijd aanwezig was; hoekiger dan het ronde vallen van regendruppels.”) Het zuchten van bomen geeft de sensatie dat je even de kern aanraakt van wat leven is, door de schoonheid ervan te laten zien.